Akker tegen bodemprijs, OneWorld dec 2011

In Mali heeft de strijd om land al tot bloedvergieten geleid. Kleine boeren proberen grote investeerders van hun land te weren. Tevergeefs, want die sluiten intussen lucratieve deals met de overheid. “De bevolking gaat profiteren van meer en goedkoper voedsel.” 

Dorpshoofd Drisa Coulibaly staat op uit de kring. Hij wordt nagekeken door mannen met witte vlasbaardjes, tulband of moslimhoedje boven een getergde blik. Coulibaly loopt naar zijn hut en komt terug met de krant van 24 augustus 2010. Op de voorpagina prijkt levensgroot zijn eigen hoofd, met gezwollen slaap die rood ziet van het bloed. In 2010 hoorden de ruim drieduizend bewoners van Sanamadougou, een dorp in Zuid-Centraal Mali, dat een groot deel van het land dat hun vaders en grootvaders bewerkten, was verpacht aan Modibo Kéita. Deze machtige, massieve man is een kapitalistische magnaat die in Mali de graanhandel in handen heeft. Hij is vandaag naar het dorp gekomen om zijn akkers te inspecteren. Toen in 2008 Indiase rijst onbetaalbaar was geworden, besloot hij zelf rijst, tarwe, aardappelen en maïs te gaan verbouwen. Hier in het Office du Niger, het gebied rondom de rivier de Niger waar het gros van alle Malinese rijst wordt verbouwd, is de staat eigenaar van alle land. Die gaf Kéita een licentie om 20.000 hectare te verbouwen.

Bulldozers

Maar de boeren van Sanamadougou weigerden hun velden af te staan. Bijgestaan door professionele boerenorganisaties claimen ze het eigendom van hun land. Magnaat Kéita bood ze compensatie aan: een hectare geïrrigeerd rijstveld in ruil voor tien hectare ‘droge’ gierstakkers.

Temidden van de hofhouding die hem op zijn land omringt, trekt Kéita een man naar voren. “Deze man uit Sanamadougou is onze dorpswerker”, buldert de baas. De oude Malinees krimpt in elkaar, een man die zichzelf een Judas weet. Kéita: “Hij spreekt Bambara. Weet je wat die taal betekent? Dat betekent Je Refuse. ik weiger. Als ik hem een auto aanbiedt, weigert-ie. Al geef ik hem een miljoen, dan nog zegt-ie nee!”

De Sanamadougou bedankten voor het rijstveld.

Daarop trok Kéita met bulldozers en 250 gendarmes de velden op. Drisa Coulibaly wierp zich voor de machines. Net als andere boeren werd hij geslagen en naar de gevangenis gebracht wegens ‘verzet tegen de wettige autoriteit’. Zijn bebloede hoofd kwam in de krant, maar het mocht niet baten. Uit Zweden, Frankrijk, Nederland en Duitsland kwamen walsen, tractors, combines, pootaardappelen, zaden én een grote irrigatie-installatie. Een jaar later, eind oktober 2011, haalde Kéita de eerste tarwe van het land.

Peperduur

De Sanamadougou zijn slachtoffers van wat ontwikkelingsorganisaties en onderzoeksintituten landgrab noemen, ‘landjepik’. Oxfam International sloeg eind september alarm in het rapport Land and Power. Eerder deed het gezaghebbend Oakland Institute dat. The Guardian schreef een reeks artikelen vanuit Ethiopië en Mali, landen in het oog van deze storm. De boodschap is: Afrikaanse boeren worden van hun land gejaagd door grote investeerders die groot geld willen verdienen aan landbouw.

De jacht op land kwam in de vijfde versnelling na de voedselcrisis van 2008. De financiële crisis ontmoedigde het investeren in waardepapieren als aandelen, obligaties en derivaten van hypotheken. De verveelvoudiging van voedselprijzen maakte van landbouwgrond kostbare waar. Bovendien kwamen Saudi-Arabië, Libië, India en China erachter dat ze zelf onvoldoende eten kunnen verbouwen om hun bevolking te voeden. Omdat geïmporteerd voedsel peperduur werd, stroopten ze de wereld af op zoek naar landbouwgrond.

