Presentatie Dag Afrika, Stadsschouwburg Amsterdam 7 feb 2013

Toen ik voor het eerst naar Afrika ging, was ik een diplomaat. Ik vloog businessclass naar Abidjan, de hoofdstad van Ivoorkust. Daar zat ik in een vijfsterrenhotel met honderden andere diplomaten. Wij besloten hoeveel geld Afrikaanse landen kregen van de Afrikaanse ontwikkelingsbank, en welk beleid die landen in ruil daarvoor moesten uitvoeren. De hele week kwam ik 1 keer buiten het hotel. Met de taxi gingen we naar een visrestaurant.

De tweede keer dat ik over de Sahara vloog, ging ik in Afrika wonen. Het was 2001 en mijn huis stond bovenop één van de zeven heuvels van Kigali.

Rwanda was even getraumatiseerd als prachtig. Het viel me niet mee te mengen met gewone Rwandezen. Het voetstuk waar ik op stond was te hoog. Een meisje aan een zwembad in Kigali legde het uit: Ik was een schepsel van God. Dat zat zo: Ik was wit en Jezus was wit. Jezus was goed, en ik liftte mee op zijn succes.

Ik had de hele tijd profijt van onze lieve Heer want als ik bij de bank kwam, dan week de lange rij om mij voor te laten gaan.

In Rwanda werkten bijna alle witten in ontwikkelingssamenwerking. Je kon ze grosso modo indelen in 2 types – en ik veralgemeniseer nu, dus wees niet beledigd, ik schets iets van een karikatuur. Je had er de Paternalisten en de Africa-lovers.

  1. De paternalisten, zij voelen zich verheven boven Afrikanen en praten met dédain over Afrika. Zo had een diplomaat het over de Black-O-Matic in zijn huis.
  2. De Africa-lovers schaamden zich voor het superioriteitsgevoel van de witte man. Zij verklaarden alles wat Afrikaans was heilig.

De eerste, de paternalisten, die kenden Afrika net zo goed als de diplomaten in Ivoorkust. De tweede soort, de Africalovers, wilde niets liever dan Afrika doorgronden, maar ook zij deden dat niet op voet van gelijkwaardigheid. Zo hielden zij Afrikanen nooit verantwoordelijk voor hun eigen fouten. Altijd alles vergoelijken.

Allebei hadden ze last van een White Man’s Burden. De paternalist van de burden zoals Rudyard Kipling die oorspronkelijk had bedoeld: Afrika moest beschaving worden bijgebracht. De Africa-lovers hebben last van de white man’s burden die een afgeleide is van die beschavingsdrang. Ze hebben last van schuldgevoel over slavernij en kolonialisme, en daarom willen ze Afrika helpen. Eigenlijk begrepen ze allebei te weinig van Afrika.

De eerste vonden Afrika achterlijk. De tweede dweepte met clichés: zoals dat Afrikanen zo dicht bij de natuur leven. Ik vond het niet zo gek dat hulp te weinig uithaalde. Maar ach. Die hulp was goed bedoeld, en bovendien was Afrika toch al het ‘verloren continent’.

We zijn nu dik tien later. Heel wat Afrikaanse landen hebben tien jaar groei op de teller staan – met cijfers waar onze premier zijn vingers bij kan opeten. De witte man is in Afrika van zijn voetstuk afgevallen – dat ging zo geleidelijk dat sommigen nog steeds niks doorhebben…

Vroeger zat de westerse diplomaat om de tafel met Afrikaanse presidenten en ministers. Nu heeft-ie vaak niet eens hun mobiele nummer. Op de stoel van de witte man zit nu een Chinees, Braziliaan of Indiër, die onderhandelt over zijn investeringen.

Die economische groei staat niet op zichzelf. Ze komt met een Afrikaans zelfbewustzijn. Het zwarte minderwaardigheidscomplex dat door de witte in stand werd gehouden, maakt plaats voor trots en eigenwaarde. Als ik de laatste jaren sprak met een Afrikaanse minister, dan deed die nauwelijks nog zijn best om zijn minachting voor het Westen te verbergen. Over de crisis in Europa wordt vet gelachen. De Schadenfreude voel je overal.

Je merkt dat nu het rookgordijn van ontzag wegvalt, er heel veel bitterheid is over al die jaren ongelijkwaardigheid. Maar genoeg over ons. Wij doen er niet echt meer toe. Afrika groeit. Het groeit als een gek. Van de 10 snelst groeiende economieën ter wereld liggen er 6 in Afrika. Bijna allemaal drijven ze op grondstoffen.

In de zes jaar dat ik in Afrika woonde kwam ik nooit in Zambia. Daar gebeurt niks, hoorde ik altijd. Geen oorlog en ook niks te vieren. Nu groeien ze met 13% en ging ik kijken.

Toen ik landde in Lusaka leek het of ik was uitgestapt in Zuid-Afrika. Het ene nieuwe winkelcentrum naast het andere, groene paviljoens met fonkelende banken, mannen en vrouwen in dure kleren – in mijn reistenu was ik overal hopeloos underdressed. Overal hippe loungetenten, clubs en sushibars. En natuurlijk was er die totem van vooruitgang: de stad is een walmende file.

