Ontwikkelingshulp sluit vaak de ogen voor de ongemakkelijke waarheden van Afrika, NRC Handelsblad, 28 nov 2009

Afrika laat zich moeilijk helpen, zo veel is na zestig jaar ontwikkelingssamenwerking zeker. Hetzelfde lijkt te gelden voor het Nederlandse ontwikkelingscomplex zelf. Terwijl de economische crisis, nationalistisch populisme en twijfel over hulp tezamen springtij maken, graaft de hulpsector hard mee aan het eigen graf.

Het succes van hulp wordt niet overtuigend opgeëist: de kwaliteit van leven van veel Afrikanen is door hulp verbeterd. Op het falen van hulp om economische groei te realiseren, wordt ontwijkend gereageerd. Onder toenemende druk van buiten zegt minister Koenders van Ontwikkelingssamenwerking (PvdA) dat hij “de hulpindustrie op de schop” neemt. Dat is: meer dan 70 ontwikkelingsorganisaties moeten allianties vormen om nog subsidie te kunnen krijgen. Maar om de hulp te redden, heeft Bert Koenders heel iets anders nodig dan een complexe uitvoeringspraktijk. Hij zal een nieuwe, fundamentele visie moeten ontwikkelen op wat we hoe in Afrika willen bereiken. Daarvoor moeten het ministerie van Buitenlandse Zaken, parlementariërs en hulporganisaties zich verhouden tot een confronterende realiteit. Hen wachten drie ongemakkelijke waarheden:

1. Ontwikkelingshulp wil vaak wat niet kan

Dat begint bij de misvatting dat het Westen een Afrikaans land zou kunnen ontwikkelen. Een mens, een volk, een land ontwikkelt zichzelf. Waar geen verbeten wil is om te veranderen, haalt hulp niks uit. Onderwijs blijkt voor veel arme Afrikanen minder belangrijk dan wij denken. En mensen die zich laten paaien met douceurtjes in plaats van hun bestuurders verantwoordelijk te houden voor erbarmelijke zorg, onderwijs en wegen, die helpen hun land niet vooruit. Dan blijft democratie een luchtspiegeling.

Ontwikkeling is vervolgens geen hygiënisch proces. Het is rommelig, soms gewelddadig en altijd smoezelig. Afgelopen zestig jaar was bijna al onze bemoeienis gericht op armoedebestrijding en economische groei. De route daar naartoe ligt niet vast. Die moet altijd opnieuw worden gezocht. Als ontwikkelingsorganisaties al willen helpen zoeken – vaker is er een vooropgezet plan, doen ze dat zonder te zien dat de gemiddelde Afrikaanse samenleving een volstrekt andere ordening heeft dan de onze. Alle landen die hulp ontvangen, zijn gesloten samenlevingen met een patronagesysteem. Het eerste, gesloten, betekent dat er geen vrije concurrentie is om macht en economische middelen. Het tweede, patronage, betekent dat macht en middelen worden verdeeld op basis van loyaliteit aan een Grote Man. Een kliek van Grote Mannen onderhoudt een ongeschreven vredespact: zij delen de poet en voeren geen oorlog. Arme, niet corrupte landen bestaan dan ook niet. In het patronagesysteem is er een kleine elite die zich verrijkt. De grote massa blijft straatarm achter.

Die armoede is geen ongeluk. Ze is wezenlijk onderdeel van dit systeem. In Oeganda kun je mooi zien hoe de gesloten samenleving geweld indamt. President Museveni pacificeerde 23 jaar lang al zijn uitdagers – van gestoorde rebellenleiders tot serieuze politici. Niet door ze in verkiezingen te verslaan, maar door ze een bak geld, een mooie baan en een villa te geven. Dit is democratie per afkoopsom.

