# 86 Sexy Waterputten, 11 april 2010

Je hebt hulp in zo veel variaties als er vrouwen op de wereld zijn. Zo is er ook onaantrekkelijke hulp en er is sexy ontwikkelingshulp. Empowerment is in. Hip en nieuw is het versturen van informatieve sms-jes: van onbeschermde seks kun je aids krijgen, is zo’n boodschap. De meest afgedankte vorm van hulp is het slaan van waterpunten. Er wordt schamper gedaan over de waterput. Een waterput is niet duurzaam. Het is incidenteel, een westers artefact in een technisch primitieve omgeving. Mensen leren er ook niks van en als na een jaar de pomp stuk gaat, dan halen de mensen gewoon weer water uit de sloot. Waterputten; dat is de hulp waar we al lang klaar mee zijn. We hebben daar zwartwit beelden bij. Van lieve, goedbedoelende wereldverbeteraars die na de onafhankelijkheid van gekoloniseerd Afrika uit schuldgevoel arme zwartjes gingen helpen.

In Kampala ontnoette ik een Nederlander die in Oeganda waterputten slaat. Hij is de directeur van een kleine, ook nog eens christelijke hulporganisatie – qua imago kán het haast niet sleetser.

Afgelopen 7 jaar voorzag hij tienduizenden mensen in Noord-Oeganda van schoon drinkwater. Toen het Verzetsleger van de Heer vertrok en trauma en chaos achterliet, kwam The Good Shepherd Foundation met schoon water.

Nog los van het feit dat schoon drinkwater dichtbij huis een groot positief effect kan hebben, – om maar wat te noemen: je kinderen hebben niet aldoor diarree, niet aldoor wormen. Daardoor zijn ze minder ziek en spaar je geld uit, aan dokter en begrafenissen. Sterker nog: uit Wereldbankstatistieken blijkt een duidelijk verband tussen schoon drinkwater en schoolprestaties. Ook volwassenen zijn gezonder en productiever. Bovendien lopen vrouwen en kinderen niet meer elke dag naar een waterbron. Daardoor kunnen ze naar school of cash crops verbouwen. De wereldbankeconoom Charles Kenny komt dit jaar met het boek The success of Development. Daarin stelt hij dat betere gezondheid mensen helpt bij het durven ontwikkelen van een toekomstperspectief. De relatie tussen hulp en economische groei is moeilijk aan te tonen. De relatie tussen toekomstperspectief en groei, die is volgens Kenny overduidelijk.

Maar los daarvan, los van het feit dat schoon drinkwater een van de voorwaarden is voor een proces dat wij ontwikkeling noemen, de directeur van The Good Shepherd Foundation had om andere redenen een interessant verhaal. Zijn verhaal geeft namelijk iets van een antwoord op 1 van de 2 essentiële vragen die we ons over hulp moeten stellen.

Die eerste vraag is: Wát is er nodig om armoede structureel te verminderen?
Het antwoord is simpel: de samenlevingen waarin de 1,4 miljard allerarmsten leven moeten van binnenuit transformeren. Zodanig dat middelen en kansen niet meer zijn voorbehouden aan een roofzuchtige elite. Die elite is namelijk niet in ontwikkeling geïnteresseerd. Die houdt de massa arm, dom en machteloos. Want wie druk is met overleven, zal nooit zijn bestuurder ter verantwoording roepen. Al is er geen schoon drinkwater, de pauper gaat echt geen verhaal halen.
Dit simpele antwoord is tegelijkertijd een lastige opdracht. Want die transformatie is voor een buitenstaander niet te realiseren. Wel kunnen we processen ondersteunen die economie en politiek iets meer open maken.

De tweede essentiële vraag dan: Hoe ga je te werk bij het geven van hulp? Dat is waar de waterputten interessant worden. Die beginnen namelijk niet ergens hoog bovenaan, bij een bestuurder of een instelling. Het begint helemaal onderop, op de rode aarde, daar waar mensen vies water een groot probleem vinden. Of ze dat écht vinden, of dat ze een behoefte uitvinden of aandikken omdat witte geldgevers vaak auto’s, computers en banen meebrengen, daar komt The Good Shepherd gemakkelijk achter. De dorpelingen moeten namelijk voor de pomp betalen. En daar zit een cruciaal inzicht voor hulp die werkt.

