AFRIKA IS HIER Pakken wat je Pakken kan, VN 31 mei 2008

Vorige week kwam ik terug in Nederland, vanuit Kampala, Oeganda. Ik loop koop een krant, lees zomaar twee artikelen over Nederland — en ik zie ‘Afrika’ in Nederland. Geen zwarte man of vrouw, daar gaat het niet om. Ook niet om zomerjurken zo vroeg in mei. Nee, ik zie dat Afrika zich nestelt in ons diepste zelf.

Ik lees de Volkskrant van 16 mei en het is alsof ik per ongeluk de Oegandese krant The Monitor heb opengeslagen. Daarin staan artikelen over klinieken die gratis basiszorg moeten verlenen, maar waar geen medicijnen tegen malaria zijn – en antibiotica, vaccins of andere veelgebruikte geneesmiddelen evenmin. De internationale gemeenschap geeft veel geld voor die gezondheidszorg, maar een deel verdwijnt naar bestuurders en politici die soms voor miljoenen onroerend goed in Zwitserland of Amerika bezitten. Medicijnen die het ziekenhuis wel bereiken, zouden door artsen worden doorverkocht aan privé-klinieken. Een zieke Oegandees wordt niet beter in een kliniek van de staat. Net zomin als dat zijn kinderen echt leren lezen, schrijven en rekenen in een (eveneens door donoren gefinancierde) overheidsschool. Daar zijn nauwelijks leraren die bovendien maar weinig lesgeven.

In de Volkskrant lees ik nu dat Nederlandse bejaarden in verpleeghuizen in hun eigen vuil liggen. Verpleegkundigen zijn er zo weinig dat demente mensen soms tot de middag wachten tot iemand ze verschoont en kleedt. Doordat ze onderbezet en overlast zijn, worden de verpleegkundigen sneller ziek. Vervanging is er zelden. Zembla gaf er beelden bij. Demente bejaarden in luiers die jeuken gaan zich krabben. Zo komt de stront tot onder hun nagels, in hun bed en op hun kleren. De verpleegkundigen krijgen nieuwe instructies van de directie over hoe zuiniger om te gaan met tijd en materiaal. Wassen moeten ze met een billendoekje in de vorm van een washand. Maximaal vier washandjes voor één lijf.

Toen in 2005 de inkomens van bestuurders massaal openbaar werden gemaakt, bleek dat het salaris van menig directeur in de zorg dat van de premier overstijgt. In diezelfde Volkskrant van 16 mei staat een ander artikel waarin topbestuurders zich erover beklagen dat er in Nederland wordt gezeurd over hun salaris. Ze dreigen hun hoofdkantoor te verplaatsen. Michiel Boersma van Essent, die in 2005 het hoogst scoorde op de lijst van goedbetaalde bestuurders in de (semi)publieke sector, zegt nu dat de commotie over zijn salaris ‘ronduit beschamend’ was. Hij verdiende dat jaar zeven keer het salaris van de minister-president. (Om precies te zijn: 821 duizend euro.) Jeroen van der Veer van Shell kreeg afgelopen jaar 9,4 miljoen uitbetaald.

Het eerste artikel gaat over hardvochtigheid, over te weinig schaamte voor het gebrek aan menswaardigheid voor demente bejaarden – anders hadden we er wel wat aan gedaan. Het tweede gaat over buitensporige verrijking. Misschien dat topbestuurders daarom alsmaar meer willen: om er zeker van te zijn dat ze zelf nooit in zo’n verpleeghuis terechtkomen.

Beide artikelen voegen zich in een verontrustend patroon dat zich de laatste jaren in verschillende domeinen van onze samenleving laat zien. Onze economie, politiek en cultuur krijgen steeds meer ‘Afrikaanse’ trekken. Anders gezegd: Nederland ontwikkelt zich in de richting van een samenleving die minder open is, en waarin vrijheid en welvaren minder kans krijgen. Africa is here!