Afgelopen jaar kregen alle 340 parlementariërs een nieuwe Toyota Landcruiser. De staat blijft uitdijen. Nieuwe districten en ministeries herbergen meer Grote Mannen – talrijker naarmate Museveni langer regeert. Alleen met oppositieleider Kizza Besigye, zijn voormalig lijfarts, heeft Museveni zich niet verzoend. Die trouwde de vrouw van wie hij hield. Het patronagesysteem doet met hulp ook andere dingen dan donoren voor ogen hebben. De Grote Mannen hebben middelen nodig om hun achterban tevreden en hun machtspositie veilig te stellen. Museveni zelf moet het meeste uitdelen. Hij wil in 2011 de presidentsverkiezingen winnen.

In deze context wordt alles aangedreven door politieke motieven, zelfs noodhulp. Toen het Wereldvoedselprogramma (WFP) begin dit jaar constateerde dat de ondervoeding in Karamoja was afgenomen (het Noordoosten van Oeganda krijgt al 46 jaar voedselhulp), verlaagde het de dagelijkse rantsoenering van 70 naar 53%. Janet Museveni, first lady en minister voor Karamoja, eiste dat de voedselhulp terug ging naar 70%. Museveni moet hier straks stemmen halen. Een cruciaal inzicht, tenslotte, is dat het patronagesysteem niet is gebaat bij verheffing van de massa paupers. Hun steun kopen de Grote Mannen voor een habbekrats. En de miserabelen, druk met overleven, komen nooit in opstand.

2. Hulp doet soms het tegenovergestelde van wat is beoogd

Meerpartijendemocratie voedt in Afrika gemakkelijk etnische of tribale strijd. De conflictdempende werking van het patronagesysteem wordt door democratie immers ondermijnd. Dat kan leiden tot politieke instabiliteit, zoals in Kenia in 2007, in Burundi in 1993. Nu president Museveni van Oeganda zijn macht bedreigd ziet, speelt hij etnische verdeel- en heers om straks toch de verkiezingen te winnen. Afgelopen september leidde tot rellen waarbij 27 mensen zijn doodgeschoten. In een gesloten samenleving bestaat geen maatschappelijk middenveld, omdat buiten de staat geen onafhankelijke organisaties kunnen bestaan. Steun aan organisaties die wij labelen als ‘maatschappelijk middenveld’ leidt er vaak toe dat de staat deze infiltreert en ondermijnt. In 2003 werden de door Nederland gesteunde mensenrechtenorganisaties in Rwanda geïnfiltreerd en stukgemaakt. Door onderwijs gratis te maken is de kwaliteit van publieke scholen in veel Afrikaanse landen dramatisch gedaald, kijk naar Tanzania, Zambia, Oeganda en Malawi. Het versterken van formele vrouwenrechten heeft menige Afrikaanse vrouw binnenshuis een beroerder leven bezorgd; hun mannen, in de buitenwereld onzeker over hun rol, laten zich eens te meer gelden in de binnenwereld van het huwelijk. Kortom, zonder begrip van een gesloten samenleving, doet onze bemoeienis soms meer kwaad dan goed.

3. Het ontwikkelingscomplex sluit de ogen voor onbedoelde gevolgen

Hulp geeft zich nauwelijks rekenschap van die andere ordening met zijn eigen logica. De bemoeienis veronderstelt dat in een Afrikaanse samenleving dezelfde wetmatigheden, reflexen en morele codes gelden als thuis. Donoren legitimeren het onverstoorbaar geloof in eigen beleid met data die aantonen dat ze op de goede weg zijn. Verkiezingen zijn verlopen zonder ongeregeldheden, melden waarnemers. Politieke arrestaties worden voor de rechter gebracht. Er gaan veel meer kinderen naar school. Maar de becijferde schijnwerkelijkheid verhult dat mensen stemmen op degene die hen een fooi belooft. Dat de etniciteit, religie of kreukbaarheid van menig rechter zijn vonnis beïnvloedt. Dat de op school ingeschreven kinderen niet leren lezen, schrijven en rekenen.

