Stille Apartheid in Rwanda, Vrij Nederland 26 juni 2009

ALS WE OVER PLANKEN GLAD VAN NATTE MODDER Oeganda uit glibberen, geeft Madeleine (57) me ter ondersteuning haar hand. Ze is Rwandese, maar twee van haar kinderen studeren in de Oegandese hoofdstad Kampala. Na een bezoek aan hen lift ze mee naar Kigali, terug naar huis.
We komen aan bij de Rwandese grenspost op asfalt, strak en aangeveegd. De straten met kraters liggen achter ons. Deze week zal ik cruisen over spiegels van wegen, met plantsoenen vol bloemen en een stoep voor de voetgangers. Dit is brave new Rwanda.
Rwanda is een land aan kant. In alle klinieken zijn dokters en medicijnen. Die behandelen de armen voor tien procent van de kosten. Schoolklassen hebben stoelen, banken, boeken en zelden meer dan vijftig kinderen. Brommertaxichauffeurs zijn gekleed in het groen, met een nummer op hun jas en helmen – ook een voor de passagier. Autowrakken mogen de weg niet op en mensen zonder schoenen de stad niet in. Plastic zakjes zijn verboden, net als de straatverkoop van het maakt niet uit wat.
‘Geen Corruptie’ zegt de badge op het politie-uniform. Totem van de nieuwe tijd: de rust, reinheid en regelmaat van een nieuwbouwwijk met twee onder een kap achter gazon en geschoren heg.
Opruimen, ordenen, Rwanda is er een kei in.
Net voorbij de grens staan we stil om een voor Rwanda verplichte autoverzekering te kopen. Dan stapt een groep mannen op Madeleine af. Onze radio moet uit. Het is de tweede week van april, week van rouw, en muziek is verboden. ‘Rijden,’ sist Madeleine, ‘voordat we worden opgepakt.’

ARM VOOR ARM
Je zou bijna vergeten dat nog maar vijftien jaar geleden buren hier buren met een kapmes hebben afgeslacht. Dat baby’s met hun hoofd tegen een muur werden doodgeslagen. Dat vrouwen moesten toekijken hoe hun geliefden heel langzaam, arm voor arm, been voor been, in stukken werden gehakt, voordat ze zelf met hiv werden besmet. In het nieuwe Rwanda moet je jezelf helpen herinneren dat hier in honderd dagen tijd meer dan achthonderdduizend mensen zijn doodgemarteld.
Aangevoerd door Hutu-extremisten, ondersteund door miljoenen supporters, hebben meer dan een miljoen Hutu’s geprobeerd hun Tutsi-landgenoten uit te moorden. Het Tutsi-rebellenleger Rwandees Patriottisch Front (RPF) van de huidige president Kagame, dat sinds 1990 een guerrilla voerde tegen het Hutu-regime in Rwanda, stopte uiteindelijk de genocide.
Aan het einde van die honderd dagen tussen 6 april en 16 juli 1994, vluchtten Madeleine en haar vier kinderen met een miljoen andere Hutu’s naar Congo. Ook wie niet had meegedaan aan de moordpartijen was bang voor het oprukkende RPF.
Twee jaar woonde Madeleine in wat op de Neder-landse televisie ‘de hel van Goma’ was gaan heten. Net over de grens met Congo zaten daar ruim een miljoen Hutu’s in overvolle kampen waar de ene besmettelijke ziekte na de andere een slagveld aanrichtte. De kopstukken van de genocide zaten ook in die kampen. Verscholen tussen burgers reorganiseerden ze zich, en bereidden ze nieuwe aanvallen op Rwanda voor.
Op zoek naar de daders van de genocide, viel het RPF de vluchtelingenkampen in Goma aan. Toen moest Madeleine opnieuw haar vier kinderen in veiligheid brengen. Tussen de vijf en de elf jaar oud waren ze. Als alpinisten bond Madeleine ze met doeken aan zichzelf en aan elkaar vast. Dat er in die paniek niet eentje is gevallen, noemt ze een wonder.

