Congo wordt 50, zijn bewoners nooit, NRC Boeken 7 mei 2010

De oude man op het omslag ziet zo goed als niks door die bril. Die zit vol krassen, en spiegelt bovendien. De ondoorzichtige bril zit met een elastiekje achter op het hoofd van Etienne Nkasi, de man aan wie David van Reybrouck zijn monumentale boek Congo, een geschiedenis opdraagt.

Vele uren zit de Belgische schrijver aan zijn bed. De man die zou zijn geboren in hetzelfde jaar als James Joyce en Virginia Woolf (1882) wist nog hoe de eerste witte het land in kwam. Hij is ontroerd dat er nu een witte man is gekomen om zijn verhaal op te tekenen. Die doet dat met engelengeduld: ‘Nooit eerder had ik zo met de verre geschiedenis gesproken, nooit eerder voelde het zo broos aan. Het was vechten tegen de vergetelheid, maar Nkasi vergat niet alleen het verleden, hij vergat ook het vergeten. De gaten die vielen, groeiden onmiddellijk weer dicht. Hij was zich van geen verlies bewust. Ik daarentegen probeerde een oceaanstomer te hozen met een conservenblik.’

Van Reybrouck vertelt Congos geschiedenis het liefst in miniaturen van gewone Congolezen. Die persoonlijke getuigenissen maken een feest van dit boek. De Belgische schrijver, die vorig jaar werd bekroond voor zijn pamflet Pleidooi voor populisme (besproken in Boeken 05.09.08), neemt ons bij de hand en sleept ons mee van Congos omvangrijke verleden – hij laat dat 90.000 jaar terug beginnen en 680 bladzijdes duren – tot aan zijn toekomst die in handen ligt van de Chinezen.

We ontmoeten een kind dat in de 19de eeuw van zijn ouders werd gestolen, we zien ontvoerde kindsoldaten die in de 21ste eeuw rebellenleider generaal Nkunda bewaken en natuurlijk alle grote egos daartussenin: Stanley, koning Leopold, Lumumba, Mobutu en de Kabilas.

Dit boek begint dus niet zoals de meeste verhalen over Congo; met de komst van Henry Morton Stanley, de Britse ontdekkingsreiziger die in de jaren na 1870 als eerste witte het evenaarswoud in ging, er aan de andere kant levend weer uitkwam en zo het pad baande voor 75 jaar westerse overheersing en uitbuiting.

Het valt op dat Van Reybrouck pijn of lijden – in Congo overdadig aanwezig – optekent met dezelfde zakelijke verteltrant als waarmee Dave Eggers in Wat is de Wat? (Boeken, 16.02.07) de martelingen in Zuid-Soedan snoeihard laat binnenkomen. Het lijkt alsof hier een nieuwe generatie non-fictie schrijvers bezig is de geschiedenis van Afrika te boekstaven: Van Reybrouck, Dave Eggers en ook Andrew Rice, die verleden jaar met The teeth may smile but the heart does not forget (Boeken, 13.11.09) een prachtig boek over Oeganda schreef. Alle drie reconstrueren ze de geschiedenis van binnenuit, vanaf de rode aarde naar de grote lijnen in de wereldgeschiedenis. Witte mannen die af willen van de blanke blik.

De bravoure van Van Reybrouck zit hem in zijn aanwezigheid, in de virtuositeit waarmee hij niet alleen verschillende registers in de weergave van de geschiedenis bespeelt, maar ze ook nog eens naadloos in elkaar laat overgaan. Van encyclopedie naar poëzie, van sociaal-economische geschiedenis naar een passage over een baby op de rug van zijn moeder gebonden. Hij hopt van archeologie naar muziek en van biografie naar commentaar. Alles uit de kast om Congo’s groei, ondergang en eeuwig overleven te laten zien.

Nadat Stanley het hart van Afrika van Oost naar West was overgestoken, zette de eerzucht van een jonge Belgische koning Congo op de kaart. Een mozaïek aan koninkrijken, stammen en regios werd bijeengeveegd. Koning Leopold II stichtte Congo Vrijstaat, naar eigen zeggen om de slavenhandel te stoppen. De koning haalde er het fortuin waarmee Brussel werd opgesmukt. Gedwongen rubberwinning werd hardvochtige terreur, volgens sommige Congolezen erger dan de slavernij.

De zwarte rubberophalers met een geweer moesten hun witte meerderen bewijzen dat ze hun kogels niet verspilden aan wild, maar gebruikten om onwillige Congolezen te doden. Zo ontstond de gewoonte om slachtoffers de rechterhand af te hakken. Als bonnetje. Maar de chef was soms weken weg. ‘De handen werden gerookt boven een houtvuur, opdat ze niet zouden rotten.’