De wake-up calls aan het adres van het hulpcomplex zwollen afgelopen jaar aan tot sirenes. In 2008 concludeerde een onafhankelijke evaluatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken dat Nederlandse hulp aan Afrika tussen 1998 en 2006 nauwelijks effect heeft gehad op de allerarmsten. Naar de effecten van die conclusie is het gissen, want van een fundamentele discussie over hulp is niks naar buiten gekomen.

De Zambiaanse econoom Dambisa Moyo beweert dat Afrika’s onderontwikkeling een gevolg is van financiële hulp. In Dead Aid stelt zij voor in vijf jaar tijd te stoppen met alle geldoverdrachten aan Afrikaanse regeringen. Minister Koenders reageerde in NOVA: “Moyo schreef een slecht boek.” Een heel goed boek is het ook niet, maar Moyo maakt wel één cruciaal punt. Hulp ontslaat Afrikaanse leiders van de plicht verantwoording af te leggen aan hun bevolking. Het zijn immers de donoren die hebben betaald voor wegen, zorg en onderwijs, niet de burgers.

Hiermee steekt Moyo het lancet in het hart van het armoedeprobleem: Afrikaanse landen laten zich moeilijk helpen omdat hun leiders er belang bij hebben dat alles bij het oude blijft. Die kritiek op de hulp was al eerder te horen. De Oegandese politiek commentator Andrew Mwenda zegt het al jaren: Hulp bestrijdt de symptomen van Afrika’s probleem, niet de oorzaken. Erger, doordat hulp pleisters plakt, verergeren de structurele problemen. Mwenda legt het zo uit: een regering verdient de steun van haar volk door het leveren van publieke goederen. Wanneer die moeten worden betaald uit belastinggeld, zal een regering het land behoorlijk moeten besturen. Zo ontstaan instituties en beleid die gunstig zijn voor economische groei. Bij wanbeleid zijn scholen en klinieken een puinhoop en weigert de burger belasting af te dragen. Uiteindelijk verliest een regering dan de steun van haar bevolking.

In precies dat mechanisme van verantwoording wortelt ook de Nederlandse democratie. Symbool daarvoor is de Acte van Verlatinghe uit 1581. De Staten Generaal ‘verlieten’ Filips II en zijn erfgenamen: de koning werd wegens wanprestatie afgezet. Afrikaanse regeringen hoeven niet bang te zijn dat het volk ze verlaat. Dat laat zich lijmen met kralen en spiegeltjes. En geld krijgen de regeringen toch wel van het Westen. Daarvan nemen ze zelf een aardig deel, de rest is voor gammele voorzieningen. De burger pikt dat omdat er nergens voor is betaald.

Dat hulp de relatie tussen burger en bestuurder vergiftigt, is niet nieuw. Maar nu pas schreef een elegante Afrikaanse econoom het zo helder en knapperig op. Dambisa Moyo deed wat die evaluatie van Buitenlandse Zaken niet lukte: het jaagde het publieke debat over ontwikkelingssamenwerking aan tot een stevige storm. De grote kranten deden in maart een interview en een recensie, ter gelegenheid van Moyo’s recente Globaliseringslezing nog eens een stuk. In Hotel l’Europe wisselden verslaggevers en tv-ploegen elkaar af voor een wetenschapper die oogt, praat en zich beweegt – op lakleren naaldhakken – als een popster. Nu het stof gaat liggen, wordt duidelijk dat die discussie ons geen steek verder heeft gebracht. Dat komt doordat het debat over Dead Aid door zowel voorstanders als opponenten is gevoerd met meer sentimenten dan argumenten. Iedereen met voorheen een vaag onbehagen over hulp, vond in Moyo de gedroomde woordvoerder. Die schenkt klare wijn: afschaffen die hap.