Intussen dringt ook in Westerse hoofdsteden door dat Afrika verandert: Oorlogen zijn er afgenomen. Het bestuur is verbeterd. In Afrika is geen crisis; Integendeel! steden slaan het hoge ritme van de groei. En dus wordt in het Westen het beeld over Afrika haastig bijgesteld: Africa rising! kopteThe Economist. Continent of Hope!

Foto’s van uitgemergelde kindjes kunnen echt niet meer. Zelfs de CEO van Oxfam International zegt dat die beelden de vooruitgang van Afrika hinderen. Hulp is uit. We moeten zakendoen. Maar hier gaan we opnieuw de mist in.

Als we het ene paradigma vervangen door het andere, gaan we Afrika niet beter begrijpen. Dan kijken we door een andere bril, maar zien we net zo slecht als de afgelopen zestig jaar.

Lusaka, Luanda, Lagos, Nairobi, Kampala, Accra, de steden die uit hun voegen barsten hebben in elk geval 1 ding gemeen: ze zijn een vergulde buitenkant. Een vernislaag die los laat als je heel even krabt. Als je een paar kilometer rijdt naar de rand van de stad. Of als je naar al die gebieden gaat waar geen investeerder in geinteresseerd is, omdat er stinkende armoede is en mensen er moeten leven van minder dan een dollar per dag.

Afrika heeft wolkenkrabbers, effectenbeurzen en iPhones. Maar is er ook ontwikkeling?

Ontwikkeling ontstaat als mensen kunnen groeien en als geld kan groeien.  Ontwikkeling is dingen doen waarvan de productiviteit toeneemt, waarbij steeds meer waarde wordt gegenereerd.

Zoiets gebeurt in industriële productie, en in de diensteneconomie. Twintig jaar geleden maakte China plastic rommel, vandaag de dag iPhones. Maar die ontwikkeling blijft gemakkelijk uit als de groei is gebaseerd op grondstoffen. Je haalt koper, olie of goud uit de grond. Dat verkoop je in ruwe vorm. En de winst wordt meteen geconsumeerd – zie de Lamborghini’s op de boulevard van Angola.

Ik zat laatst in de auto bij de vice-president van Zambia. Hij liet zijn frustratie de vrije loop: “We zijn 100% afhankelijk van koper”, zei hij. “En we gebruiken de winst niet om onze economie te diversificeren.”

Ontwikkeling, dat is ook: een bevolking die steeds gezonder wordt en steeds beter opgeleid. Dat is in Rising Africa nog geen succes. Als je bent aangewezen op een staatsschool, bestaat de kans dat je na 6 jaar basisschool praktisch analfabeet bent. In Zambia maken succesvolle boeren en ondernemers zich grote zorgen. Er is te weinig geschoold personeel en aanwas is er niet.

Dan is er voor ontwikkeling nog een andere belangrijke vraag, namelijk: worden deze bodemvruchten een beetje eerlijk gedeeld? Van de 10 landen met de grootste economische ongelijkheid ter wereld, liggen er 7 in Afrika. In booming Angola neemt de armoede toe. Mozambique is hetzelfde verhaal.

Wat de vice-president van Zambia niet zei, is dat hij en zijn collega’s helemaal niet streven naar een einde aan de armoede. Die armoede is geen ongeluk. Ze is de basis van hun macht. Zodra er geen arme massa meer is die een baantje of bescherming wil in ruil voor zijn stem, is de elite zijn machtsbasis kwijt. Pas als je dat wil zien, snap je waarom onze hulp niet altijd heeft geholpen.

Dus laten wij eindelijk eens wat beter kijken dan we 60 jaar lang hebben gedaan. Afrika is complexer dan wij altijd dachten.

We moeten af van de witte blik om te zien dat er vele Afrika’s zijn, en dat hun groei geen kopie zal zijn van de Westerse geschiedenis. Afrika is en blijft ontzettend zichzelf. Hier ontstaan rijke landen met heel veel arme mensen.

Wij witten spelen hier voorlopig geen rol van betekenis meer. We zullen op de vlakke vloer opnieuw onze weg moeten zoeken. We kwamen businessclass, we kunnen economy class terug naar ons getergd Europa. Dag Afrika.

Ziehier het nieuwe Afrika. Het zindert en het fonkelt, en toch is er meer vrees dan hoop. Het groeiend zelfbewustzijn is een feest. Zonder probleem meng ik tussen Malinezen, Oegandezen, of Zambianen, want dat verdomde voetstuk is eindelijk onder me vandaan. Welkom op het wereldtoneel: Dag Afrika!

**

Bestel Dag Afrika hier

Een gedachte over “Presentatie Dag Afrika, Stadsschouwburg Amsterdam 7 feb 2013

  1. De witte man is in Afrika van zijn voetstuk afgevallen – dat ging zo geleidelijk dat sommigen nog steeds niks doorhebben

    Ik vraag me af hoe het mogelijk is je vrij te bewegen tussen zoveel bevolkingsgroepen? Dat lukt niet iedereen.

Reacties zijn gesloten.