Leopolds leger, de Force Publique, introduceerde een manier van opereren die nog altijd voortduurt: soldaten zonder soldij moeten zichzelf bedruipen. Wat ze nodig hebben, roven ze bij burgers. Congo ontwikkelde een vorm van oorlog die zijn eigen raison dêtre werd.

De horrorshow van Leopold dwong hem in 1908 tot het opgeven van zijn Vrijstaat. Congo werd een Belgische kolonie. Vervolgens ontpopte elke bevrijder zich als nieuwe tiran, tot op de dag van vandaag. Geen verlosser of hij verrijkt zichzelf, de bevolking veroordelend tot almaar diepere armoede. Om te variëren op een zin van Van Reybrouck: het land wordt 50, maar de inwoners nooit meer.

De Belgen begonnen met een steriele bezetting, neutraal en planmatig, une colonisation scientifique. Antropologen gaven in elf delen encyclopédie des races noires elke bevolkingsgroep haar eigen vakje. Rassen en stammen werden ineens een absolute categorie met een hek eromheen. Nauw verwante en gemixte etniciteiten waren ineens onveranderlijk. De geest van het tribalisme was uit de fles. Van Reybrouck komt tot dezelfde conclusie als Andrew Rice: het tribalisme dat vandaag de dag Afrikaanse landen teistert, is een westerse constructie.

Op weg naar de onafhankelijkheid, bijna halverwege het boek, laat Van Reybrouck opnieuw zien hoeveel hij kan. Het is dan 4 januari 1959. Een dag in vier scènes: in een steenkoud Brussel werkt een minister aan een regeringsverklaring over een nieuwe koloniale politiek. Tegelijkertijd staat in snikheet Kinshasa de champagne voor de nieuwsjaarsreceptie koud in de tuin van de gouverneur-generaal.

Verderop in de stad is Patrice Lumumba, vrijheidsstrijder en even later Congo’s eerste premier, te eten gevraagd in het huis van een nieuwe vriend, ene Joseph Mobutu. En het is op 4 januari 1959 dat duizenden jongeren aan het plunderen slaan. Blanken pakken hun jachtgeweer van de muur.

Van Reybrouck helpt zijn lezer goed te kijken. Op 4 januari 1959 stappen de twee mannen op de scooter van Mobutu. Ze gaan een kijkje te nemen bij een politieke bijeenkomst. Van Reybrouck schrijft: Dat beeld houden we even vast: Mobutu en Lumumba, samen op de brommer, twee nieuwe vrienden, de journalist en de bierverkoper, de een is 28, de ander 33. Lumumba zit achterop. Samen rijden ze door de warme lucht en praten luid om het geknetter van de uitlaat te overstemmen. Twee jaar later zal de een de ander mee helpen vermoorden.

Vijfentwintig jaar later, Mobutu zit al een kwart eeuw op de troon, beschrijft Van Reybrouck hoe de dictator op tv kijkt naar de executie van zijn goede vriend Ceausescu. Van Reybrouck heeft de moed te doen alsof hij naast Mobutu op de bank zit. Deze literaire non-fictie is spannender dan een roman kan zijn.

Ook al neemt hij dik 600 bladzijdes de tijd, deze verteller woont zijn gehoor niet uit. Waar nodig maakt hij de geschiedenis behapbaar. Meer dan eens veegt hij een wirwar van feiten op een hoop, legt uit dat versimpeling noodzaak is, en dan wordt een conflict in één alinea geknipt en geschoren. Alles om de lezer mee te krijgen, nog verder Congo in.

Van Reybrouck zoekt antwoorden op vragen waar je als Congoreiziger mee zit: waarom brak hier te midden van zo veel lijden nooit een volksopstand uit? Waarom is Congo ondanks talloze stammen zo veel meer een natie dan andere landen in de regio, zoals Oeganda of Kenia?

Ook op driekwart, waar de verhalen verdunnen en de feiten verdichten, en dit boek toch iets krijgt van het onvermijdelijke geschiedenisboek, blijft Van Reybrouck schrijven als de romancier die hij is. Bijvoorbeeld over het nieuwe type soldaat dat in 1997 opmarcheert van de Rwandese grens naar Kinshasa: kadogos in wijde uniformen en zwarte rubberlaarzen. ‘Zij waren infanterie in de letterlijke zin van het woord: kinderen die te voet gingen.’

David van Reybrouck gaat ook te voet, liefst in de pas met de gewone Congolees. Hij sprokkelt verhalen die hem voeren naar het wezen van Congo, naar zijn veerkracht, zijn humor, zijn geest. En zo geeft hij in een monumentaal boek Congo iets van zijn geschiedenis terug.
**

Congo, een geschiedenis
David van Reybrouck
De Bezige Bij (2010)
680 blz

Een gedachte over “Congo wordt 50, zijn bewoners nooit, NRC Boeken 7 mei 2010

Reacties zijn gesloten.