Dead Aid-adepten concluderen met Moyo dat het de schuld is van de hulp dat Afrika niet floreert. Maar dat is flauwekul. Hulp kan ook helpen. En Afrika heeft meer handicaps. Geef het gemiddelde Afrikaanse land olie – of goud of diamanten of ongeacht welke grondstof, en de gevolgen zijn erger dan van financiële hulp. De kleine kliek aan de macht verdeelt dan zonder pottenkijkers de opbrengsten. De meerderheid van de bevolking is straatarm – en moet dat blijven ook. Want een redelijk opgeleide middenklasse kan een bedreiging worden voor het politieke systeem. Die kan gaan eisen dat de regering verantwoording aflegt. De voorstanders van hulp reageren net zo eendimensionaal. Zo verwijt hulpprofessor Jeffrey Sachs zijn oud-student dat zij Afrikaanse kinderen de gesubsidieerde opleidingen wil onthouden waarmee ze zelf groot is geworden. Ton Dietz (hoogleraar Universiteit van Amsterdam) vergeleek Moyo met Geert Wilders (een versimpelde boodschap en geen alternatieven). En Paul Hoebink van de Radboud Universiteit verwijt Moyo leugenachtigheid (“dishonesty”) omdat ze zou sjoemelen met de cijfers.

Ook al kan het gevoel van urgentie en vertwijfeling binnen de sector nauwelijks nog groter, geen hulpprofessor of hulporganisatie die hardop nadacht over de verstoorde relatie tussen de Afrikaanse burger en zijn bestuurders. Het hulpcomplex draait de blik liever naar binnen. De kop vol in de storm krijgt het kortetermijn overleven van de hulporganisaties prioriteit.

Doordat professionals blijven zwijgen over de ongemakkelijke waarheden, zwelt de druk van buiten juist aan. Er is een staat van beleg en geen verdediging. Hulpcynici bedienen zich gretig van de kritische publicaties. Geert Wilders (PVV) wil van alle ontwikkelingssamenwerking af, noodhulp uitgezonderd. Mark Rutte (VVD) stelt voor de helft van het budget van 2008 schrappen, zo’n 3 miljard euro. Het verweer van ‘de sector’ bestaat vooral uit het beschermen van de ‘0,8-norm’ – die bepaalt dat 0,8% van Nederlands BNP bestemd is voor ontwikkelingssamenwerking.

Vakblad voor ontwikkelingssamenwerking Vice Versa publiceerde in oktober een artikel met als kop: ´Alles trilt´. Daarin zegt GroenLinks-Kamerlid Kees Vendrik: ‘In de wereld van ontwikkelingssamenwerking is alles aan het trillen’. Vervolgens praten parlementariërs en directeuren van hulporganisaties drie bladzijdes lang over alleen maar geld. Over een onsje en een procentje meer of minder, over ongewenste ‘vervuiling’ van het budget met maatregelen tegen klimaatverandering. Zelfs Jan Pronk, doorgaans een denker, liet in een interview (Waterstof oktober 2009) weten dat ‘de 0,8’ overeind moet blijven. Het debat over hulp krijgt binnenkort zijn apotheose. In januari verschijnt het langverwacht WRR-rapport over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking. Afgemeten aan wat Peter van Lieshout, hoofdauteur van dit rapport, prijsgeeft in het debat met Dambisa Moyo en in de aanstaande VPRO Tegenlicht-film En wat als we de hulp stoppen, mag het ontwikkelingscomplex zich opmaken voor een kritische analyse.

In Afrika beneden de Sahara leeft intussen nog 49% van de mensen van minder dan een dollar per dag. Wie oprecht geïnteresseerd is in duurzame armoedevermindering, maakt het inzicht van Moyo en Mwenda tot uitgangspunt van zijn ontwikkelingsbeleid. Hulp moet bestaande veranderingsprocessen willen versterken, opdat er uiteindelijk – zonder geweld te ontketenen – meer concurrentie komt om de macht en de middelen.

Daar kun je geen receptuur voor bedenken. Voor elke nieuwe situatie geldt: verzin een list. Het laatste waar dat om gaat, is meer of minder geld. Het gaat om inzicht, vernuft en creativiteit. Om minder cynisme, meer scepsis. Minder papieren evaluaties, meer ervaren experts voor wie evalueren een grondhouding is: het gaat om permanent observeren, leren en bijsturen.

