De halfbakken revolutie van de jaren zestig, Waterstof 18-12-2005

De jaren zestig zijn onaf. De revolutie is halfbakken omdat ze is blijven steken bij de vrijmaking van het individu. Ze heeft nagelaten om in de plaats van de oude ordening, een nieuw moreel kader te zetten. Vrijheid is immers totaal niet vrij van begrenzing. Vrijheid vereist zelfbeperking.

De lotgevallen van de erfenis van de jaren zestig laten zich goed zien in een kleine parabel. Die gaat over mijn Amsterdamse sauna. Tussen 2001 en 2003 woonde ik in Rwanda. Toen ik eind 2003 uit Afrika terugkwam, was Nederland onmiskenbaar veranderd. Niet alleen omdat in de tussentijd Pim Fortuyn was opgestaan en omgelegd. Ik zag het aan de verdedigingslinies van winkeliers – de detectiepoorten en mannen met oortjes, ik merkte het op straat. En ik zag het aan de deur van mijn sauna. Daarop zat een affiche gespijkerd. In weliswaar sympathieke woorden zei die: ‘kijken’ beschouwen wij hier als seksuele intimidatie. Wie beschuldigd wordt, moet de sauna uit.

Zo’n waarschuwing is gek. Mijn sauna is er een van oud-krakers, en de vrije en anarchistische mens heeft een afkeer van regels. Hier is iets misgegaan. In de twee jaar dat ik weg was, ging iets subtiels kapot. Waarschijnlijk was de aftakeling al langer bezig, maar pas eind 2003 zag ik het. Het gaat in wezen om een ingewikkelde omgangsvorm die zich nergens beter laat kennen dan in de meest vrije sauna, de naturistische krakerssauna. Ook al is het pand gelegaliseerd, nog steeds wordt hier een hoogmis voor het alternatieve gevierd. Het saunapersoneel is vrijwilliger, de yogithee kost er een kwartje, de masseur verwent met korting een bijstandsmoeder, de sauna is goed heet en het is er gemoedelijk. De sfeer was er een van alles moet kunnen.

Natuurlijk wisten mannen en vrouwen dat juist in een sauna niet alles kan. Gemengd bloot vraagt terughoudendheid. Je ogen zijn open, maar je kijkt niet. Ingewikkelder: als je wel iets ziet – er zijn genoeg tribale versieringen als blikvanger – laat je dat niet merken. Het is de kunst van ziende blind zijn. Totdat – en dat begon al voordat ik naar Afrika ging – mannen naar vrouwen gingen zitten kijken. Het waren mannen die het niet gewoon zijn dat blote mannen naast onbekende, blote vrouwen zitten. Die mannen keken niet alleen, ze vielen vrouwen lastig en ze joegen de vrouwen de sauna uit. Daar was geen wet overtreden, maar met mijn vrijheid was het wel gedaan.

Het bestuur van de sauna zat klem. Een jaar lang werd in vergaderingen de ene vrijheid tegen de andere gewogen. Om de seksist en zijn intimidatie te weren, moest er een verbod worden uitgevaardigd waarmee de sauna zich gedwongen zag de eigen ziel te verminken. Op de buitendeur en in de kleedkamer hangt nu een waarschuwing.

Het verhaal over mijn krakerssauna is als een parabel omdat het zo veel meer zegt dan een instelling die besluit zijn regels eens goed uit te leggen. Hij laat zien hoe een vrije ruimte bestaat bij de gratie van misschien ongeschreven, maar wel hele strikte codes en voorschriften. Het illustreert hoe een werkelijk vrije omgeving bestaat bij de deugd van zelfcorrectie. Daar komt bij dat de krakerssauna vol zit met individuen die verwoed streven naar authenticiteit en zelfrealisatie, maar die tegelijkertijd de belangen van het collectief zwaar laten wegen. Voor mij, geboren in 1971, leek de krakerssauna een volmaakt experiment van wat de erfenis van de jaren zestig had moeten zijn.

Ik ben dan wel van 1971, ik vier de jaren zestig elke dag. Ik koester mijn vrijheid om mezelf uit te vinden; ik kan zijn wie ik wil zijn, zonder dat ik ben belast met de erfenis van sociale klasse of religieus milieu. De hoogste verwachtingen omtrent mijn leven komen van mijzelf. Ik conformeer me vooral aan mijn eigen dromen. En de meeste dingen die ik nalaat, laat ik achterwege omdat ik daar zelf voor kies. Wat een schitterende erfenis. Maar zoals Jos van der Lans en Herman Vuijsje laten zien, die erfenis is nogal dubbelzinnig. Dat komt: de jaren zestig zijn onaf.