ONTWIKKELINGSSPRINT
Na zijn morele en fysieke zelfvernietiging stond Rwanda voor de opdracht zichzelf opnieuw uit te vinden.
President Paul Kagame is geen man van half werk. Met maoïstische ijver bedrijft hij social engineering. Zijn ambitie reikt verder dan een cosmetische operatie. Niet alleen wil hij de hardware van een eerstewereldland, hij probeert ook de software van de bijna tien miljoen Rwandezen te herschrijven.
De woorden Hutu en Tutsi hoor je nergens meer. Die zijn bij wet afgeschaft. In 2001 kreeg het land een nieuw volkslied en een nieuwe vlag. Zes jaar na mijn vorige bezoek aan Rwanda kon ik de landkaart niet meer lezen. Die is in 2006 herschreven. Behalve de hoofdstad Kigali heet alles anders. Een half jaar geleden is het Frans als tweede taal vervangen door het Engels. Op school werd altijd lesgegeven in de nationale taal Kinyarwanda, nu doceren alle leraren in het Engels.
Rwanda’s toekomst heeft een naam: Vision 2020. Het land met hoofdzakelijk kleine boeren die eten wat ze zelf verbouwen, moet over elf jaar een ‘kennissamenleving’ zijn, Afrika’s knooppunt voor ICT. Volgens 2020 moet Rwanda opklimmen naar de klasse van landen met een middeninkomen. Dat is: met een Bruto Nationaal Product (BNP) van tussen de duizend en 4500 dollar per hoofd van de bevolking. Het huidige BNP per capita is 231 dollar – waarmee Rwanda volgens het Human Development Report van de Verenigde Naties nummer zeven is op de lijst van armste landen ter wereld.
In die ontwikkelingssprint kunnen de Rwandezen een voorbeeld nemen aan hun leider. President Kagame werkt de klok rond. Hij leeft sober en gezond, leert gretig, lijkt niet te corrumperen en bestraft ieder ander die het graaien niet kan laten.
Aan afhankelijkheid heeft Kagame de pest. Wester-lingen wier geld komt met ongevraagd advies, ziet hij liever gaan. Als Rwanda’s CEO omringt hij zich met internationale zwaargewichten die hem moeten helpen Rwanda de moderniteit in te loodsen. Tony Blair, Bill Gates, Google-oprichter Larry Page, Harvard-hoogleraar Michael Porter en investeringsgigant Joe Ritchie vonden in Kagame een Afrikaanse leider die serieus is over economische groei.
Geen wonder dat journalisten en diplomaten zich juichend over Rwanda uitlaten. ‘De successen van het land zijn indrukwekkend,’ schreef een lovende Volkskrant. Over de jaren na de genocide noteert de Nederlandse ambassade in Kigali op haar website: ‘Deze periode overziend, kan men alleen maar onder de indruk raken over wat er in dit relatief kleine Afri-kaanse land is bereikt.’ ‘Investeerders stromen naar Rwanda,’ kopte een Zuid-Afrikaans handelsblad.

VOLKSTRIBUNALEN
Op de inzet en ordelijkheid mag niet worden afgedongen. Alleen is het imago van ‘het Afrikaanse Singapore’ slechts een van Rwanda’s vele waarheden: het is het verhaal van de stad.
In Kigali wonen de uit de diaspora teruggekeerde Tutsi’s, die nu vijftien jaar de macht hebben. Hun ouders waren in 1959 het massale geweld ontvlucht waarmee Hutu’s zich bevrijdden van eeuwenlange overheersing door de Tutsi’s. De ‘Oegandese Rwandezen’ begonnen in 1990 de burgeroorlog, die uitmondde in de horror van 1994. Nu willen ze niets liever dan vooruitkijken, door de lens van het nieuwe Rwanda.
