Raison d’être van de moderne burger

Co-referaat Van der Leeuw-lezing door David van Reybrouck
Groningen 17 november 2017

 

Net als David neem ik u mee naar een van de gebieden waar ik onderzoek deed: naar Zuid-Limburg, naar het kerkdorp waar ik ben geboren. Ik was één jaar oud toen mijn vader op het kasteel van Wijnandsrade een festival voor Limburgse cultuur organiseerde. Op het kasteel klonk middeleeuwse muziek, de toneelvereniging speelde een streekverhaal, er waren kunstenaars, oude ambachten, valkeniers, wijnmakers. Er werd gezongen, gedanst, gedronken, dat alles voor de kas van onze handbalvereniging.

Het dorp van 1800 inwoners trok in zijn hoogtijdagen tienduizend bezoekers, zelfs uit Amsterdam. Om dat te bolwerken waren meer mensen nodig dan er handballers waren. Het halve dorp was een week in touw. Mijn vader was er – met uitzondering van drie door mijn moeder afgedwongen vakantieweken – het hele jaar mee bezig.

Na veertig edities vond papa het welletjes. Hij zocht jaren naar een opvolger, maar toen vijf jaar geleden de einddatum naderde, was er niemand om het stokje over te nemen. Het was gedaan met het cultuurfestival.

 

Ik vertel u deze geschiedenis omdat het festival zoveel meer was dan de cash cow van een sportclub. Het was een plek waar de bloedgroepen van onze kleine gemeenschap zich mengden: handballers met voetballers, ongelovigen met kerkgetrouwen en academici met ongeschoolden.

Tweede neveneffect: de dorpelingen zetten samen iets groots neer. Het gaf Wijnandsrade cachet. Als derde was het festival als gemeenschappelijk project een ‘democratische ervaring’, volgens de Franse filosoof De Tocqueville essentieel voor een democratische cultuur.

Een gemeenschappelijk project is een democratische ervaring, volgens Tocqueville essentieel voor een democratische cultuur.

Tot slot koesterde en voedde het festival de geschiedenis en cultuur van de eigen streek. Ook zonder vlag of volkslied werd hier de Limburgse identiteit gevierd.

Het is op precies dat ticket, de Limburgse identiteit, dat Geert Wilders hier de verkiezingen won. Wilders’ vorm van identiteitspolitiek wordt gedefinieerd als ‘populisme’: het zet zich af tegen elites, het bestrijdt pluralisme, en claimt Het Volk te vertegenwoordigen – een volk dat in kleur en cultuur homogeen zou zijn.

Zuid-Limburg, en dan met name de Oude Mijnstreek, bleek een vruchtbare akker voor populisme. Tocqueville-kenner Albert Jan Kruiter signaleert hier essentiële voorwaarden voor populisme:

(1) Allereerst: Een glorieus verleden dat wordt verheerlijkt. In de hoogtijdagen van de steenkoolindustrie was Heerlen een van de rijkste, meest trotse steden van het land. Het was modern en chic, nergens in Nederland gingen meer bontjassen over straat.

(2) Er is een duidelijk afgebakend wij: wij Limburgers tegenover de Hollanders. En wij Limburgers tegenover buitenlanders – vooral Oost-Europeanen, omdat bendes Roemenen en Bulgaren Zuid-Limburg terroriseren met overvallen en inbraken. Het grensgebied is een speeltuin voor georganiseerde criminaliteit en de politie is uit beeld. Toen een inwoner van Wijnandsrade ’s nachts de politie in Brunssum belde omdat een inbreker in zijn huis zat, kon die niet komen. Er was geen politieauto.

(3) Daarmee is meteen een vijand en de 3e voorwaarde gedefinieerd: een vermeende dreiging van buiten. De vijand is De Elite die na de mijnsluiting, na de teloorgang van dit wingewest, de postindustriële streek lieten verpauperen.

