AFRIKALOG #79 Witte konijnen en mijn falende hulp

We hebben konijnen in de tuin. Van die witte met rode ogen. Niet bepaald een Afrikaans en taai ras, maar de eerste twee overleven toch al twee jaar in onze met slangen, kippen, apen, katten, mangoesten en buizerds bezaaide jungle.

De vermeende broers bleken broer en zus. Na 4 maanden bouwden ze hun eerste nest. Totdat we broer lieten castreren – besteed je 30 euro aan een konijn als je dat bedrag ook aan het zieke kind van je bewaker kunt geven? – fokten ze zoals hoort. We hebben zo’n 30 babykonijnen begraven. Zeven zijn opgevreten door de kat. Een leeft.

Beyoncé, doopten we deze held toen de dierenarts zei dat het een meisje was. Intussen heeft Beyoncé zijn moeder bevrucht. Van de zeven jongen leven er nog twee, een week of zes oud nu.

Het relaas van de bij bosjes stervende konijnen is een klein verhaal over iets groters: over helpen en de zaak erger maken – want we blijven proberen de baby’s in leven te houden, al was het maar omdat dode konijnen niet leuk zijn voor de kinderen.

Het verhaal bij het begin. Toen mijn zoon twee konijnen kreeg, timmerden we een hok. Overdag hupsten ze door het paradijs, ’s avonds gingen ze achter gaas. Toen zus konijn zwanger was, groeven ze een hol onder de regenwatertank.

Prima, zeiden we. De natuur weet het het beste (wel grappig dat ik dat zeg over konijnen terwijl ik bij mijn eigen bevallingen vocht tegen de ideologie dat je de natuur zijn gang moet laten gaan). We zetten alleen een steen voor de uitgang als ze ’s avonds naar binnen gingen. Hier wonen wilde beesten waar witte konijnen geen weet van hebben.

Op een vredige zaterdagochtend schreeuwde mijn zoon: “Guus heeft een muis gevangen!” Op de veranda zat de kat met in zijn bek een bol dons. De bewaker zag het dier en zei: ‘Oh, maar dat is een prematuur konijn. Die is dood geboren.’ Als het waar is dat Afrikanen dicht bij de natuur staan, dan niet meer zodra ze in de stad gaan wonen. In werkelijkheid was het beestje zeker drie weken oud.

We hebben meteen een ren om het watertankhol gebouwd. Een dag later liet poes zijn nieuwe trofee zien, het kopje half weggevreten. De tuinman had het dak van gaas niet goed dichtgespijkerd. Guus peuterde het open en roofde zijn prooi.

Van de vier overgebleven konijnen gingen er 2 dood door we weten niet wat. De andere twee gingen naar een vriendinnetje. (Die vonden konijnen in de tuin ook zo’n gezellig Teletubbietafereel. Een maand later lagen de konijntjes te slapen tegen het achterwiel van de SUV toen de vader wegreed.)

Van de nesten twee tot en met vijf gingen alle konijnen een voor een vanzelf dood. Intussen wisten we alles over babykonijnen. Belangrijk: niet aaien want dan mogen ze niet meer aan de moederborst. Ook was er een nieuw buitenhok; groot, droog met een ren vol gras. Tot er van het nest van 8 maart een in leven bleef. Na een half jaar in de ren, huppelt Beyoncé met pa en ma door het groene gras.

Nu moest het ook afgelopen zijn met het Grote Sterven. Geen jonkies meer, al kostte dat wat. De dierenarts bekeek de onderkant van de overlever – vrouwelijk – en we besloten het enige mannetje te laten helpen.

Het waren vredige maanden waarin konijnen, kippen, apen en mangoesten als dikke vrienden op het gras speelden. Totdat Beyoncé de godganse dag achterop haar of beter: zijn moeder zat. Nu wil de vader, gemankeerd als man, zijn potente zoon dood.

Van het laatste nest hebben wij weken niks geweten. Moeder blijkt namelijk een leercurve te hebben. Achter het huisje van de bewaker heeft ze een hol gegraven. Daar gaat ze twee keer per dag in om de baby’s te zogen. Zowel van binnen als van buiten maakt ze het hol met aarde dicht. Van buiten is niks te zien. Zelfs voor poes niet.