Het zoeken naar de waarheid over de genocide, het herbegraven van slachtoffers, het berechten van daders, het bepalen wie de rechtmatige eigenaar is van een stuk land; het heeft jaren en sloten energie gekost. Sinds 2001 zitten alle Rwandezen één dag per week op een gacaca (zeg: gachácha), ‘grasveld’ in het Kinyarwanda. In deze volkstribunalen worden verdachten van genocide berecht, anderhalf miljoen tot nu toe. Het gros van de veroordeelden is intussen weer vrij, zeker als ze (een deel van) hun daden hebben opgebiecht en de slachtoffers om vergeving hebben gevraagd. Dan kregen ze forse strafvermindering. Er zijn nog een paar duizend dossiers over. Volgens de minister van Justitie kan gacaca en daarmee de genocide deze maand worden afgesloten.
Buiten de stad, in de heuvels, heeft Rwanda een andere geschiedenis. Keurig is het er ook, maar de glans van Kigali ontbreekt. Hier wordt honger verborgen.
De grond geeft steeds minder te eten. Bracht een hectare land zeven jaar geleden nog twintig ton aardappelen op, vandaag is dat minder dan de helft. Tegelijkertijd steeg de groei van de bevolking van 1,1 naar 2,8 procent. Hier krijgen veel kinderen eens in de twee dagen te eten. Hoewel het percentage mensen beneden de nationale armoedegrens van 1,22 dollar per dag iets daalde (van zestig procent in 2001 naar 56,8 procent in 2006), zijn er als gevolg van die bevolkingsgroei ruim een half miljoen meer armen. Bijna vijf miljoen mensen op het platteland leven van minder dan 44 dollarcent per dag.

GELD BLIJFT IN KIGALI
De bedrijvigheid van Kigali ontbreekt op het platteland helemaal. Op en langs de weg is het levendig als op een begraafplaats. Tussen Rwanda’s eerste en tweede stad passeer ik een vrachtwagen met koeien en een truck vol lokaal gebrouwen Heineken, verder meandert mijn jeep sereen door de zachte heuvels. Als de cijfers kloppen en Rwanda in 2008 een economische groei boekte van 7,5 procent, dan is die alleen in de hoofdstad gerealiseerd. Geld blijft hangen in Kigali, of het nu komt van donoren of van – volgens sommigen – in Oost-Congo geroofde mineralen. Daar zijn de afgelopen zes jaar nieuwe winkelcentra, kantoren, woonwijken en flats gebouwd. Groei is grote projecten. De informele economie is illegaal.
Regels en voorschriften zijn talrijk, de belastingdienst is volgens een buitenlandse bankier ‘agressief’. Als er al sprake is van een ‘stroom aan investeringen’, dan gaat die ook de andere kant op: weg uit Rwanda. Shell is vertrokken. Investeringsgroep Dubai World heeft zijn megaplannen laten varen.
Terug naar het verhaal van het platteland. Terwijl Paul Kagame zijn kaarten zette op technologie, vielen ‘de heuvels’ – zoals Rwandezen alles buiten de stad noemen – buiten zijn gezichtsveld. Uitputting van de grond dwong hem pas tot landbouwpolitiek. Sinds kort komen uit de hoofdstad ook voorschriften met betrekking tot het cultiveren van de velden. Boeren kunnen met subsidie kunstmest kopen. FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN, leerde Rwandezen de opbrengst van hun grond meer dan te vervijfvoudigen.
Mensen moeten hun kleine stukjes land samenvoegen tot één akker. Waar eerst ieder zijn eigen sorghum, cassave en bonen teelde, staat nu vooral maïs. Een groot succes is het nog niet. Omdat in de overgang van autarkie naar commerciële productie de voedselvoorziening wegvalt, eten sommige boeren in arren moede de uitgedeelde zaden op.