Vijand zijn ook de Oost-Europeanen die behalve auto’s, apparatuur en huisraad, banen zouden inpikken. Afgeleid uit het nieuws groeit de angst voor de islam.

(4) 4e voorwaarde: Een gevoeligheid voor hiërarchie. Het Katholicisme met zijn sterk hiërarchisch gezag voedt de voorkeur voor een sterke leider. Bovendien werden de kompels gekneed naar het model van de gedisciplineerde, horige arbeider. Op de Ondergrondse Vakschool hesen jongens elke ochtend de Nederlandse vlag. Dan zeiden ze de 10 artikelen van de ‘OVS-wet’. De laatste wet luidde: “Ik wil gehoorzaam zijn, zonder tegen te spreken.”

(5)  Tenslotte moet er een gevoel zijn van slachtofferschap. De mijnwerkers werden gekoesterd, gekneed, gekoeioneerd. Hen werd verteld dat ze helden waren in dienst van God en vaderland. Toen ze niet meer economisch rendabel waren, zijn die helden verloochend en vernederd. Hun chique stad werd een junkengetto.

Waar David van Reybrouck het populisme terugvoert naar de koloniën, raken de verhalen van Congo en Limburg elkaar. De exploitatie van de Nederlandse mijnen leek een kolonisatie. De arbeiderswijken dichtbij de mijnzetels heetten kolonieën. Kerk en staat streefden naar maximale controle. Het koloniale karakter van de mijnwinning toont zich ook in het hoger kader. Veel leidinggevenden werkten eerder in Nederlands-Indië. De meest iconische was wel ingenieur Dinger, voorheen een machtig plantagebezitter uit Indië. Wanneer op zondag de mijnwerkers naar de kerk liepen, zat hij in Heerlen in wit tropenpak op zijn veranda.

Wat bevrijdingsbewegingen in Afrika en Indonesië gemeen hebben met de Zuid-Limburgers, is dat ze zich keerden tegen de kolonisator wiens exploitatie hen berooid achterliet. [Of de massabeweging van de Afrikaanse dekolonisatie]

Of de massabeweging van de Afrikaanse dekolonisatie daarmee ook ‘populistisch’ was, wil ik betwijfelen. Van de genoemde oorzaken voor populisme, was er eigenlijk alleen het slachtofferschap.

 

Wel is duidelijk dat de sterke identiteit van mijnwerkers een schoolvoorbeeld is van wat de Britse historicus Eric Hobsbawm later Invention of Tradition zou noemen: een gloednieuwe eeuwenoude traditie als bron van trots. Die identiteit is hen naderhand ontnomen zonder dat er iets van betekenis voor in de plaats kwam.

Waar mensen materiële zekerheid en voorspoed verliezen, zijn ze aangewezen op immateriële grondslagen voor trots en eigenwaarde: op zaken als nationale en culturele identiteit.

Hetzelfde geldt ook buiten Limburg. In andere postindustriële gebieden als Helmond of Almelo, de Amerikaanse RustBelt of het Franse Lille, floreren populisten met identiteitspolitiek. Ook hier raakten grote groepen baanzekerheid en (zelf)vertrouwen kwijt.

Waar mensen materiële zekerheid en voorspoed verliezen, zijn ze aangewezen op immateriële grondslagen voor trots en eigenwaarde: op zaken als nationale en culturele identiteit

Enkele cijfers. Ondanks grote economische groei is het gemiddeld Nederlandse inkomen in 2016 3% lager dan in 2001. Tussen 2010 en 2014 verloor meer dan de helft van de Nederlanders aan koopkracht; ze betaalden voor de financiële crisis. Meer dan 600.000 werkenden zakten onder de armoedegrens. Het gemiddeld besteedbaar inkomen ligt in Limburg nog steeds ruim onder het landelijk gemiddelde.

Inkomensongelijkheid nam toe – met hoeveel weet niemand, want het CBS weet niet hoeveel rijke Nederlanders aan belasting ontduiken en ontwijken. Wel is duidelijk dat de loonkloof tussen top en werkvloer afgelopen jaar weer is gestegen. De economie groeit en de vruchten vallen toe aan bedrijven.

