Het grote verhaal over ontwikkelingssamenwerking is klein, Waterstof en IS, sept en okt 2008

In de sloppenwijk Banda is Marleen een searcher zoals William Easterly dat voor ogen heeft. Daar krijgt ontwikkelingssamenwerking de pragmatiek en duurzaamheid die ze nodig heeft.

Het grote verhaal over ontwikkelingssamenwerking moet klein beginnen, in Banda, sloppenwijk van Kampala. Daar werkt een Amsterdamse antropologe van 27. Twee jaar geleden stopte ze haar postdoctorale opleiding ontwikkelingsstudies, om het leven aan Afrika’s onderkant van dichtbij mee te maken. Ze hielp een groep vrouwen een zelfhulpgroep op te richten. Etnisch en religieus is Banda een mengelmoes. Wat de vrouwen delen is het moederschap, kostwinnerschap en de armoede.

Bijna alle vrouwen drijven handel. Margareth koopt bananen en tomaten op een grote markt en verkoopt die in Banda. Harriet naait op een trapnaaimachine kinderkleren die ze op de markt aan de man brengt. Joy heeft een winkeltje met zoete broodjes en Fanta. De vrouwen hebben een besteedbaar inkomen van respectievelijk 14, 28 en 105 euro per maand.

De meeste vrouwen in Banda leven rond de armoedegrens van 1 dollar per dag. Daarvan kunnen ze niet sparen om te investeren, bijvoorbeeld in een pan voor het roosteren van maïskolven die ze op straat verkopen.

Marleen werkt niet voor een organisatie. Ze bracht geen geld mee. Ze is zelf haar enige instrument. Dat zet ze in om te helpen met vragen waar de vrouwen niet uitkomen. De Amsterdamse leefde mee in Banda, sprak alle vrouwen apart en elke zondag gezamenlijk in de groep. Samen inventariseerden ze voor welke problemen de vrouwen een oplossing zochten: 1. Een netwerk waardoor ze elkaar bij problemen kunnen bijstaan. 2. Een collectief spaarsysteem waaruit ze om beurten geld krijgen voor een investering. 3. Een craft, een vaardigheid waarmee ze meer geld verdienen dan met de in- en verkoop van marktwaar.

Een half jaar na haar komst telt de groep 60 vrouwen. Ze hebben een manier ontwikkeld om elkaar mentaal en materieel te helpen. Zo storten ze wekelijks een klein bedrag in een noodfonds. Wie een ziek kind heeft, kan voor de behandeling geld krijgen. Ook hebben de vrouwen een collectieve spaarkas. Inleg is naar draagkracht – 1000, 2.000 of 5.000 Ugandese Shilling (0,40, 0,80 of 2 euro) per maand. Om beurten krijgen de vrouwen naar rato de pot. In augustus was het feest in Banda. Met drums en dansers verkochten de vrouwen hun eerste collectie manden. De winst per stuk: 3000 Shilling, bijna anderhalve euro.

Marleen is wat William Easterly een Searcher noemt in zijn veelbesproken boek The White Man’s Burden: Why the West’s Efforts to Aid the Rest Have Done So Much Ill and So Little Good. Met zo veel mogelijk kennis van binnenuit helpt ze oplossingen te vinden voor problemen waar de Oegandese vrouwen zelf wat aan willen doen. Dat begint met goed kijken en luisteren. Daarna uitproberen wat wel werkt en wat niet, om tussendoor steeds de koers bij te stellen. Alleen zó, zegt Easterly, kun je in de weerbarstige, complexe werkelijkheid iets ten goede veranderen.

De aanpak van Marleen staat haaks op de vorm van ontwikkelingssamenwerking die de afgelopen tien jaar domineerde: ambitieuze plannen in grand design. Neem de Millennium Development Goals met grote financiële overdrachten aan regeringen met ‘goed bestuur’ – de zogenaamde begrotingssteun. Deze hulp is volgens Easterly kenmerkend voor Planners. Zo begon Marleen zonder geld. Niet alleen omdat ze als vrijwilliger geen middelen heeft, ook uit overtuiging. Als mensen zichzelf helpen is de verandering misschien duurzaam. De grote plannen drijven op groot geld. In 2005 beloofden de rijkste industrielanden de hulp aan Afrika te verdubbelen tot 37 miljard euro per jaar in 2010.

Vervolgens is het werk in Banda is kleinschalig en bescheiden. De MDG’s worden gestuwd door wereldwijde campagnes met Bono, Bob Geldof en ontwikkelingseconoom-met-sterstatus Jeffrey Sachs. Hun inzet: make poverty history. Marleen zoekt maatgesneden oplossingen voor lokale problemen. De receptuur voor MDG’s en begrotingssteun is vaak one-size-fits-all voor verschillende landen op verschillende continenten. De eerste aanpak ontstaat tussen rood stof en stenen krotten. De tweede in luchtgekoelde kantoren in Afrikaanse en Westerse hoofdsteden. Marleens doel – de vrouwen helpen zichzelf te helpen – kent geen vooropgezet plan. Begrotingssteun en MDG’s volgen een Masterplan gestut door ‘logical frameworks’, beoordelingsmemoranda en evaluaties die uiteenlopende indicatoren vaststellen.