De revolutie is halfbakken. Ze is blijven steken bij de vrijmaking van het individu. Ze heeft nagelaten om in de plaats van de oude ordening een nieuw moreel kader te zetten. Vrijheid is namelijk totaal niet vrij van beperkingen. Sterker nog, ze veronderstelt een fijnmazig en moeilijk raamwerk van ongeschreven codes, van voorschriften en van zelfbeperking. Juist op de plekken waar alles moet kunnen, moet voor iedereen duidelijk zijn dat lang niet alles kan. Vrijheid is het tegendeel van anything goes. En mensen voor wie de last van de vrijheid moeilijk te dragen is, maken die vrijheid te schande.

Dit is eigenlijk hetzelfde als wat Charles Taylor zegt over het ideaal van authenticiteit. Deze Canadese politiek-filosoof stelt dat de mens zich heeft vrijgemaakt door los te komen van ethische horizons. Maar bij het vrijmaken van het individu zijn we blijven steken. Taylor gelooft in het ideaal van trouw zijn aan jezelf, het ideaal van authenticiteit. Maar in zijn boek Sources of the Self waarschuwt hij voor ontaarding van dat ideaal. Alleen, zegt Taylor, door dat te benoemen als hedonisme of narcisme, zien we niet goed wat er nou eigenlijk aan de hand is.

Het ideaal van authenticiteit stelt volgens hem hoge eisen aan de gebruiker ervan. Die moet bijvoorbeeld begrijpen dat hij in zijn streven naar authenticiteit, zijn identiteit bepaalt aan de hand van mensen om hem heen. Ook moet dat individu weten dat je identiteit altijd alleen betekenis heeft binnen een kader van dingen die ertoe doen, binnen een moreel kader dus. Verder waarschuwt Taylor dat we intieme relaties niet mogen zien als instrumenten die ons helpen onszelf te realiseren. En tot slot vindt hij dat een individu moet deelnemen aan een gemeenschappelijk politiek leven. Je kunt niet anders dan burger zijn.

Om daadwerkelijk de vrijheid te kunnen genieten, moet dat individu zijn doordrongen van zijn deel aan een groter geheel. In plaats van zelfreferentieel, moet hij zelfreflexief worden. Hij moet zich verantwoordelijkheid weten voor het publieke belang, en hij moet zorg dragen voor de publieke ruimte.

Maar waarom wordt nu pas goed duidelijk dat de erfenis van de jaren zestig halfbakken en problematisch is? Daar komen we zo laat achter, omdat de eerste generatie die zich bediende van die vrijheid, de babyboomers, zelf groot werd in een samenleving die wel degelijk verplichtend en disciplinerend was. Lange tijd dreef de samenleving uit op de zo beschimpte jaren-vijftig. En dus zien we nu pas die ingewikkelde paradox: in een samenleving die werkelijk vrij is, verstaan de leden de kunst van de zelfbeperking.

Hoe redden we vervolgens die erfenis van de jaren zestig? De bedreigingen komen intussen van álle kanten. We moeten haar allereerst redden uit de klauwen van de neoconservatieven, zoals in Nedrland neo-conservatieve filosofen als Andreas Kinneging en Ad Verbrugge, in Engeland Roger Scruton maar vooral: de peilloos-diep cultuurpessimistische psychiater Theodore Dalrymple. Deze mannen, altijd wit en bang, willen het individu terug onder het juk. De jaren zestig, zo menen zij, hebben het gros van de bevolking in een zelf-destructieve vrijheid gestort.

Vervolgens moeten we de erfenis redden van de religieuze moraal die met de radicale islam zijn opwachting maakt. Die verafschuwt het individualisme en de bijbehorende vrijheid. Maar net zozeer moeten we het ideaal van vrijheid en authenticiteit redden van de de cultuurrelativisten. Van de mensen die het ongepast vinden te oordelen over andermans gewoonten omdat ‘anything goes’. (Als zij hun eigen permissiviteit hadden beteugeld, was de speelruimte voor de neo-conservatieven nooit zo groot geweest.)