Met een lege maag is het lastig dromen van een kennissamenleving. En in de klas moet de meester zijn leerlingen onderwijzen in een taal die ze geen van allen verstaan. Daardoor is het niveau dramatisch gedaald. Volgens de bekroonde Rwandese journalist Shyaka Kanuma heeft Rwanda nu zelfs ‘het slechtste onderwijs ter wereld’.

ZONDER ENGELS GEEN BAAN
En daar manifesteert zich een derde werkelijkheid: die van de Franstaligen. Elke Rwandees spreekt Kinyarwanda. Afhankelijk van waar iemand zich vóór de genocide bevond, is zijn tweede taal Engels of Frans. Alle Hutu’s en de Tutsi’s ín Rwanda: Frans. De teruggekeerde Tutsi’s die ooit vluchtten naar Congo of Burundi: ook Frans. Maar de enkeling die in Noord-Amerika woonde spreekt Engels. En de omvangrijke Tutsi-gemeenschap die dertig jaar lang in Oeganda zat. Uit haar gelederen verrees het RPF, dat in 1990 zijn invasie begon op het door Hutu-president Habyarimana geleide thuisland.
Taal werd politiek. Ook na de onafhankelijkheid in 1962 bleef Rwanda sterk op België maar ook op Frankrijk gericht. In een negentiende-eeuws verlangen om Franstalig Afrika onder Franse invloedssfeer te houden (het RPF sprak Engels), gaf Frankrijk niet slechts steun aan de Hutu-machthebbers die de genocide organiseerden, het ging veel verder. De Fransen deden actief aan de genocide mee, concludeert zowel de Amerikaanse journalist Andrew Wallis, in het boek Silent Accomplice, als een Rwandese onderzoekscommissie.
In 1992 trainde Frankrijk de Interahamwe. Die milities gingen twee jaar later voor in de massaslachtingen. Frankrijk heeft het Rwandese leger bewapend – ook toen er een VN-embargo gold, en geassisteerd. Volgens Wallis en het Rwandese onderzoeksrapport hebben Franse soldaten Tutsi’s vermoord en overlevenden verkracht. Dat het Franse leger bovendien met ‘Operatie Turquoise’ een cordon vormde waarachter Hutu-daders veilig konden wegkomen naar Goma, is in de internationale gemeenschap weinig omstreden.
Een Franse onderzoeksrechter beschuldigde op zijn beurt president Kagame van het neerschieten van het vliegtuig van president Habyarimana – voor de Hutu’s het startsein voor de genocide. Na dat Franse onderzoeksrapport verbrak Rwanda eind 2006 de diplomatieke betrekkingen met Frankrijk. Het is nu lid van de Britse Commonwealth.
Van Frans naar Engels is dus een zet in het positiespel van de internationale betrekkingen. In Rwanda zelf bevestigt en versterkt het Engels de machtspositie van de in Oeganda opgegroeide Tutsi’s. Zonder Engels geen baan.

BESPOTTE WEDUWEN
De scheidslijnen in Rwanda – stad versus platteland en Engels versus Frans – vallen veelal samen. De eerste rijk, de tweede arm. En de kloof tussen die twee wordt groter. Was Rwanda in de jaren tachtig een land met kleine inkomensverschillen, vandaag hoort het bij de vijftien procent landen met de grootste afstand tussen arm en rijk. En die breuk correspondeert weer in hoge mate met de scheiding tussen Tutsi’s en Hutu’s. Zo streng als het verbod is op praten over etniciteit, zo virulent zijn die categorieën in het sociale en politieke verkeer.
Er is overigens één groep die zich niet voegt in het sjabloon van Rwanda’s schizofrenie: de rescapés, de overlevenden van de genocide die in de heuvels wonen. In 1959 en ook in 1973, toen opnieuw tienduizenden Tutsi’s werden gedood, zijn zij gebleven. Ze verdroegen de Hutu-dominantie die hen lange tijd uitsloot van onderwijs en goede banen – zoals Tutsi’s eerder Hutu’s discrimineerden. In 1994 werden zij op zo’n driehonderdduizend mensen na uitgemoord.