Alles van waarde is weerloos, dichtte Lucebert. In variatie daarop: Niks van waarde is gratis.
Gratis werkt niet. Sterker nog, gratis hulp geeft karrevrachten perverse effecten. Wat gratis is, is al snel weinig waard. Nadat in Oeganda, Tanzania en Zambia het onderwijs gratis werd, daalde het niveau op staatsscholen dramatisch. Weerloos was de arme wiens opleiding alle waarde verloor. De meester stond nauwelijks nog voor de klas. Wie kan, stuurt zijn kind naar een dure privéschool. Toch klagen die arme ouders niet. Er is toch nergens voor betaald?

Het concept gratis doet me denken aan de Boston Tea Party, het verzet van Amerikanen eind 18e eeuw. Die kwamen in opstand tegen de Britse regering toen die hen wel belasting liet betaling maar ze geen inspraak gaf: No taxation without representation, was de leus. Wie meebetaalt moet wat te zeggen hebben.

De inversie daarvan is dat wie niks betaalt, ook niks te zeggen heeft. De Boston Tea Party was het begin van de strijd voor Amerikaanse onafhankelijkheid. De strijd voor Afrika’s economische onafhankelijkheid en zijn ware democratisering, die wordt met het gratis maken van publieke diensten verloren.

Voor de aanschaf van de waterpomp van The Good Shepherd Foundation, moet de gemeenschap een bedrag op tafel leggen. Als de waterput 2000 euro kost, is de bijdrage zo’n 25 euro. Sinds een jaar moeten de dorpelingen een spaarpotje aanleggen om de loodgieter te betalen. Die moet eens in de zoveel tijd een rubbertje vervangen. Toen The Good Shepherd vorig jaar liet onderzoeken of de pompen nog werkten, bleek 90% het perfect te doen. Op enkele plekken liet het onderhoud te wensen over. Om de effectiviteit nog te vergroten, werd het spaarsysteem voor de loodgieter ingesteld. De bijdragen zijn niet groot. Toch ontstaat hier daadwerkelijk ownership.

Maar ownership is toch niets nieuws? Beleidstaal loopt al jaren over van de ownership. Maar ownership is een buzzword, een modieuze kreet die in de hulppraktijk niet altijd wat om het lijf heeft. Onze interventies van bovenaf, vanuit kantoren in Den Haag of Washington, gericht op Afrikaanse staten, die staan namelijk haaks op ownership in de rode klei. Het kan de Oegandese staat niks schelen dat de meester niet voor de klas staat en de dokter de medicijnen steelt uit de staatskliniek. Met dat inzicht zijn de Millennium Development Goals hopeloos ouderwetse hulp. En de waterputten almaar eigentijdser.

En dan is er een derde factor die cruciaal is voor succes. The Good Shepherd koopt zijn hulp op de markt.
Die markt heeft hij zelf gecreëerd. Samen met een consultancybureau heeft hij een BV opgericht: TGS Water Ltd. Dat bedrijf is gespecialiseerd in het boren van 20 meter diepe bronnen, shallow boreholes. Het is gericht op winstmaximalisatie. Het werkt in opdracht van The Good Shepherd Foundation, maar ook voor de lokale overheid en andere ngo’s. Omdat andere bedrijven vaak onnodig diepe bronnen slaan, van 80 meter, én omdat concurrenten minder efficiënt werken, kosten waterpunten bij TGS Water Ltd de helft. The Good Shepherd Foundation haalt zo het meeste uit zijn middelen.

Dat succes begint bij de gever. De directeur van de kleine hulporganisatie was een succesvolle zakenman. Hij verdiende genoeg geld met een ICT-bedrijf. Verkocht zijn zaak en bestemde een deel van zijn kapitaal voor goede doelen. Een soort van Bill Gates, en dan een maatje kleiner. Zijn morele drijfveer hindert hem niet bij een pragmatische aanpak van hulp. Zijn interventies beginnen en eindigen met de vraag: wat werkt wel? En wat werkt niet?

