Oorlog tegen vrouwen, IS oktober 2010

Het is ploegen door Bukavu. Onze wielen waden door de voren die een truck eerder trok. De overgang van platteland naar stad is aan de weg niet zien; van de modder ga je de modder in. We zijn op weg naar Denis Mukwege, dokter in Congo en tegen wil en dank gespecialiseerd in het repareren van vrouwen die met zo veel geweld zijn verkracht dat ze van onder stuk zijn. De meeste vrouwen werden door hun echtgenoot en dorp verstoten. Gynaecoloog Mukwege herstelt niet alleen de gescheurde schedewand. Zijn kliniek heeft psychologen en maatschappelijk werkers die de vrouwen helpen terugkeren naar een ‘normaal’ leven.

Normaal moet wel tussen aanhalingstekens, want in Oost-Congo is niet zo veel gewoon. Niks is wat het lijkt. Zie de stad, een akker. Waar een vrouw geborgen moet zijn, in huis, is ze prooi voor barbaren. Ook op straat klopt van alles niet. Oude vrouwen kruien loodzware zakken van het platteland naar de stad. Overal slenteren jonge kerels, de handen in de zakken.

Dan lopen we het terrein van Panzi Ziekenhuis op, de kliniek die dokter Mukwege in 1999 oprichtte en bestiert met geld van vooral Zweedse protestantse kerken. Geen modder maar strakke stenen paden langs borders vol geraniums. Bukavu´s chaos heeft hier een oase van orde. Op een binnenplaats zitten, hangen, liggen of staan tweehonderd vrouwen; van 3 maanden oud tot 85 jaar, een in kleur bonte verzameling met een gemene deler die alles mat maakt.

Ook hier klopt iets niet. Het ziekenhuis is op zijn Zweeds aan kant. Toch stinkt het er. Naar urine. En zo komen we vanuit het Panzi Ziekenhuis bij de vraag hoe het kan dat bij tienduizenden vrouwen urine via de vagina naar buiten loopt.

Sinds de presidentsverkiezingen van 2006 is het redelijk rustig in Congo. Alleen in het Oosten gaat het geweld maar door. Eind juli werden in Luvungi minstens 179 vrouwen en kinderen dagenlang door gewapende groepen verkracht. De Congo-oorlogen eisten de afgelopen veertien jaar tegen de 6 miljoen doden – een in Europa beladen dodental. De internationale gemeenschap legerde hier de grootstse VN-macht uit de geschiedenis: Monuc.

Desondanks blijken Nederlandse bladen niet bijster geïnteresseerd in extreem seksueel geweld in Congo – net zoals David van Reybrouck, auteur van het prachtige Congo, een geschiedenis het onderwerp doelbewust liet voor wat het was. Het argument is steeds: “Dat verhaal over verkrachting kennen we nu wel.”

Maar ter plekke snappen wij er steeds minder van. Het conflict laat zich lastig lezen. Deze oorlog heeft geen front. Geen uitgesproken doel. Geen sterke man die ergens een grens betwist of een positie opeist. Er is geen good cop. Soms is er militair nieuws uit Congo, bijvoorbeeld toen rebellenleider Laurent Nkunda werd gearresteerd, maar meestal blijft het conflict onder de Westerse radar.

Het is namelijk een komen en gaan van gewapende groepen die elkaar de ene dag aanvallen en de volgende dag vrienden zijn. Ze vechten met meestal lowtech wapentuig en hebben verder nog twee dingen gemeen: 1. ze zijn uit op wat in de grond zit. En 2. hun slachtoffers zijn burgers.

Jan Per is een Europeaan die hier al tien jaar woont. Hij wijdt zijn leven aan het begrijpen van de oorlog in de Kivu’s. Vaak komen Congolese vrienden langs die van Per willen weten wat er in hun land aan de hand is. “Dat is dus heel lastig te zeggen. Het is extrèmement volatile.

