Hoe misplaatst is de vraag naar het verschil tussen 200 duizend en 67 doden?

De constatering dat Haïti een toonbeeld is van mislukte ontwikkelingshulp, vindt Oxfam Novib-directeur Farah Karimi “misplaatst”. In NRC Handelsblad schreef ik dat de aardbeving in Haïti 200.000 mensen het leven kostte, omdat de elite er niks geeft om veiligheid. Door wanbestuur en corruptie kon de hoofdstad Port au Prince als een zandkasteel instorten – ook letterlijk, want gebouwen zijn gemetseld van met zand vermengd cement in plaats van gewapend beton. Toen in 1989 Californië werd getroffen door een even zware aardbeving, was het aantal doden 67.

Haïti is al decennia een grootverbruiker van hulp (met uitzondering van een paar jaar begin jaren negentig toen het land zo desastreus werd bestuurd dat hulpverleners zich terugtrokken). Het lag altijd al op een breuklijn. Daardoor loopt Haïti kans te worden getroffen door een zware aardbeving. Behalve oorlog is er weinig dat ontwikkeling zo snel teniet doet als natuurgeweld dat een land met de grond gelijk maakt. Dat met miljarden hulpgeld geen schokbestendige scholen, kantoren en huizen zijn gebouwd, is onbegrijpelijk. Dat zou je kunnen typeren als mislukte hulp.

In het vakblad voor journalisten, Villamedia, reageert Karimi: “Sommige mensen grijpen de ramp in Haïti aan ontwikkelingshulp de schuld van alles te geven. Dat lijkt me eerlijk gezegd nogal misplaatst.”

Kijk even naar een ramp dichter bij huis: de aanslag op het koninklijk huis afgelopen Koninginnedag of de vuurwerkramp in Enschede. Nog voordat alle slachtoffers zijn geborgen, klinkt de vraag: Hoe heeft dit kunnen gebeuren?

Voordat ik word beschuldigd van een misplaatste vergelijking omdat wij nooit 200 duizend doden te betreuren hebben gehad: de mensen van Haïti treft een hemeltergend leed dat geen enkele relativering verdraagt. Het gaat mij om een mechanisme dat in werking treedt zodra wij iets een ramp noemen.

Gaat in Nederland iets verkeerd, rukken na politie, brandweer en ambulances onderzoekseenheden uit om de oorzaak van de catastrofe te achterhalen. Een op Schiphol ingecheckte vliegtuigbom, een uit de hand gelopen strandfeest, een treinongeluk, een cafébrand; het onderzoek naar falen of nalatigheid duurt zolang als nodig is om de mazen in onze veiligheid te identificeren. Wanneer nodig, wordt een parlementaire enquête ingesteld, zoals na de Bijlmerramp (ter vergelijk: 43 doden).

Maar gaat het om een gebied waar hulpverleners al decennia hun best doen ontwikkeling te stimuleren, dan mag die vraag niet worden gesteld. In Haïti ging niks mis, lijkt Karimi te veronderstellen. Haïti had pech. Weerloos overgeleverd aan de elementen. Waarom diezelfde elementen met eenzelfde kracht in Californië nog geen honderd doden eisten, mag niet worden onderzocht.

Karimi bewijst haar vak geen dienst. Niemand twijfelt aan de goede bedoelingen van Oxfam Novib en de veelvoud aan ngo’s die Haïti bevolken. Zij doen vaak moeilijk, soms belangrijk werk en daarin verdienen ze onze steun. Ook zij verloren mensen in de aardbeving. Maar door niet te willen kijken naar het verschil tussen 200.000 en 67 doden, krijgt de hulp een Januskop.

Want wat motiveert de directeur van een hulporganisatie om, anders dan bij elke willekeurige Nederlandse ramp, niet te willen kijken naar de oorzaak van zo’n dodental? Welke dienst bewijst ze de armen van Haïti, door niet te vragen waarom ze werden bedolven onder puin? En wat is de zin van hulp als armen worden overgelaten aan roofzuchtige bestuurders die niet malen om hun veiligheid?

Pas als die elite zich bekommert om economische groei en veiligheid, zijn de armen te helpen – dat geldt niet alleen voor Haïti, ook voor de 1 miljard allerarmsten in Afrika. De miljarden dollars die Haïti nu moeten heropbouwen, kunnen worden gebruikt als de wortel die bestuurders daartoe moeten verleiden. Daarom is Farah Karimi de eerste die het falen van eerdere hulp moet erkennen; omdat iedereen aanneemt dat ze de armen meer zekerheid gunt dan die van een zandkasteel.