 

Zie hier het plaatje van de happy few en de unhappy majority: de kosmopolieten die altijd beweerden dat open grenzen goed zijn, en die tegenstanders hebben weggezet als kleingeestig of xenofoob, bleken zelf kapitaal weg te sluizen en belasting te ontwijken. De Panamapapers, de Paradise Papers, ze zijn de smoking gun van een elite die het sociaal contract heeft gebroken. Deze verdeling van de pot van het mondiale kapitalisme, voedt een virulent gevoel van sociaal onrecht.

De Panamapapers, de Paradise Papers, ze zijn de smoking gun van een elite die het sociaal contract heeft gebroken

De middenklasse ziet een alsmaar onzekerder toekomst voor zichzelf en haar kinderen en het maakt haar razend. Ze wendt zich vervolgens tot leiders die Het Volk onder één noemer brengen, de boze Nederlander tot norm verheffen, de elite beschimpen, de instituties van de rechtstaat verloochenen en pluralisme – de diversiteit van onze samenleving, terugbrengen tot één oranje gemene deler. Hier wordt een vijandbeeld gekoesterd, vertrouwen geofferd aan wantrouwen, en komt de open samenleving onder druk.

Dat brengt me terug naar dat andere deel van de wereld waar ik jaren woonde, naar Afrika, naar Oeganda, naar de dag dat een Nederlander een lezing kwam geven aan de Makerere Universiteit. In de aula kwamen in maart 2009 honderden studenten bijeen voor een lezing van Roel van der Veen. De diplomaat had een standaardwerk geschreven over Afrika’s geschiedenis.

Van der Veen vertelde de Oegandese studenten wat economisch succesvolle landen gemeen hebben. “Ontwikkeling” zo zei hij, “begint waar mensen het heft in eigen hand nemen. Waar ze moeite willen doen, niet te veel klagen en telkens weer proberen zichzelf te verbeteren.” En: “Wie een slachtofferrol aanneemt, zal nooit succesvol zijn.”

Het waren dagen waarin president Museveni tirades afstak tegen ‘het imperialistische Westen’. Het rumoer onder de studenten nam toe en wat een feestelijke middag had moeten worden, eindigde in gejoel. “You racist!” hoorde de Nederlandse diplomaat, toen hij de aftocht blies.

Het politieke humeur in Nederland doet me soms denken aan dat van Museveni en zijn studenten: wat niet goed gaat, wijten we te makkelijk aan krachten buiten onszelf. Zoals Afrikaanse leiders vaak wantrouwen voedden jegens een andere stam, zo creëren ook wij onze vijandbeelden – en dat terwijl Europa zijn succes dankt aan zelfreflectie en inzet.

In plaats daarvan wijzen politici nu de weg naar het slachtofferschap. De voorheen ‘boze’, nu ‘gewone’ burger, is alleen nog een gedupeerde. Populistische politici vertellen hem dat hij is geofferd op het altaar van De Vooruitgang zoals de EU die ontvouwt: zijn baan ingepikt door een buitenlander, vermalen in de raderen van de verzorgingsstaat, bedreigd door geweld in de buitenwereld – aldus Sybrand Buma. Thierry Baudet waarschuwt voor een “auto-immuunziekte” en “kwaadwillende agressieve elementen die ons lichaam binnendringen”.

Zijn boosheid wordt gevoed, ongezien geldig verklaard, en in dezelfde beweging tot raison d’être van de moderne burger gemaakt. Hij is boos dus hij bestaat. En de politieke elite haast zich om hem met egards te ontvangen, deze nobele wilde van de 21e-eeuwse politiek.

