Niet alleen Hutu moeten terechtstaan voor moorden, NRC 20 juni 2009

Nederland schaamt zich voor zijn afzijdigheid bij genocide door Hutu’s in Rwanda in 1994. Daarom durft het niet te pleiten voor de berechting van Tutsi’s en Frankrijk, die ook bij moorden waren betrokken.

Vijftien jaar na de massaslachting waarin achthonderdduizend Tutsi’s en gematigde Hutu’s werden vermoord, is er in feite maar één partij in het conflict berecht: de Hutu’s. Het Rwanda-tribunaal – in Arusha, Tanzania – veroordeelde 44 Hutukopstukken. Volkstribunalen in Rwanda hebben 1,5 miljoen verdachten van genocide berecht. Maar volgens het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties, heeft het Tutsileger in 1994 tussen de 25 duizend en 45 duizend burgers gedood. Hoewel onderzocht en gedocumenteerd in onafhankelijke onderzoeken van onder meer de VN, het Rwanda-tribunaal en Human Rights Watch, zijn deze misdaden nauwelijks vervolgd.

Voor gerechtigheid inzake Rwanda’s genocide dringt de tijd. Nu het Rwanda-tribunaal zijn sluitingsdatum van 31 december 2010 nadert, moeten ook de partijen die nog geen verantwoording hebben afgelegd, worden aangeklaagd: Frankrijk, dat de Hutu’s actief heeft geholpen bij het uitvoeren van de genocide tegen de Tutsi’s. En hoge Tutsimilitairen van de partij van president Paul Kagame. Het Rwandees Patriottisch Front van de Tutsi’s dat in 1994 de genocide stopte, heeft in zijn opmars in 1994 oorlogsmisdaden begaan.

Wat een verschil met het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag. Daar zijn wel alle betrokken partijen berecht. Daar verschijnen Serviërs, Kroaten en moslims voor de rechter. Het tegengaan van overwinnaarsrecht door misdaden van alle partijen te vervolgen, is dan ook een fundamenteel principe voor tribunalen net als voor het Internationaal Strafhof in Den Haag.

De Kroatische en Servische regeringen hebben zich eerst jarenlang tegen het Joegoslavië-tribunaal verzet. Totdat de Europese Unie toetreding tot de EU afhankelijk maakte van samenwerking met het Strafhof. De arrestatie van Slobodan Milosevic in 2001 bewees dat het voorheen obstinate Servië om was. Gingen een jaar eerder verdachten van oorlogsmisdaden ongehinderd uit eten in de beste restaurants van Belgrado, na de arrestatie van de voormalige president sloot het net van het Joegoslavië-tribunaal zich om hen heen. Verdachten doken onder. Eentje begon een nieuw leven als druïde.

Maar bij het Rwanda-tribunaal, zijn niet alle betrokken partijen gelijk behandeld. De Franse oud-premier Édouard Balladur heeft nooit een baard hoeven laten staan. Net zomin als de toenmalige legertop van Kagame’s rebellenleger een ondergronds bestaan leidt. Al is er voldoende bewijs dat Frankrijk meer dan medeplichtig is aan genocide, voor het Rwanda-tribunaal is Frankrijk nooit behandeld.

Misdaden begaan door het Tutsileger van Kagame, zijn wel door het Rwanda-Tribunaal onderzocht. Dat deed toenmalig hoofdaanklager Carla del Ponte, (tegelijkertijd hoofdaanklager van het Joegoslavië-tribunaal), tussen 2000 en 2002 in de zogeheten special investigations. Maar uit woede over die onderzoeken heeft de Rwandese regering het Rwanda-tribunaal helemaal lamgelegd.

In 2002 verbood ze overlevenden van de genocide nog naar Arusha te reizen om te getuigen in lopende zaken – ook toen dat alle processen tegen Hutuverdachten frustreerde.

Die ‘getuigencrisis’ heeft maanden geduurd. Pas nadat de Verenigde Staten achter gesloten deuren druk uitoefenden, liet de Rwandese regering overlevenden weer naar Arusha gaan. Maar volledige medewerking aan zaken tegen Tutsiofficieren is nooit afgedwongen.

Volgens Victor Peskin, expert in internationale strafhoven en auteur van het vorig jaar verschenen International justice in Rwanda and the Balkans, heeft de internationale gemeenschap „nauwelijks druk uitgeoefend op Rwanda om volledig mee te werken aan het tribunaal”.