En zo begon de mondiale landkoorts. Op de beurzen in New York, Londen en Amsterdam werd gespeculeerd in Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse grond. Banken, waaronder de Rabobank, begonnen nieuwe landbouwfondsen. De regeringen van onder meer Ethiopië, Mali, Uganda, Madagaskar, Malawi, Zuid-Sudan, Senegal en Mozambique gaven investeerders grote lappen vruchtbaar land. Volgens Oxfam kwam sinds 2001 zo’n 230 miljoen hectare land in ontwikkelingslanden in handen van grote investeerders. Dat is een gebied zo groot als West Europa.

Groene revolutie

Afrikaanse regeringen zien de investeerders graag komen. Zo graag dat ze in Mali de grond gratis krijgen en de pachtprijs in Ethiopië slechts 1 dollar per hectare per jaar bedraagt. De investeerders krijgen belastingvrijstellingen en een vrijgeleide voor de uitvoer van oogst en kapitaal. “Alle hobbels die er eerst waren voor buitenlandse investeringen, verdwijnen nu als sneeuw voor de zon”, zegt Thea Hilhorst van het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT).

Alle Afrikaanse regeringen gebruiken hetzelfde argument: onze kleine boeren produceren onvoldoende om de voedselzekerheid te vergroten.

“Kleine boeren verbouwen het eten voor hun eigen familie”, zegt Seydou Idrissa Traoré, voormalig directeur van het Office du Niger, de overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor het landbouwbeleid in het gebied rondom de Niger dat met behulp van irrigatie het rijstveld van Mali is. “Om onze hele bevolking te voeden, is er geen andere weg dan grootschalige landbouw.” Industriële landbouw met gemodificeerde zaden en kunstmest is volgens ontwikkelingseconoom Paul Collier de enige manier om de toekomstige 9 miljard aardbewoners (in 2050) te voeden. Collier: “Anders betalen hongerige kinderen in Afrika de prijs”. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton zegt het de invloedrijke wetenschapper na: “Afrika heeft een Groene Revolutie nodig.”

Hoge rendementen

Tegenover Collier, Clinton en de Afrikaanse leiders staan de boerenorganisaties en hun westerse ontwikkelingspartners. Die tegenstelling tussen grootschalige landbouw en de kleine boeren tekent een halve eeuw Afrikaanse landbouwgeschiedenis. In veel landen vormen kleine boeren het leeuwendeel van de bevolking. In Mali is dat 80 procent. Vijftig jaar geleden produceerde Afrika nog een overschot aan voedsel. Dat bleek het restant van een koloniaal landbouwsysteem. Zo hadden de Fransen in het Office du Niger een grote dam met 100.000 hectare geïrrigeerde grond aangelegd om rijst en katoen te verbouwen.

Maar de infrastructuur en machinerie voor grootschalige landbouw werden niet goed onderhouden. Irrigatiekanalen slibden dicht. Afrika mislukte waar Azië slaagde. Dankzij nieuwe technologie, aangepaste gewassen, insecticiden en kunstmest steeg in Azië voor kleine boeren de opbrengst van de grond spectaculair. Men sprak van een Groene Revolutie.

In de jaren tachtig van de vorige eeuw veranderde het speelveld. Wereldbank en IMF dwongen Afrikaanse landen drastisch te snijden in overheidsuitgaven. Zo’n vijfentwintig jaar lang werd nauwelijks geïnvesteerd in landbouw. De kleine boeren waren en bleven het niet al te krachtig kloppend hart van de economie.

In Mali werd met onder meer Nederlands ontwikkelingsgeld het irrigatiesysteem opgeknapt. Daardoor konden nieuwe rijstrassen en kunstmest worden gebruikt. De productie in het Office du Niger steeg van minder dan 1000 naar soms 6000 kg per hectare, gerealiseerd door ondernemende kleine boeren. Sinds vijf jaar wordt in het Office du Niger opnieuw geprobeerd wat in de jaren tachtig mislukte: grootschalige, moderne voedselproductie. Alleen is nu niet armoedebestrijding het motief, maar financieel rendement. Precies dat geeft deze landbouwhausse kans van slagen, zegt de Wageningse professor Rudy Rabbinge. Hij schrijft eerdere mislukkingen toe aan verkeerd opgezette projecten. “Het ging altijd om charitas en niet om economische ontwikkeling. Duurzame ontwikkeling is alleen mogelijk als ondernemerschap het uitgangspunt is.”