Ideologie en moraal staan vaak effectiviteit in de weg. Anders dan de huidige discussie over bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking doet vermoeden, doen budgetten er soms niet genoeg toe. Afgelopen jaren was geld er in overvloed, terwijl goed besteden vreselijk moeilijk blijkt. De discussie over hulp gaat nu vooral over de dreigende kaalslag nu de overheid 35 miljard moet bezuinigen. De VVD stelt voor op Internationale Samenwerking 4,5 miljard te korten.

Natuurlijk is dat een afsluiting van Nederland. Een economie die voor het overgrote deel afhankelijk is van het buitenland, kan het zich niet veroorloven met de rug naar de wereld te gaan staan. En toch moet de discussie over hulp niet over geld gaan. Het moet gaan over: Wat werkt in Afrika? En wat werkt niet?

Wat meestal niet werkt, is de staat. Die bestaat in veel Afrikaanse landen alleen voor zichzelf. Voor de dikke mannen die de plekken van de macht bezetten om de eigen buik te vullen. La politique du ventre, ook geen nieuw begrip. Toch steunen we onderwijs en gezondheidszorg via de staat. De roofzuchtige staat is deel van het probleem, niet van de oplossing. Het algemene belang, publiek belang, leeft alleen in beleidsnota’s van Afrikaanse regeringen. Op de rode aarde gelden andere principes.

Wat werkt daar wel? Direct eigenbelang. Dat verklaart waarom via de mechanismen van de markt in Afrika wel iets kan worden bereikt. Wie onderwijs belangrijk vindt, helpt arme maar slimme kindjes aan een goede opleiding. Dat kan door ze met vouchers naar goede privéscholen te sturen. Hun ouders betalen een bijdrage naar draagkracht.

Willen we het leven van de 1,4 miljard allerarmsten structureel verbeteren, dan is die transformatie naar een meer open samenleving noodzakelijk. Cruciaal daarvoor is dat er economische groei komt buiten de elite van de staat, zodat een middenklasse ontstaat die belang heeft bij goed onderwijs, bij goede wegen en goede zorg. Een middenklasse die straks de regering ter verantwoording gaat roepen. Met hulp kunnen wij een zetje geven in die transformatie. Dat moeten wij willen bereiken. Niet meer. En zeker niet minder.
**

Sexy waterputten is 11 april 2010 als column uitgesproken bij Het groot MSF-debat’ van 1komma4miljard over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking, DeSmet Studios Amsterdam

Advertenties

Over Marcia Luyten

Welkom in mijn wereld, ergens tussen Afrika en Amsterdam. Mijn leven als journalist, publicist en debater heeft verschillende huizen: krant, weekblad, website en boek. Podium, radio of tv. De locaties mogen verschillen, ik doe steeds hetzelfde. Vooruit, bijna hetzelfde dan. Ik zie iets groots in iets kleins en daarover schrijf of vertel ik een verhaal. Het moet een plezier zijn om naar te luisteren, zo rijk aan informatie dat je meer weet dan voorheen, subtiel genoeg om je ongemerkt een analyse mee te geven. Je zou kunnen zeggen dat ik sociaal-culturele, politieke en maatschappelijke ontwikkelingen beschrijf, maar dat staat wat bombastisch. Zoals Martin van Amerongen antwoordde toen ik, student nog, hem zei dat ik graag politiek journalist zou worden: “Zozo, niet minder dan dat?”
Dit bericht werd geplaatst in Afrikalog, Essays. Bookmark de permalink .

Een reactie op # 86 Sexy Waterputten, 11 april 2010

  1. Lijkt me een goed project en een organizatie waar we in principe wel mee kunnen samenwerken.

    Wij zouden hiervoor onze meer duurzame BluePump handpomp kunnen sponsoren, die langer meegaat en tevens een stuk goedkoper is in onderhoud.

    FairWater.org

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s