Volgens Peskin kwam de Rwandese regering ook niet in diskrediet door het saboteren van het tribunaal. Het tegendeel gebeurde. Het Rwanda-tribunaal dat al een imagoprobleem had door administratieve schandalen, zijn tergend trage voortgang en onheuse bejegening van getuigen, werd door de Rwandese regering dusdanig zwartgemaakt dat Carla del Ponte in 2003 haar ontslag moest aanbieden.

Daarna zijn misdaden door het Rwandees Patriottisch Front van de Tutsi’s ook nooit meer behandeld.

Internationale strafhoven hebben zelf niet de macht om iets af te dwingen. Alleen wanneer spelers in de internationale gemeenschap politieke en economische macht aanwenden, kunnen staten worden gedwongen mee te werken aan een internationaal strafhof. Nederland, trots gastheer van het internationaal recht, heeft dat goed begrepen. Samen met België is Nederland het enige EU-land dat vasthoudt aan de eis dat Servië eerst Mladic moet uitleveren, voordat het Stabilisatie- en Associatie Akkoord kan worden ondertekend.

De passiviteit die de internationale gemeenschap aan de dag legt bij het Rwanda-tribunaal, staat volgens Peskin ‘in schril contrast’ met haar benadering van het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag. Waarom zet Nederland geen machtsmiddelen in voor gerechtigheid in Rwanda? Waarom niet alle partijen die in 1994 strijd leverden, gelijkelijk laten berechten?

Waar het gaat om Rwanda’s huidige regeringspartij, zijn er drukmiddelen genoeg. Met 300 miljoen dollar hulp per jaar komt ongeveer de helft van Rwanda’s begroting van westerse donoren.

Nederland heeft uitstekende papieren om daarin het voortouw te nemen. Vanwege zijn historisch neutrale positie. Vanwege de belangrijke steun die de toenmalige minister voor Ontwikkelingssamenwerking Jan Pronk (PvdA) direct na de genocide aan de Rwandese regering gaf. Vanwege de 36,5 miljoen euro die Nederland dit jaar via zijn ambassade aan Rwanda overmaakt.

Waarom heeft de Nederlandse regering binnen de Verenigde Naties, bilateraal of langs andere wegen geen druk uitgeoefend op het Rwanda- tribunaal om zaken tegen Tutsiofficieren te vervolgen?

Het ministerie van Buitenlandse Zaken antwoordt per e-mail: „Nederland respecteert de onafhankelijkheid van internationale strafhoven en oefent geen druk uit op hun vervolgingsbeleid. Het staat het Rwanda-tribunaal geheel vrij om zelf het eigen vervolgingsbeleid vast te stellen, en daarin prioriteit te verlenen aan bijvoorbeeld genocide-misdrijven.”

Waarom heeft Nederland het Rwanda-tribunaal anders benaderd dan het Joegoslavië-tribunaal? Hulpgeld had afhankelijk gemaakt kunnen worden van Rwanda’s volledige samenwerking met het tribunaal. In zijn uitgebreide antwoord, benadrukt het ministerie van Buitenlandse Zaken dat „Nederland geen primaire rol [heeft] in de monitoring van de samenwerking van Rwanda met het Rwanda-tribunaal”. Beide strafhoven zijn immers suborganen van de VN-Veiligheidsraad. Het ministerie schrijft: „Nederland heeft nooit een koppeling willen leggen tussen samenwerking met het Rwanda-tribunaal en de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking, zoals dat elders ook niet het geval is (!).”

Ontwikkelingsgeld is dan misschien niet eerder gebruikt als wortel voor samenwerking met een internationaal strafhof, lidmaatschap van de EU – en de daarbij behorende financiële en economische voordelen – wel, juist door Nederland.

Het klopt dat internationale strafhoven vrij zijn hun vervolgingsbeleid vast te stellen. Maar Carla del Ponte wilde wel degelijk misdaden van het Rwandees Patriottisch Front vervolgen. Zij wist dat het tribunaal anders overwinnaarsrecht zou leveren, en dat zou haar eigen legitimiteit en die van het tribunaal ondermijnen. In plaats van dat de internationale gemeenschap Rwanda dwong mee te werken aan alle zaken, opdat het tribunaal zijn eigen vervolgingsbeleid kon uitvoeren, kon Del Ponte een totale catastrofe alleen voorkomen door de zaken tegen Tutsiofficieren te laten zitten en, uiteindelijk, in 2003, zelf op te stappen.