Volgens Thea Hilhorst is het moeilijk om rijstplantages in het Office du Niger rendabel te maken. “Management van arbeid is altijd lastig. Daar komt bij dat bodembewerking heel nauw luistert. Het is in Mali nooit gelukt om hoge rendementen te halen.”

Jaarsalaris

De vraag of grootschalige landbouw eigenlijk wel kan in Afrika, is niet de vraag die ontwikkelingsorganisaties zich stellen. Hun vraag is of het wel mag. Hier kunnen we kort en bondig over zijn. De aard van Afrika’s politiek-economische systeem is dusdanig dat elke deal tussen overheid en investeerder wel aan een van kenmerken van landjepik voldoet (zie kader). De onteigening van de Sanamadougou voldoet aan allemaal.  Tegelijkertijd is het de vraag of er economische moderniseringsprojecten in Europa zijn geweest, die al het oude spaarden. Toen in 1865 het Noordzeekanaal werd gegraven, zijn er waarschijnlijk boeren tegen hun zin onteigend. Zoals ook gebeurde met de meest spraakmakende buitenlandse investering in Mali: Malibya. Deze investeringsmaatschappij van de Libische leider Muammar Khaddafi groef het afgelopen jaar West-Afrika’s grootste irrigatiekanaal. Het was net vol toen Khaddafi werd vermoord. Het bassin is 40 kilometer lang en 100 meter breed, om water te brengen naar de 100.000 hectare in het Office du Niger waar Malibya rijst zou gaan verbouwen. Maar de vertakkingen naar de velden ontbreken. De laatste kilometers is het water fluorescerend groen van de algen.

De woning van leraar Tienty Tangara in het dorp Kolongo stond waar nu de oever van het kanaal ligt. De achterkant van zijn huis bleef overeind. Samen met de andere vijftig gezinnen die moesten verkassen heeft hij zich tegen de sloop verzet. Hij werd in de bak gegooid. Na dralen betaalde Malibya de vereiste compensatie. Tangara kreeg voor huis en tuin 1,6 miljoen CFA (2400 euro). Dat is bijna vier keer zijn jaarsalaris.

Gebroken korrels

Belangrijker dan zo’n financiële compensatie is wat deze investeringen op lange termijn betekenen voor de voedselzekerheid van de Malinezen. Produceren Malibya en andere grote investeerders, zoals het Chinese Sukala, voor de de Malinese markt of voor hun eigen land? Seydou Idrissa Traoré, voormalig hoogste baas van het Office du Niger, die Malibya en Sukala hun vergunningen gaf, bekijkt het pragmatisch. Het Office du Niger telt 2 miljoen hectare land. Na 1932 is er geen infrastructuur voor irrigatie bij gekomen. Als gevolg is er maar 100.000 hectare geschikt voor rijst, suikerriet of ander graan. Traoré: “De Libiërs investeren miljarden in een kanaal met vertakkingen. Op een zekere dag zullen ze vertrekken. Nemen ze dan grond en kanaal in hun broekzak mee?”

Hij bevestigt dat in de (geheime) contracten niks staat over waar de oogst naartoe gaat. “Je denkt toch niet dat ik een investeerder zo gek krijg om hier groot te investeren, als ik hem vertel waar hij zijn producten moet verkopen?” In de praktijk, zegt Traoré, is 60 procent van de rijst mooi en lang en geschikt voor Uncle Ben’s. De resterende 40 procent zijn gebroken korrels. “Op de wereldmarkt onverkoopbaar, voor Mali uitstekend geschikt.”