De moderne burger is boos dus hij bestaat

De gewone burger die met recht kwaad is over de rekening van de crisis, kwaad over de verrijking van een financieel-bestuurlijke bovenlaag heeft nog niet automatisch in alles gelijk. Niet alles wat boze burgers zeggen, is legitiem – hier daagt de nieuwe politieke correctheid. Engagement is een te rooskleurige aanduiding van Van Reybrouck voor wat in de praktijk soms trekken vertoont van virulent nihilisme. Van een verlangen naar het autoritaire, van een afkeer van democratie.

 

Het is naïef te denken dat iedere boze burger het op voorhand goed met de samenleving voor heeft. In zijn ongenoegen vindt diezelfde burger makkelijk de grond voor agressief, intimiderend gedrag, voor keuzes die het algemeen belang schaden. Te veel kiezers willen het huis van de democratie zien branden.

We moeten, om met Susan Neiman te spreken, moreel helder blijven. De filosofe die in 2014 de Spinozalens ontving, verwijt progressieven dat ze moraliteit hebben overgelaten aan rechts. Zij pleit voor trouw aan waarden als: eerbied, redelijkheid, nederigheid, hoop, kritisch denken en natuurlijk pluralisme.

Maar de moraal is gekaapt door conservatieve populisten. Zij noemen zich realpolitiker en ademen pessimisme uit. Neiman noemt dat pessimisme een laffe houding. Maar ook Europese politici verwijt zij lafheid: dat ze de populisten weinig tegengas geven. Dat ze niet met idealen durven komen, dat ze onvoldoende de waarden uitdragen die onze beschaving schragen.

 

En daar daagt een probleem dat me ernstig verontrust: de fanatieke aanhang van een populistisch politicus wordt gevreesd – en dat weet ze. Kritiek wordt afgestraft met de mobilisatie van een agressieve online mob. Critici worden aangevallen en geïntimideerd, opdat weerwoord voortaan uitblijft. Een Volkskrant-journaliste werd mikpunt van online verkrachting toen ze het seksisme op bepaalde sites bekritiseerde. Uit afkeer van zo’n bejegening trekken progressieve geesten zich uit het publieke debat terug.

De onlangs overleden burgemeester van Amsterdam wist om te gaan met burgerlijke boosheid. Eberhard van der Laan nam het ongerief van zijn burgers serieus. Hij ging met een bloemetje op de koffie, zocht ze op, ook op straat. Hij diende ze van repliek wanneer ze onredelijk of onbeschoft waren. Dan zei hij: “Wat een lulkoek… jij bent een ouwehoer!” Wie de publieke zaak onteerde, kreeg er van langs.

 

Het is naïef te denken dat iedere boze burger het op voorhand goed met de samenleving voor heeft

 

Nederland ontleende zijn kracht lang aan zijn culturele openheid. De Gouden Eeuw schiep een geestelijk klimaat waarin vrijdenkers veilig waren. Die sterke identiteit combineerde openheid met eigenheid, en bracht denkers en kunstenaars van wereldklasse voort. Vandaag de dag wordt er gejammerd over chocolade-eitjes en het teloorgaan van ‘de Nederlandse cultuur’. Tegelijkertijd kunnen klassieke musici – dragers van die cultuur – niet meer leven van hun baan bij een orkest. Zitten met Pasen de kerken niet vol. En is er niemand te vinden die het cultuurfestival in Wijnandsrade wil organiseren.

Met de democratische ervaring is het als met de ervaring van gemeenschap: allebei vragen inzet en moeite. Het bestaansrecht van de burger ligt in zijn betrokkenheid, in zijn inzet voor de publieke zaak. Maar mijn geboortedorp is verstoken van een feest dat de identiteit en de gemeenschap hielp vormen. En apathie, dat wist Tocqueville al, is de doodsteek voor de democratie.

Het gevolg is een nog luider klagen over verlies van wat er was. Het gevolg is een gevoel van slachtofferschap dat wordt gevoed door populistische retoriek die bedreigingen van buiten ziet, maar die straal voorbij gaat aan de luiaard en de barbaar vanbinnen.