Neem het onderwijs in Tanzania, Oeganda en Zambia. Publieke scholen zijn gratis en waardeloos. Wie kan, koopt voor zijn kind onderwijs aan een dure privéschool. De elite in dienst van de staat, heeft zijn kinderen op kostscholen in Kenia, Engeland of Amerika. Om het openbare onderwijs in Tanzania, Oeganda en Zambia te verbeteren, is niet allereerst meer geld nodig. Een verbetering vereist de wens van de elite dat op openbare scholen kinderen leren lezen, schrijven en rekenen.

Vermijd gebaande paden als de genomen weg nergens toe leidt. Gebruik de miljoenen euro’s op een manier die in de gesloten samenleving wel effect sorteert: lijm de elite en laat zijn belang samenvallen met dat van de armen. Nederland kan samen met andere westerse donoren zijn geld verbinden aan stevige condities. Wat zou er gebeuren met de kwaliteit van Tanzania’s onderwijs als alle ambtenaren hun kinderen naar een publieke school moeten sturen?

**

VPRO Tegenlicht …EN WAT ALS WE DE HULP STOPPEN?, maandag 30 november 2009, 20.55 uur, Nederland 2

Advertenties

Over Marcia Luyten

Welkom in mijn wereld, ergens tussen Afrika en Amsterdam. Mijn leven als journalist, publicist en debater heeft verschillende huizen: krant, weekblad, website en boek. Podium, radio of tv. De locaties mogen verschillen, ik doe steeds hetzelfde. Vooruit, bijna hetzelfde dan. Ik zie iets groots in iets kleins en daarover schrijf of vertel ik een verhaal. Het moet een plezier zijn om naar te luisteren, zo rijk aan informatie dat je meer weet dan voorheen, subtiel genoeg om je ongemerkt een analyse mee te geven. Je zou kunnen zeggen dat ik sociaal-culturele, politieke en maatschappelijke ontwikkelingen beschrijf, maar dat staat wat bombastisch. Zoals Martin van Amerongen antwoordde toen ik, student nog, hem zei dat ik graag politiek journalist zou worden: “Zozo, niet minder dan dat?”
Dit bericht werd geplaatst in Essays en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

8 reacties op Ontwikkelingshulp sluit vaak de ogen voor de ongemakkelijke waarheden van Afrika, NRC Handelsblad, 28 nov 2009

  1. Afrika is een enorm groot continent en zeker niet iedereen heeft in de afgelopen zestig jaar mogen genieten van de 0,10 dollar cent per persoon die in die periode is ‘geschonken’ door de rijkere landen. Afrika wordt voortdurend over één kam geschoren. Afrika ligt voortdurend als geheel onder het vergroot glas. Graag zou ik Bert Koenders, Marcia Luyten en waarom ook niet Dambisa Moyo, eens aan mijn eettafel hebben. Dan nemen wij elk Afrikaanse land apart even door en schrijven een verslagje. Jeffrey Sachs, Ton Dietz en Paul Hoebink kunnen dan samen in ons keukentje een maaltijd voor ons koken. Jan Pronk wil vast wel de tafel dekken. Wij eten hier in Senegal gemiddeld voor 1 euro per dag. Die 8 euro voor het eten krijgen we vast wel van een ‘miserabele’ Nederlander met z’n hart op de goede plaats type ‘niet zijken maar doen’. En dat zij er nog steeds heel veel.

  2. Gerrit Holtland zegt:

    Ik ben het helemaal met Marcia Luyten eens als ze schrijft:

    Hulp moet bestaande veranderingsprocessen willen versterken, opdat er uiteindelijk meer concurrentie komt om de macht en de middelen. Daar kun je geen receptuur voor bedenken. Voor elke nieuwe situatie geldt: verzin een list. Het laatste waar dat om gaat, is meer of minder geld. Het gaat om inzicht, vernuft en creativiteit. Om minder cynisme, meer scepsis. Minder papieren evaluaties, meer ervaren experts voor wie evalueren een grondhouding is: het gaat om permanent observeren, leren en bijsturen.