Dat wordt zichtbaar in zeven trends:

1. In de economie hebben we het perspectief verschoven van de lange naar de ultrakorte termijn. Die blikvernauwing is af te lezen aan de ontwikkeling van het aandeel. Nederlands meest succesvolle uitvinding was in 1602 een product van langetermijndenken en sociaal vertrouwen. Na vier eeuwen blijkt dat die wereldhit zelfdestructieve kanten heeft gekregen. In de aandeelhouderseconomie heeft de belegging zich losgemaakt van de onderneming waarvan het aandeel de waarde becijfert. De verwachte winst per aandeel is de heilige graal voor beursgenoteerde bedrijven. Datgene waar het aandeel uit voortkwam, wordt nu door het aandeel zelf ondermijnd. Het kortetermijn-rendementsdenken uit de aandeelhouderseconomie vlekt uit naar andere domeinen van de samenleving, ook naar die waar maatstaven van kwaliteit relevanter zijn dan efficiëntie, bijvoorbeeld in het onderwijs, of in de zorg.

2. Politiek draait om personen. De politicus heeft zijn troon naar het centrum van de politieke macht geschoven. Zijn karakter, zijn stijl en zijn persoonlijke overtuiging hebben grote invloed op de koers van een partij. Die nieuwe helden bedienen zich van populisme: het voertuig voor de personalisering van de politiek. Populisme is voorlopig alleen bij Rita Verdonk ideologisch geladen — het volk heeft het officieel voor het zeggen – en elders is het een politieke stijl die tot doel heeft het de kiezer naar de zin te maken.

In de personendemocratie laat de kiezer zich graag behagen. Hij zoekt vervulling voor zijn verlangens en geruststelling in onzekerheid. Die geruststelling komt in de vorm van politici die ons zo vertrouwd zijn dat ze een van ons zijn geworden — zoals ‘Pim’, ‘Geert’, ‘Rita’ en, voordat hij een moeilijke ministerspost kreeg, ‘Wouter’. In die nabijheid heeft de politicus-als-persoon aan gezag ingeleverd.

Al heeft het personalisme in Nederland een andere herkomst dan de personenpolitiek in Afrika, het roept dezelfde twee mechanismen op: politiek wordt een handel in onzekerheidsreductie, en waar de strijd om de macht gaat tussen persoonlijkheden, daar dwingt de korte termijn.

3. De mores aan de top zijn die van een roofzuchtige elite. De buitensporige beloningen hebben gevolgen voor de rest van de samenleving. Net als in Afrika beperkt de cultuur van pakken-wat-je-pakken-kan zich in Nederland niet tot de elite. Ze sijpelt door naar alle lagen van de samenleving. Een trickle-down die bij armoedebestrijding nooit wilde lukken (als de bovenlaag eerst maar rijker wordt, dan verbetert de positie van de armen vanzelf) vindt wél plaats als het gaat om moraal. Dwars door de samenleving heen is het vanzelfsprekend geworden dat je probeert zoveel mogelijk binnen te halen. Waarheid, wet en waarden laten zich plooien naar het (materiële) belang van het individu. Voorzieningen en verzekeringen zijn ‘kansen’ waarvan optimaal gebruik moet worden gemaakt. Wie de verzekering licht – en dat gebeurt in toenemende mate – waant zich een handig koopmeester.

4. De instituties van de democratische rechtsstaat raken leeg. De politieke partij is een deel van haar traditionele functies kwijtgeraakt aan de politicus de persoon. Het parlement is sterk afhankelijk van medialogica en steeds minder autonoom als controleur. In belangrijke maar weinig sexy dossiers als de Europese Unie of de Wereldhandelsorganisatie laten te veel Tweede Kamerleden de macht tussen de vingers door glippen. Rechters moeten moeite doen om hun onafhankelijkheid én hun legitimiteit te bewaren.

5. Het wereldbeeld versplintert. Culturele veelvormigheid reageerde met de technologische innovatie van internet en satelliet-tv. Iedere cultureel onderscheiden groep is als een horde Chinezen: in het eigen universum opgesloten, ongeacht de plek waar ze fysiek verblijft. Met tv en pc zitten we in onze eigen cockpit: we selecteren wat ons mag bereiken; dat is meestal een bron die ons eigen wereldbeeld bevestigt en versterkt. Broadcasting is daardoor veranderd in narrowcasting. Mensen die een geografisch gebied delen, hebben niet perse meer iets met elkaar gemeen. De beweging die daarmee is ingezet, doet het omgekeerde van wat gebeurde na de vijftiende-eeuwse uitvinding van de drukpers. Toen werd nationale eenheid mogelijk, nu verdeeldheid.