Rijstvelden

Nog bepalender voor Mali’s voedselzekerheid is niet wat er met de grond gebeurt, maar met het water. Afgelopen regenseizoen was nagenoeg droog. De familieboeren die zonder irrigatie werken, halen een magere oogst binnen. Zonder irrigatie groeit in het Office du Niger bitter weinig, ondanks de imposante rivier die Mali leven schenkt. De Niger oogt soms als een meer zo breed. Uit onderzoek blijkt dat deze rivier net genoeg water heeft voor alles wat er tussen Guinee, Mali, Niger, Benin en Nigeria mee wordt gedaan. Investeerder Modibo Kéita tapt onbelemmerd uit een irrigatiekanaal. Het water voor zijn akkers met rijst, of het suikkeriet van de Chinezen kan de oogst van de kleine rijstboeren verderop bedreigen. Mocht de overgangsregering in Libië besluiten de 100.000 hectare rijstvelden aan te leggen, dan zal dat noordelijker in Mali, in de binnendelta van de Niger, voor problemen zorgen. Over de gevolgen voor de landen stroomafwaarts spreken alleen de actievoerders en de boeren.

Vermorzeld

De Malinese boeren organiseerden midden november hun tweede internationale conferentie over landroof. Met de eerste editie een jaar eerder boekten ze ‘een overwinning op het kapitaal’, aldus een boerenvertegenwoordiger. Door de internationale aandacht voor de onteigening van boeren, trokken sommige investeerders zich terug.

Maar in de hoofdstad Bamako is de boerenleider ziedend. Ibrahim Coulibaly: “Ja, we zijn goed georganiseerd. We hebben als boeren veel invloed gehad op de nieuwe landwet. Die bepaalt dat de Malinese economie in de eerste plaats draait om familielandbouw. Maar in de praktijk is onze regering corrupt en houdt die zich niet aan de wet. Het land wordt onder onze kont vandaan verkocht. Wat kunnen wij beginnen tegen de miljarden waar de grote investeerders mee aan komen zetten? We worden compleet vermorzeld.”

De voormalige baas van het Office du Niger, Seydou Idrissa Traoré, lacht om de beschuldiging van Ibrahim Coulibaly. “Gefrustreerd zijn, daar wordt hij voor betaald.”

Contracten

Maar een onafhankelijke Malinese econome bevestigt het beeld dat Coulibaly schetst: in de praktijk doet de wet er niet toe. Bijna alle grote investeerders werken zonder dat de wettelijk vereiste studie naar milieueffecten is gedaan en zonder officieel pachtcontract. Volgens haar is er een ‘institutionele wanorde’ die de belangen van de elite dient. Omdat alle deals geheim zijn, weet niemand wie wat waaraan verdient. Machthebbers en investeerders vinden elkaar in de chaos die zo vaak in Afrika een politiek instrument is.

Graanhandelaar Modibo Kéita roept hard dat de grond in Sanamadougou hem wettelijk is toegewezen. En dat is waar ook. Wat de boeren landroof noemen, is juridisch gezien geen landroof. De Afrikaanse regeringen sluiten contracten die de belangen van hun boeren schaden. Maar helemaal op zijn gemak is Kéita toch niet. Bij de ingang van het terrein staat een politie-cordon van vijf agenten. Kéita’s hofhouding van managers, agronomen, accountant en slippendragers telt twee brede mannen met donkere brillen. Ingedekt door bodyguards loopt hij daar, als een keizer, over het land van de Sanamadougou.

**

De term landgrab is van toepassing bij een landaankoop waarbij:

1) mensenrechten worden geschonden en/of

2) landgebruikers onvoldoende worden geïnformeerd en/of

3) de sociale, economische en ecologiche gevolgen worden verwaarloosd en/of

4) er geen transparantie is over het contract en/of

5) democratische planning en participatie worden ‘geschuwd’.

(Bron: Oxfam, Land and Power, The growing scandal surrounding the new wave of investment in land, september 2011)

**

Verschenen in OneWorld dec 2011

Een gedachte over “Akker tegen bodemprijs, OneWorld dec 2011

  1. Solidariteit is te onderzoeken. Dit is niet aan plannenmakers maar aan de uitvoering. De bankdirecteur, de Afrikaanse 1%, of de Chinees hebben geen tijd. Zo kunnen mensen met een goede opleiding daten op een site voor hoogopgeleiden. En als je kunt daten met geld wordt al het andere betaalbaar. Wie is er solidair met wie en wanneer. En staat de uitvoering weer in dienst van die consument, tenminste in een goede structuur. Het heeft met structuur te maken en de wil.

Reacties zijn gesloten.