    Ik ben daar nu 25 jaar mee bezig. Als professional. Ik verzin allerlei listen met en voor boeren; om hen meer inkomen en macht te verschaffen. Dat is een ingewikkeld en tijdrovend proces. Ik zeg het maar eerlijk: ik ben gefrustreerd over al die mensen die denken dat er standaard oplossingen zijn. Of het nu Sachs is die er 2 keer zoveel geld in wil stoppen, of Moyo die er niets in wil stoppen. Dat is allemaal politiek geneuzel waar geen enkel bewijs voor is. Ik heb heel veel verhalen over de effectiviteit van de hulp gelezen en de uitspraken die Moyo daar nu over doen zijn pertinent onjuist. Maar de toon van het debat is een onmogelijke. In dat debat, Marcia, kunnen wij als professionals geen kant op. Als we zeggen: ‘het gaat zo slecht nog niet’, dan worden we beschuldigt van ‘wegkijken’ en ‘kop in het zand’. Als we zeggen ‘het is inderdaad niet effectief’ dan roept iedereen ‘zie je wel afschaffen die hap’. En als we zeggen dat het te ingewikkeld is voor een simplistische discussie, dan weigeren we om ‘transparant te zijn en om heldere afrekenbare doelen te formuleren’ etc. En als we pleiten voor meer buitenlandse experts om te voorkomen dat de lokale elite met de poet er vandoor gaat dan ben je ‘neo-koloniaal’. Kortom, het is een debat tussen doven en het lijkt inderdaad op het Islam debat van Wilders. Er is geen ruimte voor nuances en dan moet je niet vreemd opkijken dat genuanceerde mensen hun mond houden. Voor jou Marcia is mijn vraag dan ook: waarom staat er boven jouw verhaal “Hulp sluit de ogen”. Waarom staat er niet boven: “Ervaren expats / experts nodig om samen met Afrikanen complexe problemen aan te pakken” ?

  3. Paul van Ommen zegt:

    Het verhaal van Moyo (ook de overtuiging waarmee zij het brengt) roept herinneringen op aan Evelien Herfkens. In 1998 wijzigde zij ogenschijnlijk geheel zelfstandig (en zonder dat daar een debat aan vooraf was gegaan) de Nederlandse koers. De 100 landen die op de een of andere manier steun kregen van Nederland moesten teruggebracht worden tot 20 landen. Er was te veel versnippering. Belangrijker argument was ook dat het Westen zich te paternalistisch gedroeg. Dat zou de afhankelijkheid maar in stand houden. Arme landen met een werkende democratie en rechtsstaat zouden zelf moeten beslissen over het geld dat zij van Nederland zouden krijgen. De ontvangende regering beslist waar het geld aan besteed wordt en het parlement controleert. Zo hoort dat. Geen projectsteun meer maar begrotingssteun.
    In minder dan geen tijd werden grote door Nederland gefianceerde lokale projecten stopgezet en afgebroken. Miljoenen geinvesteerde dollars verdampten voor zij iets konden opleveren. Er moest plaats gemaakt worden voor de Nieuwe Waarheid. De rekening van die omschakeling is overigens nooit opgemaakt.
    Tien jaar verder staat ook dat weer ter discussie.

    Ik herken veel in het verhaal van Marcia Luyten. De culturele aspecten, het patronage systeem. Van de democratisch gekozen Administrador (soort burgemeester) in het district in Mozambiek waar ik twee jaar met mijn gezin woonde en werkte, werd verwacht dat hij zijn familie en vrinden een baan zou bezorgen. “Als hij niet eens in staat is om zijn eigen familie te helpen, wat kunnen wij dan nog van hem verwachten?”