6. Sociaal wantrouwen wint terrein. De vertrouwenssamenleving die Nederland was, toont steeds meer tekenen van wantrouwen. Een van de oorzaken is dat zowel in de politiek als in de economie vertrouwen tot instrument is gemaakt. Vertrouwen was altijd het onbedoelde, maar positieve neveneffect van iets anders – van nagekomen afspraken met de buren, of van jarenlang goed vlees van de slager. Nu wordt vertrouwen nagejaagd om zichzelf. Het is de sleutel naar de gunst van de kiezer en de belegger, naar hoge peilingen en verkiezingswinst en naar een hoge beurskoers.

7. Gebrekkige zelfcorrectie speelt op in verschillende sferen; van de belaagde ambulanceman tot aan de verpleeghuisdirecteur die miljoenen verdient.

Nadat Nederland tussen 1980 en 2000 misschien wel de grootste vrijheid uit zijn geschiedenis genoot, blijkt het goede leven zich niet vanzelfsprekend te bestendigen. Het is verraderlijk dat de constellatie die vrijheid en welvaren als twee loten aan dezelfde stam voortbrengt, de democratische cultuur verhult zonder welke ze niet kan bestaan. Zoals een vis niet ziet dat hij in water zwemt, zo ziet wie in vrijheid en welvaart leeft niet welke mechanismen, structuren, mores en codes nodig zijn om die verworvenheden in stand te houden.

Vrijheid is namelijk niet vrij van beperkingen. Ze veronderstelt een fijnmazig en moeilijk raamwerk van misschien ongeschreven, maar wel strikte codes en voorschriften. Juist op de plekken met grote persoonlijke vrijheid moet het voor iedereen duidelijk zijn dat lang niet alles kan.

Zo is ook politieke macht allereerst ingeperkt door zelfcontrole. Een politicus mag zijn professionele connecties niet gebruiken om iets voor zichzelf te regelen (een kaartje voor Ajax, een bouwvergunning), ook niet als dat binnen de wet gebeurt. Een bestuurder zou gevoel moeten hebben voor buitensporig zakelijk gewin. Zo ook de verpleeghuisdirecteur die van de zorg een bende heeft gemaakt: die zou met gepaste gêne moeten afzien van zijn vertrekbonus van een miljoen euro.

Anders dan cultuurpessimisten en conservatieven (vaak vallen die samen) claimen, zijn niet de jaren zestig schuld aan de vervorming die ons nu wegvoert van de grootst mogelijke vrijheid en welvaren. Daarvoor waren uiteenlopende sociaal-culturele onderstromen nodig.

Zo heeft de opmars van de instrumentele rede ons de ethiek van rendement en efficiëntie gebracht. In combinatie met het materialisme van na de neoliberale jaren tachtig, werd de beurskoers de heilige graal van de aandeelhouderseconomie, kregen onderwijs en zorg de maat genomen op efficiency, en vielen in financieel succes doel en middel van een betekenisvol leven samen. Pakken-wat-je-pakken-kan staat in dienst van een existentiële opdracht. Die vervorming is alleen versterkt doordat het individu veertig jaar geleden werd verlost van vormende en corrigerende zware gemeenschappen.

Maar die bevrijding was en is toch vooral bron van het grootst mogelijke geluk. Ik ben dan wel van 1971, ik vier de jaren zestig elke dag. Ik kan zijn wie ik wil zijn zonder te worden gehinderd door sociale controle, stand, klasse of religieus milieu. De hoogste verwachtingen over mijn leven komen van mijzelf.

Het is een onverminderd prachtig ideaal: het meest waardevolle, rijke leven ontstaat als een mens vrij is om zijn eigen leven vorm te geven. Dit is wat Isaiah Berlin bedoelde met de ‘positieve vrijheid’ die hij onderscheidde van de ‘negatieve vrijheid’ waarbij je niet door anderen wordt beperkt. Geen groter geluk dan een leven zo trouw mogelijk aan jezelf.

