# 47 Dicht bij de natuur

Wanneer witte donsjes worden vermoord en giftige beesten door de tuin sluipen, blijkt hoe veel sommige Afrikanen weten van de natuur.

Het is nog vroeg als mijn vijfjarige gilt. Mamaaaa!! Guus eet een muis! Ik ren naar de veranda en inderdaad, de kat heeft beet. Prooi is dood. Ligt vredig aan zijn voeten. Alleen is het geen muis. Is het een rat? Ik kijk nog eens. Ojee nee. Het is een babykonijn.

Een babykonijn? We hebben helemaal geen kleine konijnen, alleen twee grote witte rammen, Sneeuw en Witje. Wel hebben we even gedacht dat het een heterokoppel was, toen ze weken geleden een hol groeven onder de regenwatertank en daar grasjes naartoe droegen. Maar we zagen nooit een wip. Ook geen dracht en al helemaal niks van kraamzorg. De twee ouders vreten al weken net als voorheen de hele dag de tuin kaal.

Met het dode konijn loop ik naar de wacht. Hij drijft ‘s avonds de twee beesten naar hun huis, waarna we het hol sluiten omdat ’s nachts wilde katachtigen komen spoken. Heeft hij niet gezien dat we jonge konijnen hebben? Nee, Michael weet van niks. Bovendien, en hij wijst naar het vermoorde donsje, is deze dood geboren. “Die is prematuur.”

Hebben we dan niet nog zes baby’s als aas voor de kat? Nee hoor, zegt Michael, dit was de enige. Maar babykonijnen beginnen als kale, roze larfjes. Volvetdonzig zijn ze pas na een maand. Bovendien werpt een voedster met gemak een half dozijn jongen. In het donker verscholen vinden we nog vijf kleintjes.

De teleurstelling bekruipt me weer. Net als laatst. Toen hoorde ik de apen in onze tuin hysterisch schreeuwen. Ik rende naar buiten, naar de nanny die met mijn eenjarige aan de hand geamuseerd de paniek in de boom van de buren bekeek. Ik riep: “Is er een slang?!”

Want in dit paradijs zijn slangen mijn grootste zorg. Een paar maanden geleden ontsnapte een zwarte cobra. De wacht doodde een babycobra – wat betekent dat van deze dodelijke gifslangen een hele familie rond schuift . Sindsdien spuiten we zwaar landbouwgif dat volgens snakehunter James alle reptielen weg houdt.

Op mijn hoede ben ik toch. Maar de nanny lachte. “Nee hoor. De bewaker jaagt alleen de apen weg.”

In die boom zat een gifslang van tweeënhalve meter, een ´apenzuiger´ in de lokale taal. Die grijpt een aap, verlamt het dier om hem leeg te zuigen. Ik denk maar niet aan wat die met een peuter doet. Hoewel de oppas is opgegroeid in de bush van Noord-Oeganda, herkende zij niet de angst van de apen.

Dacht ik dat een Afrikaan leeft met de natuur. Afhankelijk van de elementen en van wat de aarde voortbrengt, zou hij ervaringskennis over plant en dier overgeleverd hebben gekregen. Liefde voor de natuur is er niet. Bomen moeten om en dieren worden gesard. Leefde ik met een mythe van witte makelij?

**
Dicht bij de natuur verscheen in De Pers van 5 september 2008