    Er zijn geen grote waarheden in deze discussie. Ik ben het dan ook roerend eens met Marcia Luyten’s roep “om minder cynisme, meer scepsis. Minder papieren evaluaties, meer ervaren experts voor wie evalueren een grondhouding is: het gaat om permanent observeren, leren en bijsturen.”

  4. Guido Hulshoff zegt:

    Net als vorige commentaren, valt het ook op in dit hele debat, dat alle soorten hulp op één hoop worden gegeooid. Via regeringen, via VN, via hulporganisaties: het is allemaal één pot nat. Onterecht. Nuance is wellicht saai maar mag volgens mij niet ontbreken. Wat in het ene land wel werkt, werkt elders niet. Bovendien zijn er wel degelijk ook veel goede ervaringen, met aantoonbaar effect.
    Moyo zegt echter: op korte termijn afschaffen van dé hulp. De VVD en Wilders: halveren of nog meer. Maar welke helft mag dan nog wel? Welke keuzes worden dan gemaakt? Hoewel de analyse van deze partijen helder is, want simplistisch, dragen ook zij nauwelijks geloofwaardige alternatieven aan. Bijvoorbeeld de opvatting dat noodhulp wel zou ´mogen´. Wat bedoelt men daarmee? Is helpen van vluchtelingen ook noodhulp? En opbouw van publieke voorzieningen en een rechtssysteem in post-conflict gebieden? En als het gaat over meer structurele hulp: mag voor het meehelpen opzetten van boerencooperaties, verbeteren van agrarische producten, of opzetten van een belastingsystemen voor de overheid, wel geld en middelen worden uitgetrokken? Dat is belangrijk, want draagt bij aan economische ontwikkeling en een staat die zich verplicht publieke goederen te leveren. Dat vinden ook de genoemde auteurs. Maar met halveren zoals zij willen laat je weinig ruimte dit soort dingen te doen. De enige oplossingen die men geeft zijn ‘one size fits all’ manieren zoals met name Moyo doet. Maar dat is weinig realistisch. Er zijn namelijk geen simpele oplossingen. Moyo en anderen bewonderen bijvoorbeeld China in Afrika. Maar waarop baseren zij hun mening dat China bezig is met duurzame ontwikkeling ? Geen bewijs voor en niet erg consistent.
    Natuurlijk moet er veel veranderen in de ontwikkelingswereld. Laten we inderdaad op basis van argumenten deze nieuwe keuzes in ontwikkelingshulp baseren, afbouwen wat niet werkt en uitbouwen wat wel werkt. Ik ben het eens met Marcia Luyten dat ook culturele en sociale aspecten in een land hierbij zwaar moeten wegen. Altijd moet er met gezond verstand worden geïnvesteerd in ontwikkelingslanden, samen met de Afrikanen, onder voorwaarden, en met goede evaluatie en controles. Daarbij moet men beseffen dat ontwikkelingshulp, net als ondernemen, risico nemen betekent.
    Maar laten we het kind niet met het badwater weggooien, wat het gevolg zal zijn van de aanpak van Moyo en anderen. Er is hulp die wél werkt, er is een schat aan ervaring opgedaan in het veld, dat moet je niet willen weggooien. Het over één kam scheren van alle hulp is daarbij niet verantwoord en niet zinvol voor de discussie.

    Een laatste noot: laten we de vermeend nadelige effecten van ontwikkelingshulp ook niet overdrijven. Handelsbelemmeringen in het westen en binnen afrikaanse landen, oorlogen, de braindrain van zuid naar noord: dit soort structurele aspecten hebben veel desastreuzer effecten, daar kan geen ontwikkelingshulp tegenop.