Een van de betrokken partijen die zelf buiten schot blijft, maakt wel graag werk van de vervolging van Tutsi’s: Frankrijk. Op basis van een omstreden rapport van de Franse onderzoeksrechter Bruguière, zijn kopstukken uit het Tutsileger van Paul Kagame aangeklaagd voor het op 6 april 1994 neerschieten van het vliegtuig met daarin de toenmalige Rwandese president Habyarimana, een Hutu. Die aanslag was het startsein voor de genocide tegen de Tutsi’s.

Voor een dergelijke vervolging is Frankrijk de minst geschikte, want allesbehalve neutrale, partij. Habyarimana’s vliegtuig werd weliswaar gevlogen door Franse piloten – het argument waarmee Frankrijk zijn bemoeienis legitimeert – maar Frankrijk had zelf een belangrijk aandeel in de genocide.

Vanaf de eerste aanval van Paul Kagame’s rebellenleger, op 1 oktober 1990, tot ver nadat Kagame in juli 1994 de macht overnam, is de extremistische Huturegering gesteund door president Mitterrand. Het boek Silent Accomplice van de Amerikaanse journalist Andrew Wallis geeft een verbijsterend verslag van de Franse aanwezigheid in Rwanda.

Krampachtig verlangend la Françafrique te behouden, stuurde Frankrijk veel geld, militaire instructeurs, soldaten, radio’s, voedsel en wapens in alle soorten en maten – die werden aangevoerd ook toen er een VN-embargo gold. Tussen 1990 en 1994 trainden en bewapenden Franse militairen de Interahamwe, de latere moordcommando’s, terwijl de Franse regering in 1990 al was gewaarschuwd voor een genocide. Alles wijst erop dat wanneer Frankrijk het gammele Rwandese regeringsleger na 1990 niet had getraind, ondersteund en bewapend, de uit Oeganda terugkerende Tutsi’s in een mum van tijd de macht hadden overgenomen.

Toen de genocide begon evacueerde Frankrijk Hutukopstukken naar Parijs. In de internationale gemeenschap lobbyde Frankrijk voor ‘de legitieme Rwandese regering’.

Opmerkelijke details: op 10 april 1994 vraten de straathonden van Kigali aan lijken die overal lagen. Diezelfde dag installeerde de Franse ambassadeur in de Franse ambassade de nieuwe Rwandese interim-regering: de Hutuextremisten die bezig waren een deel van de eigen bevolking systematisch uit te roeien. De genocide was al weken onderweg, naar schatting 200 duizend mensen waren gedood en de massaslachtingen werden internationaal bekend, toen Parijs leden van de interim-regering ontving met een rode loper, onder wie de in 2003 door het Rwanda-tribunaal tot levenslang veroordeelde Jean-Bosco Barayagwiza.

In Silent Accomplice staan getuigenissen van wapenleveranties, Franse soldaten die overlevenden ‘beschermden’ – als seksslaaf. Interahamwe-soldaten die vertellen hoe ze advies kregen van de Fransen: lijken moesten ze niet open en bloot lagen liggen, dat zouden satellieten zien en dan waren in het Westen de rapen gaar. Ze moesten ze in het Kivumeer gooien. Maar niet voordat ze de buik opensneden. Anders kwamen die lijken bovendrijven. De Fransen deden voor hoe het moest.

Er zijn verschillende onderzoeken geweest naar Frankrijks rol in de genocide. Het Franse parlement onderzocht in 1998 Frankrijks militaire interventie tussen 1990 en 1994. Het onderzoek werd geleid door Mitterrands voormalig minister van Defensie, Paul Quilès. Die hoorde 88 getuigen. Niet één onder ede. Wanneer gewenst, achter gesloten deuren. Conclusie: „Frankrijk heeft de Rwandese genocide niet geholpen.”

De Organisatie voor Afrikaanse Eenheid (nu Afrikaanse Unie) liet een internationaal panel van deskundigen een rapport opstellen. Dat concludeerde in 2000 dat de Franse regering „onbetwiste invloed had op het allerhoogste niveau van de Rwandese regering en het leger. Ze waren in een positie om te eisen dat aanvallen op Tutsi’s werden gestopt, en ze hebben ervoor gekozen die invloed nooit aan te wenden.”

Het meest uitgebreide onderzoek naar de Franse betrokkenheid bij de genocide deed de Rwandese regering. Het vijfhonderd pagina’s tellende Mucyo-rapport werd in het najaar van 2008 openbaar gemaakt. Gestaafd met veel getuigenissen, wordt hetzelfde beeld geschetst als in Silent Accomplice. Rwanda noemt 33 Franse politici en militairen die terecht zouden moeten staan. Frankrijk onthield zich van commentaar, behalve dan dat het rapport ‘partijdig en niet onafhankelijk’ was.