Echtgenoten en (de meeste van hun) kinderen werden voor hun ogen afgemaakt. Hun vee gestolen, hun huizen ingepikt of afgefikt. Armoede is ook: niemand hebben die het land voor je kan bewerken. De rescapés, bijna allemaal weduwen, leven nu tussen de vrijgekomen daders van toen. Ze vormen een kleine minderheid tussen de beulen van hun gezin. Dat valt ze zwaar. De kleine spotternijen van de buren zijn als een gesel, vertelt een groep vrouwen in Ntongwe.
In de stad claimen politici dat etniciteit vervaagt. ‘Nog een jaar of tien, en het speelt geen rol meer,’ zegt minister van Justitie Tharcisse Karugarama. Het leven in de stad geeft alle reden daarin te geloven. De kans op wrijving neemt af naarmate er minder Hutu’s rondlopen.
Het is een observatie waar vooral missionarissen niet geheimzinnig over doen. Veertig jaar woont père Victor al in Rwanda. De laatste jaren ziet hij in Kigali bijna alleen nog ‘langen’ – zoals de paters beladen termen omzeilen. Op billboards in de stad prijken mooie maar lijzige meisjes met slanke neuzen, hoogstwaarschijnlijk Tutsi’s. Madeleine vertelt me over twee Hutu-kennissen die werden geweigerd voor banen achter een balie, soms met de opmerking dat ze ‘voldoende gekwalificeerd, maar onvoldoende representatief’ waren.
Op de flank van Kyovu, Kigali’s centrale heuvel, groeit gras waar tot voor kort de krotten van het stadsproletariaat stonden. Zonder baan en zonder woning rest de ‘korten’ weinig anders dan terug naar de heuvels te gaan. Maar geen Hutu zal hardop klagen over de grove en verfijnde mechanismen van uitsluiting – door de taal, door de welvaartskloof tussen stad en platteland, door de arrogantie van de groep aan de macht, door de voorkeur voor ‘een van ons’. Wie etnische discriminatie benoemt, loopt kans voor jaren te worden opgesloten.

SOVJET-UTOPIE
Hier ontvouwt zich het scenario van Rwanda’s tragedie. De Tutsi’s aan de macht willen een nieuw Rwanda, gezuiverd van het verleden. Door vlijt en toewijding is het fysieke land herrezen naar maatstaven voor orde en netheid die kunnen wedijveren met die van de Sovjet-utopie. Maar voor de psychische, morele en emotionele transformatie verlaat Paul Kagame zich op methoden die juist waarschijnlijk maken wat hij voorgoed wil uitsluiten: nieuw geweld tegen Tutsi’s.
De Tutsi’s zijn beducht voor Hutu-extremisme. Het berouw van menig génocidaire was gemotiveerd door de bonus van strafvermindering die daar op stond. Lees gesprekken met daders en zie hoe moeiteloos Hutu-mannen de beul werden van buren met wie ze tot dan toe moeiteloos hadden samengeleefd.
‘Léopold: “Nu ik vaak doodde, voelde ik dat het me niets deed. Het deed me geen plezier, ik wist dat ik niet gestraft zou worden, ik doodde zonder consequenties, ik raakte er zonder probleem aan gewend. Ik ging elke ochtend vrijmoedig en op mijn gemak van huis, ik had zin om aan de slag te gaan. Ik zag dat het werk en de resultaten goed voor mij waren, dat is alles.
Tijdens het moorden zag ik niet langer iets anders in de Tutsi dan dat die persoon uit de weg moest worden geruimd. Ik wil duidelijk stellen dat ik van de eerste meneer die ik doodde tot de laatste geen enkele spijt heb. (…) Doden was minder vermoeiend dan werken op het land. De werkdag duurde minder lang dan op de akkers.”’