  5. Ik ben het eens met de vorige schrijver Gerrit. De ontwikkelingswerkers zitten in een spagaat. Ondanks alle problemen is er mi echter geen reden hulp te minderen integendeel. De extreme armoede in de wereld is een internationale schande maar ook niet duurzaam op langer termijn.
    Zou niet veel meer dan nu, duidelijk moeten worden dat verminderen van armoede juist ook in ons eigen belang is?: Kort door de bocht
    -De grote verschillen tussen arm en rijk zijn op termijn vooral slecht voor de rijken (de armsten hebben weinig te verliezen)
    -De wereld kan nog meer mensen niet aan
    De beste manier om bevolkings explosie te minderen is… economische ontwikkeling

    Economische ontwikkeling begint met onderwijs en … water en juist op dat gebied zijn er steeds meer voorbeelden van hulp die wel helpt!!

    Twee voorbeelden
    -De spin of van 1 miljoen US$ Nederlandse hulp in Nicaragua is dat het GNP van dat land groeide met 100 miljoen US$
    -Zimbabwe haalt waarschijnlijk de water Millennium doelstelling door inzet van een NGO met lokaal gemaakte water pompen. Dat is niet dankzij maar ondanks het regerings beleid!!
    Hoezo hulp helpt niet, het hangt er vanaf welk soort hulp. Waarom gaan we als Nederland niet meer dan nu, doen waar we goed in zijn dus Landbouw, Onderwijs, Family planning en …..Water
    Bijvoorbeeld waterhulp heeft gegarandeerde cost benefits van 3 en maximaal zelfs 60 keer de investering. Investeren in hulp die zichtbaar helpt zal ook goed zijn voor het broodnodige draagvlak voor de hulp. Een Win Win situatie.
    Henk Holtslag

  6. Pingback: AFRIKALOG #75 Kill the messenger « Marcia Luyten

  7. Leo Dijkman zegt:

    Ontwikkelings samenwerking of ontwikkelings hulp. Samenwerken aan welke soorten ontwikkelingen, in dit geval in Oeganda; hulp aan welke soort positieve ontwikkelingen in het land. Dat is de centrale vraag; een vraag die een helder antwoord verdient en ook behoort te hebben. Niemand twijfelt aanm intenties, doch intenties leiden niet perse tot success, evenmin doelstellingen of inspanningen. Intenties mogenh zeker niet ook ‘falen’ afdekken Laten we gewoon helder en realistisch sceptisch zijn, zeker niet verloren geraken in een put van verleden sociale en/of media zielige en of media-mooie verhalen. Het gaat om feiten en resultaten, in eigen land, dus ook in Afrika. Daarover mag ieder best gezond en realistisch kritisch zijn. Vragen erover leiden toch niet zondermeer tot afschaffing? Feiten en resultaten dienen eenvoudigweg te worden onderzocht. Wie heeft er belang bij kritische beschouwingen uit de weg te gaan? Wat vragen we – en ook mevr. Luyten doet zulks- van de landen die hulp ontvangen zelf? Juist, een kritische reflectie op het eigen handelen; geen mooie verhalen alleen, noch minder dankjewelverhalen alleen. Waarom dan helder kritisch in eigen Nederland? Ik begrijp de grote ophef over de benadering door mevr. Luyten niet zo goed. Ze zet een aantal van vele relevante aspecten die een rol behoren te spelen in een besluitvorming op een rij. Wie kan daar tegen zijn? Is er sprake van koud water vrees bij andersoortige belanghebbenden? Zelfs als er vele grote en vaak ook tegenstrijdige belangen een rol spelen? Indien de journalistieke bijdrage van mevr. Luyten aan een brede op basis van feitelijke kennis gevoerde discussie wordt beschouwd als een welkome bijdrage aan een diepgaande reflectie over een lastig thema, wordt bovendien voorkomen dat het huidige debat over de publikatie zelf tot emotie-tv/verhaal wordt gedegradeerd, met alle bedenkelijke gevolgen van dien. M.i is er door een aantal spelers in het veld opnieuw te snel gereageerd..en dat is pas echt zorgelijk.

  8. Pingback: Ontwikkelingsgeld wordt wisselgeld, NRC 3 maart 2012 « Marcia Luyten

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s