# 61 Hiphop in Kampala

Wanneer Abramz op het podium staat, is het niks poppin whielies on my Kawasaki. Hij rapt over de moed om eerlijk en oprecht te zijn. Bajesklanten en straatschoffies doen mee.

In het bedompte donker zitten duizenden tieners. De bas is vet en zo ook de hiphop, maar in de zaal blijven de pubers onbeweeglijk in hun stoelen. Ze klappen en heel soms joelen ze, terwijl ze kijken naar de battles op het podium. Daar tollen, springen en swingen breakdancers langs elkaar heen.

Dit publiek kent hiphop niet van MTV. De jongeren zijn het negatief van blingbling, dragen plastic teenslippers en vale kleren; de geur van oud zweet in ongewassen goed verraadt verzamelde armoede.

Van over de hele wereld haalde Abramz dansers naar Oeganda. Het publiek kwam vooral uit de sloppenwijken van Kampala, want daar ligt zijn werkterrein: Hiphop for Social Change.

De rap en breakdance hebben zijn leven gered, zegt hij zelf, dus waarom niet ook dat van anderen? Een dag later neemt Abramz een van zijn pupillen mee naar het barretje waar we hebben afgesproken – als bewijsstuk.

Abramz zelf was wees op zijn zevende. De tante die voor hem zorgde ging dood, waarna hij met twee broers en een zus een kamer in een sloppenwijk betrok. Hun oma betaalde de woonruimte. Voor eten, kleren en schoolgeld moesten ze zelf zorgen.

Maar wie moet werken voor zijn schoolgeld kan niet naar school. Hoe kom je op je zestiende aan geld? “Met geweld. Bij ons op straat ging het erom dat je durfde jatten. Laten zien dat je een man bent.” Abramz en zijn broer pakten een microfoon. “Okay, laat maar zien dat je een man bent dan. In een rap. Met een goeie downrock” – het acrobatisch dansen met handen en voeten aan de grond. De broers hadden nooit gedacht dat iemand ze zou betalen voor wat ze al jaren voor de lol deden.

Nu verdienen ze de kost met sociaal wenselijke boodschappen. Op het podium niks fuck da Prada bitches, niggas en poppin whielies on my Kawasaki. Maar teksten tegen misdaad, huiselijk geweld en onveilige seks. Over trouw zijn aan jezelf en elkaar helpen. In de slums waar Abramz gratis workshops geeft, gaat het erin als Gods woord in een ouderling. Zijn leerlingen leren al rappend en dansend ‘zichzelf te laten zien’. Niet met alcohol, drugs of wapens. Abramz vraagt ze: ‘Waar sta jij voor?’ Als tegenprestatie zetten ze in hun eigen buurt clubs geëngageerde hiphop op.

Ook Douglas is een teacher. Hij is pas dertien, maar heeft een groep van tien straatkinderen die hij onderricht. In de jeugdgevangenis ontmoette hij Abramz toen die er een raples gaf. Eenmaal vrij ging Douglas naar hem op zoek. Drie keer per week komt hij nu voor rap en battle. Op school gaat het geweldig. En zijn vader, die hem eerder het huis uit gooide? Douglas, zonder podium klein en verlegen: “He loves me now”.

**

Hiphop in Kampala verscheen in De Pers van 5 februari 2009