Dat is het natuurlijk ook niet. Het is net zo partijdig als de rapporten van Bruguière en Quilès, al was dat laatste heel wat minder volledig. Frankrijk en Rwanda zijn hier als twee slagers die hun eigen vlees keuren. Waarom is na vijftien jaar en steeds meer belastende informatie de Franse medeplichtigheid aan genocide nooit onderzocht door een onafhankelijke partij? Waarom heeft Frankrijk nooit voor een onafhankelijk orgaan verantwoording hoeven afleggen? Dat zou, behalve voor het Rwanda-tribunaal, ook kunnen voor het Internationaal Gerechtshof in Den Haag.

In antwoord op de vraag waarom EU- en NAVO-lid Frankrijk geen verantwoording hoeft af te leggen over zijn rol in de genocide, spreekt het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken over een ‘Rwandees-Frans’ probleem. „Een al dan niet actieve rol van de internationale gemeenschap of Nederland in dit Rwandees-Franse probleem zal afhankelijk zijn van eventuele concrete juridische stappen of (rechtshulp)verzoeken van Rwanda of Frankrijk.”

Dat het Rwanda-tribunaal nooit over de rol van Frankrijk heeft gesproken is op zichzelf al reden voor onderzoek. Tot zolang blijven twee vermoedens in de lucht hangen. Allereerst dat verantwoording afleggen over ernstige mensenrechtenschendingen minder nodig is wanneer een land de machtsmiddelen heeft om iedereen die de misdaad aanhangig wil maken, af te kopen of te chanteren. In die strijd laten we Rwanda in de kou staan.

Het tweede vermoeden is dat mensenrechtenschendingen minder zwaar tellen in zwart Afrika. Hoe hadden wij op Frankrijk gereageerd wanneer dezelfde feiten op tafel lagen, maar dan gesitueerd in Bosnië-Herzegovina?

En waarom laten we bij het Rwandees Patriottisch Front na wat we in voormalig Joegoslavië wel met machtsvertoon eisen: berechting van alle partijen. Het antwoord laat zich makkelijker raden. Uit schaamte over onze passiviteit tijdens de genocide, binden we in tegenover Kagame en de zijnen. Alleen dreigen we daar opnieuw een stinkende wond achter te laten.

Uit de straffeloosheid die rest, groeit nieuw geweld. Zo gaat dat in Rwanda al honderd jaar. De slachtoffers van gisteren zijn de daders van morgen. Hutu’s lopen nu met het hoofd gebogen, net als vóór 1959, toen de Tutsi’s de heersende klasse waren. Onevenredig veel goede banen en machtsposities gaan nu aan hen voorbij. Voor Hutudoden komt geen gerechtigheid. En dus voelen de daders van 1994 zich slachtoffer.

Voor een getormenteerd land is overwinnaarsrecht zo heilzaam als een fles schnaps voor een alcoholicus. En daar laten we Rwanda opnieuw stikken. Want nu wordt iemand met zijn alcoholprobleem en een krat sterke drank in een donker hoekje weggestopt. De meerderheid van de Rwandese bevolking voedt zichzelf met het idee slachtoffer te zijn van overwinnaarsrecht.

Het tribunaal dat de straffeloosheid van zowel Frankrijk als de huidige machthebbers in Rwanda kan opheffen, bestaat nog even. Voor rechtszaken lijkt het mandaat van het Rwanda-tribunaal verlengd tot 31 december 2010. Voor hoger beroep is het tribunaal langer open, waarschijnlijk tot 2013. Op 4 juni bleek in de VN-Veiligheidsraad in New York dat de opvolger van Carla del Ponte, Hassan Jallow, geen plannen heeft om vergeldingsacties door Tutsi’s te vervolgen. Deze dossiers die volgens sommigen kant en klaar zijn, blijven in een diepe la liggen.

Toch verdient Rwanda gerechtigheid. Daarvoor moet Frankrijk voor een internationaal strafhof worden gedaagd. En daarvoor moeten ook Tutsiofficieren zich verantwoorden voor wraakacties tegen Hutu’s. Juist na onze onvergeeflijke nalatigheid in 1994, verdient Rwanda onze grootst mogelijke inspanning om die rechtvaardigheid te realiseren.