(Uit: Machete Season, boek van de Franse journalist Jean Hatzfeld)
Ook Madeleine, zelf Hutu, zegt dat moorden de Hutu makkelijk afgaat. Dat heeft ze aan den lijve ondervonden. Ze was zeven en de dochter van een lokaal stamhoofd toen er in 1959 moest worden gestemd: voor of tegen de koning, de Mwami. De extremistische Hutu-beweging genaamd Parmehutu wilde van de Tutsi-koning af. Maar de vader van Madeleine had niks tegen de Mwami.
De dag na de verkiezingen liep Madeleine met een mand vol eten op haar hoofd naar het land van haar vader, waar die dag de hele gemeenschap zou helpen bij de oogst. Een menigte mannen kwam haar tegemoet met machetes in de hand. Ze vroegen: ‘Meisje, waar is je vader?’ Madeleine wees ze de richting waarin haar vader net was weggerend. Verderop vonden ze hem, verstopt in de bosjes. Madeleine heeft haar vader nooit meer gezien.

ALLEEN TUTSI-DODEN HERDACHT
De Tutsi’s van vandaag weten dat ze een minderheid zijn van 14 procent tegenover 85 procent Hutu’s. Van die meerderheid zijn er die zeggen dat ze ‘de klus’ zullen afmaken, en de horde is eerder gevoelig gebleken voor hetze. Om die reden houden de Tutsi’s de politie- en legertop liever in ‘eigen’ hand. Haatspraak mag ook nooit meer de geesten van de massa vergiftigen, zoals begin jaren negentig door Radio Télévision Libre des Mille Collines. Om dat te voorkomen is sinds oktober 2008 de wet op Genocide Ideologie van kracht.
Deze wet gaat over ‘gedrag, teksten of andere daden’ die tot doel hebben een bepaalde groep te ‘ontmenselijken’. Niet alleen bedreigingen vallen eronder, ook het ‘marginaliseren’ of bespotten van een bepaalde groep, ‘het verdraaien van bewijs met betrekking tot de genocide tegen de Tutsi’s’ en ‘het zaaien van verwarring met als doel de genocide te ontkennen’.
Een Rwandese pater in het dorp van père Victor zou in deze herdenkingsweek de mis hebben opgedragen aan de slachtoffers van de burgeroorlog met de woorden: ‘Laten we bidden voor alle doden die zijn gevallen tussen 1990 en 1994’. Hij is opgepakt op verdenking van het verspreiden van genocide ideologie. Je mag alleen praten over ‘de genocide’ en Tutsi-slachtoffers. Refereren aan de vele tienduizenden Hutu’s die zijn omgekomen, is goed voor jaren achter tralies.
Hetzelfde geldt voor de misdaden die door het RPF zijn begaan. Daarover is het wettelijk verplicht te zwijgen. Mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch (HRW) bekritiseert de nieuwe wet: ‘Het oneens zijn met de regering of onwelgevallige dingen zeggen, kan gemakkelijk worden uitgelegd als genocide ideologie.’ Om die reden noemt HRW de wet ‘een instrument voor onderdrukking’. Het gevolg is namelijk een land waar iedereen zijn mond houdt.
Madeleine was zeven toen ze voor het eerst vluchtte. Haar eigen dochter was even oud toen Madeleine in 1994 haar kinderen buiten Rwanda in veiligheid bracht. De laatste jaren heeft ze ze alle vier naar het buitenland gestuurd. Twee studeren in Kampala, twee in Europa.
Hoopt ze dat haar kinderen snel weer naar huis komen? ‘Ik bid van niet. Eén keer hebben ze moeten vluchten. Ik hoop nooit meer. Hier in Rwanda is geen toekomst. Ik druk ze op het hart nooit meer naar dit land terug te keren.’ V