Toen kwam de grote vraag: moeten we iets doen? “Jazeker!!” Riepen tuinman en bewakers, “die konijnen stikken onder de grond. We moeten ze naar het hok brengen”. Maar moeder had zeven jongen, flink al en vol in de vacht, wekenlang in haar hol in leven gehouden. Blijkbaar werkte dat goed want dat was nog niet eerder gelukt. We moesten ze misschien vooral laten zitten.

Maar dan: er komt een dag dat de kleintjes naar buiten willen. Elke avonturier is cat meat. Opnieuw hebben we een ren (de derde) om het hol getimmerd.

Dat was net klaar, toen bezoek uit Nederland kwam. Erik Gerritsen met zijn dochter. Gerritsen is een kanon in het openbaar bestuur met een voorkeur voor “ongetemde problemen”. Die gaat hij te lijf vanuit een rotsvast geloof in principes van change management. (Daarover blogt hij op binnenlandsbestuur.nl)

De konijnen hadden meteen zijn grote belangstelling. Niet de dieren an sich. Als object van mijn ingrijpen vond hij ze interessant, want hij zag een ongetemd probleem en lessen uit de veranderkunde.

Door schade en schande wijs handelden we nu met respect voor het basisprincipe: ‘Do no harm’ (verdomd ingewikkeld al).

Parallellen tussen het konijnendrama en ontwikkelingssamenwerking dienden zich meteen aan. Al snel doet een interventie in Afrika (ook) kwaad. Geef voedselhulp aan hongerende mensen en na een tijd kunnen ze niet meer voor zichzelf zorgen (zie de reportage over Karamoja in Vrij Nederland van 9 januari). Laat kinderen onder muskietennetten slapen en hun weerstand tegen malaria neemt af. Geef geld aan een Afrikaanse regering en die hoeft zich van zijn burgers niks meer aan te trekken.

Wanneer je zeker weet dat je geen kwaad doet, moet je volgens Gerritsen met een systeem meebewegen. Je kunt konijnen niet dwingen hun jongen in een houten hok groot te brengen; Afrikaanse landen niet dwingen tot meerpartijendemocratie als dat de kans op geweld vergroot. Iets veranderen kan alleen van binnenuit, door te dreigen (meestal niet zo effectief) of te verleiden – dat ging natuurlijk niet meer over onze witte konijnen. Die zijn voor dreiging en verleiding te dom.

De ren rond het hol was volgens de verandermanager precies goed: met terughoudend en minimaal ingrijpen zou ik “de positieve energie en kracht van moeder konijn faciliteren”. Ik nam “de blokkade weg om haar nest gezond groot te brengen”.

Toen ging Erik Gerritsen op safari, echt Afrikaanse dieren zien. Toen de jeep het pad afreep riep hij nog: “Ben benieuwd hoe het straks met de konijnen is!”

Slecht dus. Ondanks mijn herhaalde vraag aan tuinman en bewakers om de ren achter het wachtershuisje in de gaten te houden, waren drie dagen later 5 konijnen weg. Het dak van de ren stond van boven open. Poes stond er verlekkerd bij. Die had alle tijd gekregen om de babykonijnen een voor een uit hun safe haven te sleuren. De tuinman had het dak niet goed dichtgemaakt.

Gerritsen zag een in verandermanagent veelgemaakte fout: “We zijn goed in beleid maar slecht in controle op de uitvoering.” De duivel zit in het detail. Ik had de uitvoerder – de tuinman – mijn vertrouwen geschonken. Op zich goed, maar ik had moeten kijken of het dak dit keer dicht was. Om met Reagan te spreken: “Vertrouwen is goed, controle is beter”. De conclusie van Gerritsen: “Vergeten Te Borgen.”

Over ontwikkelingssamenwerking concludeerde Gerritsen na 10 dagen Afrika dat dat meer is dan een ongetemd probleem. Er is een dood punt waar alle wil en energie om iets te veranderen in een zwart gat verdwijnt. Namelijk waar Afrikaanse leiders niet gemotiveerd zijn om ontwikkeling tot stand te brengen. Wat als ze de staat beschouwen als bron van verrijking voor zichzelf en hun kleine kring van naasten? Als ontwikkeling de elite bedreigt?

Wij bleven achter met een gevoel van mislukking. Moeder konijn dacht dat haar jongen veilig waren, anders had ze ze nooit uit het hol laten komen. Vermeende geborgenheid bleek een val. Dat deed ons denken aan het meest beschamende falen van recent Nederlands militair ingrijpen.