In die extreem veranderlijke kakofonie van legers, rebellen en milities spelen er twee de hoofdrol: het Congolese leger (FARDC) en de uit buurland Rwanda afkomstige Hutu-rebellen (FDLR). Die laatste worden ook ‘Interahamwe’ genoemd. Ze zijn een overblijfsel van de Rwandese genocide van 1994. Nadat de Hutu’s probeerden de Tutsi’s uit te roeien, vreesden ze de wraak van de Tutsi’s die de macht overnamen. Hutu’s vluchtten met miljoenen naar Congo.

Na een paar jaar werden de burgers teruggejaagd, de grens met Rwanda over. De genocidemilities vluchtten dieper de Kivu’s in. Met intussen nieuwe aanwas – uit Rwanda en eigen nakomelingen – leven ze in de bossen. Ze vallen dorpen aan en maken jacht op het goud, het erts en de coltan.

Daar wordt het verhaal onlogisch. Met hun aanvallen zijn de rebellen niet systematisch bezig mijnen te veroveren. Het lijkt ze niet om alleen grondstoffen te gaan. Luister maar naar de getuigenis van Ntahminga Mawaso, een iel vrouwtje van 46.

“Het gebeurde midden in de nacht in Kalima, waar mijn man werkte in de kassiteriet mijnen. We woonden in een semi-durable (een huis van klei met golfplaten op het dak – ML). Op een nacht in 2009 braken zeven Interahamwe de deur open. Ze kwamen binnen, namen al onze spullen en trokken daarna mijn man en mij naar buiten. Onze drie kinderen waren erbij. Ik werd uitgekleed en met mijn benen wijd vastgebonden, allebei de enkels aan een boomstam. Toen hebben de zeven mannen mij een voor een verkracht. De zevende lachte: “Waarom wil je niet dat ik bij je binnen kom?” Hij pakte een mes en sneed mijn schaamlippen af. Daarna heeft hij me verkracht.”

Mawaso zakt in elkaar. De hulpverlener van Panzi Ziekenhuis houdt haar overeind. Op de tafel staat een plasje tranen. Ze vertelt verder. “Mijn man en kinderen moesten kijken. Toen ze klaar waren, hebben ze eerst mijn man met messen doodgestoken. Daarna mijn drie kinderen. En ik moest alles zien.”

Het zijn praktijken die sterk doen denken aan Rwanda, in 1994, toen de Hutu-extremisten probeerden de Tutsi’s uit te moorden. Dit wreed geweld lijkt doel en middel ineen: vernedering om de vernedering. Alleen, waarom zouden Rwandese mannen Congolese vrouwen willen vernederen?

Waar het om Hutu-rebellen gaat, past volgens Mukwege de gewelddadige verkrachting in een strategie. “Rwanda kent een enorme bevolkingsdruk. De Hutu-rebellen willen gebied veroveren door de lokale bevolking uit te roeien. Ze vernietigen hun geslachtsorgaan en moorden zo heel langzaam een gemeenschap uit.” Mukwege schuwt het grote woord niet: “Dit is een genocide.”

Maar het zijn niet alleen Hutu’s die verkrachten. Een eind maart gepubliceerd rapport van de Verenigde Naties hield juist het regeringsleger verantwoordelijk voor toenemend seksueel geweld tegen burgers: “Het Congolese leger blijft de belangrijkste dader.”

Mukwege: “Dit type geweld is door de Rwandezen geïmporteerd. Daarna heeft het zich met succes geworteld. Vandaag de dag vergrijpt elke gewapende bende zich aan de vrouwen. Verkrachting door burgers neemt sterk toe.”

En stel dat de Hutu-rebellen in de Kivu’s willen blijven, dat ze daadwerkelijk op zoek zijn naar Lebensraum, dat ze, zoals Jan Per zegt, “het zat zijn te leven als honden” en een normaal leven voor hun gezin willen; dan pakken ze dat toch niet handig aan? Nu blijven ze als struikrovers leven in met takken afgedekte kuilen in de grond; voor altijd een paria.