De tegenstelling tussen Marleen en de Millenniumdoelen is die van Easterly versus Sachs. In zijn onderzoek naar hoe het kan dat na vijftig jaar goede bedoelingen en 2,3 biljoen dollar hulpgeld, nog steeds miljoenen kinderen in Afrika sterven aan te genezen ziektes als malaria, trekt Easterly graag de vergelijking met hoe de markt werkt.

Wie winst moet maken, zal altijd als een searcher te werk gaan, meent Easterly. Die verlegt onmiddellijk zijn koers als iets anders beter blijkt te werken. In Malawi lukte het pas om armen te laten slapen onder muskietennetten, toen bij de distributie principes uit de vrije markt werden toegepast. Mensen betaalden 50 cent voor een net. De verpleegkundige die ze verspreidde, hield aan elke verkochte klamboe 9 cent over.

Misschien meent publicist Chris van der Heijden daarom dat ontwikkelingssamenwerking met Easterly een omslag maakt naar ‘liberalisme’. (Internationale Samenwerking, juli 2008). Na de christelijke en de sociaal-democratische opvatting van ontwikkelingssamenwerking van bijvoorbeeld Jeffrey Sachs, komt volgens Van der Heijden nu de liberale in zwang.

Daarmee bedoelt hij dat het eigenbelang van de hulpgever leidraad wordt voor het geven van hulp. Hij wijst ook op het succes van microkrediet. Dat zou een liberale vorm van ontwikkelingssamenwerking zijn omdat de gever een investeerder is. Daar is niks mis mee, argumenteert Van der Heijden, integendeel. De hulpverlener verandert niet onverwacht van gedachten want de dienstverlening brengt hem profijt. Liberale hulp is win-win.

Als nu al sprake is van de omslag die ontwikkelingssamenwerking dringend nodig heeft, wil ze legitimiteit behouden, dan is dat niet zozeer een liberale. De omslag is die naar pragmatische ontwikkelingssamenwerking. Wat zwaarder telt is dat hulp werkt. Dát is ook waar het William Easterly om te doen is. Hij analyseert het probleemoplossend vermogen van de markt om te achterhalen waarom planmatige ontwikkelingshulp faalt. Met eigenbelang of een liberale ideologie heeft dat weinig te maken.

Het succes van microkrediet zit em er niet in dat het rendabel is voor de hulpverlener. Als dat zo was, had de Grameen Foundation van nobelprijswinnaar Muhammad Yunus in 2006 geen 1,5 miljoen dollar van Bill and Melinda Gates en geen 12 miljoen van George Soros nodig gehad om armen krediet te verschaffen. Zonder giften en subsidies kan Grameen niet werken. Het geheim van microkrediet is dat het zeer effectief is voor armoedebestrijding. En dat komt door ‘klein denken’, zegt Yunus zelf.

Ontwikkelingssamenwerking à la Easterly; gebaseerd op variëteit en selectie, op trial and error en het maximaliseren van Afrika’s lerend vermogen, klinkt gemakkelijker dan het is. Ze heeft professionele searchers nodig. Mensen als Marleen die de antropologische blik meester zijn en comfortabel met een opdracht die mission-command is. Het doel is duidelijk. De weg ernaartoe moet gezocht.

De arme Afrikaan moet zijn eigen searcher leren zijn. Precies dat lijkt in Banda te lukken. Anders dan Marleen deed voorkomen bracht ze wel wat geld mee. Drieduizend euro, ingezameld door vrienden en door gesponsord een marathon te lopen. Het was een geheim wapen achter de hand. Pas als ze wist waar een euro het meeste effect zou sorteren, zou ze het fonds aanspreken.

De vrouwen wilden een craft leren. Marleen aarzelde; ze moesten geen matig product gaan maken waar geen kopers voor zijn, en ze raadde de vrouwen aan te onderzoeken waar vraag naar is. Mooie manden bleken te verkopen. Een van was professioneel mandenvlechter geweest. Marleen vond buiten Kampala een organisatie die manden levert voor grote orders naar het Westen. Zij konden de vraag naar manden niet aan.

Het fonds van Marleen heeft betaald voor een dure training mandenvlechten. Ook is er materiaal van gekocht. De voormalig mandenvlechter in Banda krijgt betaald als trainer van de andere vrouwen – haar salaris komt uit het fonds. De eerste serie manden is feestelijk verkocht. De volgende lading moet goed genoeg zijn voor Londen.

**

Advertenties

Over Marcia Luyten

Welkom in mijn wereld, ergens tussen Afrika en Amsterdam. Mijn leven als journalist, publicist en debater heeft verschillende huizen: krant, weekblad, website en boek. Podium, radio of tv. De locaties mogen verschillen, ik doe steeds hetzelfde. Vooruit, bijna hetzelfde dan. Ik zie iets groots in iets kleins en daarover schrijf of vertel ik een verhaal. Het moet een plezier zijn om naar te luisteren, zo rijk aan informatie dat je meer weet dan voorheen, subtiel genoeg om je ongemerkt een analyse mee te geven. Je zou kunnen zeggen dat ik sociaal-culturele, politieke en maatschappelijke ontwikkelingen beschrijf, maar dat staat wat bombastisch. Zoals Martin van Amerongen antwoordde toen ik, student nog, hem zei dat ik graag politiek journalist zou worden: “Zozo, niet minder dan dat?”
Dit bericht werd geplaatst in Essays en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s