Vraag neo-conservatieven naar een remedie voor de uitwassen van de jaren zestig, en woorden als optreden, handhaven, aanpassen en een beschavingsoffensief gaan over tafel. Het losgeslagen individu is snel geknipt en geschoren. Al is ook meteen de vrijheid van dat individu gekortwiekt. Met zelfontplooiing en authenticiteit hebben de conservatieven weinig op.

Voor links, daarentegen, dreigt een kramp zodra het gaat over het vrije individu dat moet leren zich te verhouden tot de wereld om hem heen. Tot voor kort waren cultuur en cultuurverschillen een links taboe. Vandaag de dag lijkt die plaats te zijn ingenomen door de notie van paternalisme. Toen Gabriel van den Brink – in de jaren tachtig communistenleider te Nijmegen – het woord beschavingsoffensief in de mond nam, spraken linkse intellectuelen daar schande van. Van den Brink zou de laarzen willen horen stampen.

Dat ongemak bleek ook onlangs in de Balie, toen een boek werd gepresenteerd over de keuzevrijheid waar de burger zo moe van wordt: de plicht om te kiezen uit stroomleveranciers, zorgverzekeraars, telefoonaanbieders, internetproviders en pensioenvoorzieningen. Zoals een vrouw schreef aan Wouter Bos: “Om in staat te zijn een goede keuze te maken, moet je hoogopgeleid zijn. Om de tijd te hebben voor die keuze, werkloos.” De conclusie van het debat was dat eigenlijk de overheid zou moeten kiezen. De overheid zou de burger een standaardpakket van hoge kwaliteit moeten aanbieden. Wie iets anders wil, zou daartoe de mogelijkheid hebben. Maar in principe moest de overheid kiezen voor de burger. Oei, dat kwam wel heel dicht in de buurt van paternalisme, en iedereen trok zijn handen ervan af. Volkskrant-journalist Olav Velthuis reikte nog een goedbedoeld alternatief aan: libertair paternalisme. Maar dat leek zoiets als een vierkante cirkel en dat haalde het dus ook niet.

En toch is dat gek, die overgevoeligheid. Immers, als het gaat om de vrije markt, dan zijn we het er allemaal over eens dat laissez-faire schadelijke gevolgen heeft. En als het gaat om het laissez-faire van het individu, dan zouden we dat alleen maar prachtig mogen vinden? Alsof de werking van de markt iets wezenlijk anders is, dan de optelsom van het gedrag van individuen. Anders dan de markt, zou dat vrije individu in staat moeten zijn tot zo veel zelfsturing dat hij geen externe correctie nodig heeft. Het is overigens onzin dat er een gebrek aan waarden zou zijn. Het individu laat zich alleen weinig gelegen liggen aan de publieke zaak, te weinig aan de publieke ruimte.

Om dat te veranderen moeten de pleitbezorgers van het vrije individu hierover het debat durven voeren. Ze moeten zich de vraag willen stellen: hoe leren mensen zichzelf te corrigeren? Vervolgens: kan de overheid individuen daarbij helpen? Misschien moeten we voor die bemoeienis eerst een nieuwe term munten. Net zoals marktwerking iets van rechts was, totdat iemand op het idee kwam om het vraagsturing te noemen. Toen was links om. Moeten we nu aansluiten bij de manier waarop professionele ontwikkeling ter hand wordt genomen? Dan noemen we overheidssturing Counselling of Coaching? In elk geval moeten mensen wie de vrijheid lief is, gaan staan aan de vraag die Dalrymple opwerpt.

Let wel, met neoconservatisme heeft dit niks van doen. Ik zoek naar de kaders waarbinnen zo veel mogelijk individuen zo veel mogelijk vrijheid genieten om zichzelf te ontplooien. De zelfverwerkelijking van het vrije, soevereine en authentieke individu is het hoogste doel – vind eens een conservatief die daarom maalt. Netzomin gaat het om lesjes in moraal – ook al ligt een moreel kader aan de basis van die andere verhouding tot het publieke domein. Het gaat om de praxis. Om alledaags gedrag waarin we ons op zo’n manier verhouden tot anderen, dat iedereen zijn grootst mogelijke vrijheid kan genieten. Maar de lijn is niet gemakkelijk te trekken; die tussen zelfontplooiing en zelfverrijking. De grens tussen ongeremd en ontspoord, tussen onbevangen en onbeschoft. Precies daar moeten we weer intuïtie voor ontwikkelen.

Dit artikel is een bewerking van een referaat gehouden op 28 oktober 2005 bij Dwarsdiep in Groningen.