Na een week reizen door de prachtige Kivu’s is de vraag nog niet echt beantwoord: hoe is het mogelijk dat bij tienduizenden vrouwen in Congo de plas langs de benen loopt? Het kan in elk geval omdat de gewelddadige verkrachtingen eerder in aantal toenemen dan dat ze worden gestopt. De VN schat dat in 2009 alleen al in Zuid-Kivu vijfduizend vrouwen zijn verkracht. Artsen Zonder Grenzen in Bukavu meent dat ze “nog niet één procent van alle verkrachtingen zien”.

Joseph Kabila keert zijn blik af van zelfs die één procent. De Congolese president toog begin juli naar Bukavu, naar de onheilsplek waar meer dan 200 mensen omkwamen toen een gekantelde tankwagen ontplofte (omdat iemand met een sigaret aan de lippen diesel wilde tappen). Denis Mukwege nodigde Kabila uit om Panzi te bezoeken. De president ging gauw naar Kinshasa terug.

Maar ook wie zich niet ziende blind hield, speelde weinig klaar om de vrouwen van Oost-Congo te beschermen. Senator Obama stuurde in 2007 een brandbrief aan Condoleezza Rice: of de minister van Buitenlandse actie wilde ondernemen om seksueel geweld in Oost-Congo te beteugelen. Met een retorische vraag reikt Denis Mukwege me een kopie van de brief aan: “Wat heeft president Obama voor onze vrouwen gedaan?”

Nu zijn Dokter Mukwege, Jan Per en zelfs Souleymane Coulibaly, de VN-man die in Bukavu is belast met mensenrechten, het over één ding eens: de grootste VN-macht uit de geschiedenis kan niet de 6 miljoen burgers in Noord- en Zuid-Kivu beveiligen. Er zijn wel oplossingen denkbaar. Mukwege: Het Congolese leger moet van een container gereïntegreerde bandieten en rebellen een echt leger worden: getraind, gedisciplineerd en betaald. Jan Per: Neutraliseer de Hutu-rebellen door ze een gebied en een identiteitskaart te geven.

Maar wat er ook wordt bedacht, het lukt alleen met daadkrachtig en effectief ingrijpen van buitenaf. Er is altijd veel geld nodig en minstens zo veel organisatiekracht. Change agents als Denis Mukwege – hij ontving op 18 juni in Amsterdam uit handen van Ruud Lubbers een mensenrechtenprijs en zijn naam zou worden genoemd in de gangen van de Nobelprijs – zijn hier dun gezaaid.

Waarom geeft in Congo het Westen niet thuis? Mukwege trekt de vergelijking met Bosnië, 1995, waar bij vergelijkbare misdaden op kleinere schaal wél werd ingegrepen. Misschien omdat deze oorlog in de Kivu’s zich maar niet als een verhaal met kop en staart laat vertellen. En, misschien belangrijker, deze oorlog is zijn eigen bestaan gaan legitimeren. Behalve de vrouwen, hebben alle betrokken partijen belang bij een zogenaamde low-intensity war. Uit een stabiel Oost-Congo roof je geen grondstoffen.

Aan de andere kant van de handelsketen, aan de kant van Nokia, Apple of Philips, aan de kant van de mobiel bellende en twitterende westerlingen, de juweliers die goud verkopen en de verliefden die elkaar een diamant gunnen; aan die kant is weinig vastberadenheid om te eisen dat er geen goud, diamant en coltan uit Congo wordt gebruikt.

Voor die consument is er ook te weinig bekend om al die lijnen duidelijk te kunnen trekken. Eens per jaar leest hij uit Congo een verhaal over gewelddadige verkrachting. Hij denkt: dat weet ik nou wel. En dan gaat het verhaal vol ongerijmdheden langzaamaan een beetje kloppen.

Zie ook:  Portret van Denis Mukwege