Dat het lang niet iedereen lukt om wat van dat vrije leven te maken, doet aan het ideaal niets af. Beschermende kaders, vaders en paters kunnen de kans op ongelukken misschien verkleinen. In dezelfde beweging beperken ze de mogelijkheden tot vervulling, tot vervolmaking.

Toch is dat wat conservatieven en cultuurpessimisten het liefst zouden zien. Voor de uitwassen van de jaren zestig – we zijn slap en verwend, we leven hedonistisch voor en op onszelf, we verwarren emancipatie met een grote bek, wijs met gewiekst en onze autonomie is asociaal – hebben ze hun remedie paraat. Ze beginnen dan over ‘harder optreden’, ‘aanpassen’ en ‘terug naar de gemeenschap’. Het vrije individu is daar snel geknipt en geschoren.

Bovendien wordt duidelijk dat ze niet helemaal hebben begrepen dat de samenleving tussen 1968 en 2008 ingrijpend en onomkeerbaar is veranderd, ‘vloeibaar’ is geworden, zoals sociologen graag zeggen. Alsof er geen global village zou zijn waarin veranderlijkheid de laatste constante is. Alsof elite en instanties per besluit hun autoriteit kunnen terugkrijgen. Alsof we in een draaideur lopen en gewoon weer bij de ingang kunnen uitstappen.

Conservatieve cultuurpessimisten zien niet dat er sprake is van scheefgroei juist omdat het project van de jaren zestig nooit is afgemaakt. Het is een halfbakken revolutie geweest die is blijven steken bij de bevrijding van het individu. Ze liet na om in plaats van de oude ordening een nieuw moreel kader te bieden. En dat terwijl de vrijheid pas floreert bij elegante terughoudendheid en andere deugden.

Mensen voor wie de last van de vrijheid moeilijk te dragen is, maken die vrijheid te schande. En de last is zwaar. Het ideaal van authenticiteit stelt hoge eisen aan het autonome individu. Menig gebruiker van de vrijheid is niet goed uitgerust. Wie de Mount Everest op wil zonder stijgijzers, loopt grote kans te verongelukken. Iemand die in de hoogste sferen van persoonlijke vrijheid te weinig mentale en morele bagage heeft, verziekt de sfeer. Maar anders dan op de Everest sneuvelt niet om te beginnen hijzelf. Allereerst gaat de vrijheid van een ander eraan.

Naarmate meer mensen zijn voorbeeld volgen — en dat gebeurt doorgaans omdat de moraal stroomt naar het laagste punt waar het oneerlijk voordeel van de spelbederver wordt opgeheven — verliest de samenleving haar aanleg voor vrijheid en welvaren. Wanneer grootverdieners de berichten over mensonwaardige zorg alleen verstaan als motivatie om voor zichzelf een betere toekomst veilig te stellen, dan is samen leven een noodzakelijke voorwaarde kwijt.

Nu tonen zich de sporen van een gesloten, minder vrije en op den duur minder welvarende samenleving. Daarvoor mogen we ons niet ziende blind houden. We moeten juist verschrikkelijk goed kijken. En we moeten werk maken van onze innerlijke ontwikkeling, van karakter.

Vrijheid en welvaart blijken gefundeerd in een ingewikkelde paradox: in de samenleving die werkelijk vrij is, verstaan de leden de kunst van de zelfbeperking. De stijgijzers voor de hoogste regionen van de vrijheid vinden we allereerst in de vier klassieke deugden: wijsheid, rechtvaardigheid, zelfbeheersing en moed. Om het ideaal van de jaren zestig — zoals uitgedragen door links-liberalen als Femke Halsema — te redden, zullen we conservatieve denkers als Andreas Kinneging en Ad Verbrugge om spullen uit hun gereedschapskist moeten durven vragen.

Wie de vrijheid lief is, moet zich nu de deugden toe-eigenen, ze heroveren op (bijna altijd) mannen die met het autonome, vrije individu weinig op hebben. De blik moet ook naar binnen om te zien hoe moeilijk de vrijheid is. Voor de noodzaak tot ontwikkeling moeten we niet meer alleen naar Afrika kijken.

***

Dit essay is gebaseerd op:

Ziende blind in de sauna,

Hoe onze politiek, economie en cultuur ‘Afrikaanse’ trekken krijgen

Marcia Luyten

Uitgeverij Lemniscaat 2008