# 2 De snelste weg naar Afrika

Geen betere weg naar Afrika dan de weg zelf. Hoeveel je ook over Afrika leest of hoort, voor een scherpe uitvergroting van Afrikaanse mores moet je de weg op. Ogen dicht en gas geven. Of eigenlijk: verdomd goed opletten en op het juiste moment gas geven. En nooit boos worden.

De straat is Afrika’s beste attractie. In Nederland zijn er nauwelijks nog vierkante meters die aan de planoloog ontsnappen – de rafelranden, niemandslanden met stunthandel, gebroken sloten, vergunningvrije bedrijvigheid en speelveldjes.

Afgemeten aan de formele, geplande orde, is Afrika oneindig niemandsland. Geen meter stad of er is handel. De aaneengeregen winkeltjes van planken en golfplaten verkopen snoep en waspoeder, trommels, knalpotten, condooms, haarstukken, gedroogde bonen, een scheerbeurt en dvd’s met illegaal opgenomen bioscoopfilms. Een paar meter dichter bij de straat worden vlees en maïskolven geroosterd. Nog dichter bij de auto’s schrijden vrouwen met op het hoofd manden vol tomaten, mango’s of cassave. Aan de rand van de weg staan fietsen vol koopwaar; de bezems en vergieten hoog opgetast, meterslange stengels suikkerriet dwars over de bagagedrager gebonden. Als er een gaat fietsen, heeft hij een hele rijbaan nodig. Onderaan de hiërarchie van de straat harken vrouwen met een riek in smeulende bergen vuilnis.

Het is een creatieve chaos die zichzelf organiseert. Een continent als liminal space. Toch bedoel ik niet dit charmante rommelland, de straat, als de beste introductie in Afrika. Dat is het verkeer. Het spel van de weg is als een allegorie voor deze samenleving.

Allereerst: er zijn verkeersregels, maar die tellen niet. Officieel natuurlijk wel, maar wie zich aan de regels houdt, komt niet ver. Die kan uren blijven steken op het kruispunt waar hij voorrang heeft. Van links en vanuit een zijweggetje persen busjes, vrachtwagens, fourwheeldrives en auto’s zich in aaneengesloten ketting erlangs.

Hoe groter je auto, hoe gemakkelijker je de keten doorbreekt. Hetzelfde geldt op een weg met tweerichtingverkeer: de grootste gaat voor. Die rijdt midden op de weg. Hij remt niet, hij wijkt niet, hij gaat rechtdoor. De grote bussen denderen het hardst, vrachtwagens drukken jeeps en matatu’s aan de kant. Zij, op hun beurt, piepelen de personenauto’s die bovendien al door de kraters in de weg moeten kruipen. Auto’s wijken niet voor de Boda Boda’s, de brommertaxi’s die met duizenden door de stad snorren. De fietser, tenslotte, die is vogelvrij. De belangrijkste spelregel van de weg is dat de sterkste voor gaat.

Vervolgens is alles mogelijk. Figuurlijk gesproken is het ogen dicht en gassen – met wat kunstgrepen en brutaliteit kom je altijd aan de overkant. In werkelijkheid is iedereen hyperalert. Er kan altijd en overal een geit, een koe, een kleuter of een malloot de weg op lopen. Je moet niet alleen geit of malloot, maar ook de auto die uitwijkt zien te omzeilen. Lukt dat niet, dan geldt in Uganda hetzelfde advies als in Rwanda: bij een ongeluk maken dat je wegkomt. Dan is het oog om oog tand om tand en worden de inzittenden van een auto soms gelyncht. En er is meer op de weg om voor uit te wijken. Een militair konvooi kan met gillende sirenes de hoek om komen en een weg te banen voor de presidentiële Mercedes. Ik werd op onze eigen heuvel van de weg gedrukt door drie reusachtige trailers met elk een tank erop – doekje eroverheen getrokken, niemand die het ziet. Dwars door de stad heen maken vrachtwagens slagzij onder hun te zware lading.

Gevaarlijke manoeuvres worden met geduldig begrip afgewacht. Zo reed ik gister in het drukke Industrial Area op de rechterbaan waar alle auto’s links rijden. Van alle kanten kwamen de spookrijders op me af! Doorgaans kost links rijden weinig moeite, maar zodra je keert verliest je nieuwe ‘setting’ het van je intuïtie en blijk je zomaar continental te kunnen gaan. Maar onwaarschijnlijk soepel kwam ik weer in het gareel. Auto’s remden, ik kreeg royaal de vrije baan naar links en alles reed weer door. Geen mens die me nariep.

De meest interessante spelregel: je wordt niet boos. Nooit. Road Rage is de Ugandezen onbekend. Als ze al geërgerd raken, wordt de woede gesublimeerd. Dat lukt mij nog niet altijd. Toen een taxibusje op mijn rijbaan de bocht om scheurde en op een haar na mijn auto met op de achterbank mijn kinderen ramde, werd de schrik mij te machtig. Ik hief mijn arm, gaf de chauffeur mijn opgestoken middelvinger en – het klinkt mij nu ook erg grof – riep: “f*cking asshole!” Naast mij stopte de auto die het busje volgde. De ontstelde chauffeur: “Madam. You are making improper gestures.

Het is de kunst van berusting die oefening vraagt. Alleen – en die vraag geldt voor zo veel meer in Afrika dan het verkeer alleen – wanneer wordt die geduldige berusting, die bewonderenswaardige attitude van ‘laat maar komen wat komen gaat ik zing het wel uit’, een deel van het probleem? De matatu reed bijna frontaal bovenop ons en dat hadden we niet overleefd. Het spel van de weg is gevaarlijk en Uganda kan zijn verkeersdoden nauwelijks tellen. In de vier maanden dat we hier wonen, hadden een kok en een bewaker een verkeersongeluk. Toch rijden mannen ongestraft als zelfmoordterroristen door dit land. Dubieuze laatste les: maakt de dood hier zo veel minder indruk?