Stadgist in Amsterdam, nov 2005

Bijna was de stad aan kant. Kaartenmolens met porno gingen van de straat. Pleinen kregen Parijse allure en fietslampen gaven licht. Rusland werd een openluchtmuseum, en zo ook de eilanden achter de Oostelijke Handelskade. Daar zitten in een design monocultuur van strakke panden de gelukzaligen van de stedelijke elite – de Wallpaper goedgelezen – in hun geveltuin precies even bijzonder te zijn.

Amsterdam was eind jaren negentig zo goed als af. Elke onbestemde plek kreeg zijn bestemming, rafelranden werden brokaat en de resterende meters stad zijn duur betaald. Daartoe moesten veel gekraakte panden met een kakofonie aan creatieven worden ontmanteld. De laatste kraker hoefde alleen nog maar het licht uit te doen – dan was alle ongemak verholpen en was alleen het Paleis op de Dam nog zwart.

Afgemeten aan wat er gebeurt in meer dan dertig broedplaatsen, lijkt de levendigheid voorlopig gered. Maar hoe? Door de betaalbare vierkante meters voor kunstenaars? Door het besef dat creativiteit een economische productiefactor is? Door genoeg moed om met ‘de vijand’ samen te werken? Of moet de vraag zijn: door wie is de levendigheid gered? Door de krakende kunstzinnigen wier idealisme ze niet verhinderde pragmatisch te zijn? Door Amsterdamse politici die geld wilden investeren in creativiteit? Of was het door de ambtenaren die de onmogelijke opdracht aannamen anarchisten onder te brengen in een beleidskader?

In het jaar 2000 begon Amsterdam zijn broedplaatsenbeleid. Hieronder allereerst een korte voorgeschiedenis en een inventarisatie van wat in vijf jaar is bereikt (I). Vervolgens een evaluatie aan de hand van gebruikers en stadsverkenners (II). Tot slot een korte blik vooruit (III).

I Creatieve destructie

Twintig jaar voordat het woord broedplaats werd gemunt, kreeg het latere beleid gericht op kunstenaars en creatieven zijn voedingsbodem. De kroningsrellen in 1980 waren een waterscheiding tussen de stad en zijn krakers. De verstandhouding bleek op 28 april 1980 dusdanig slecht, dat zowel politie als krakers schrokken van het geweld. Maar daarmee was de toon gezet. In de vier jaar die volgden ging het er hard aan toe. Gevechten tussen anarchistische idealisten en Mobiele Eenheid werden misschien niet normaal gevonden, ze pasten in de lijn der verwachting.

De oorzaak voor zo veel venijn wordt meestal gezocht in de stand van de Nederlandse economie. Lubbers zette met Bestek 81 het eerste, grote naoorlogse bezuinigingsprogramma in de steigers, de vooruitzichten waren er somber genoeg voor. Niet eerder was de jeugdwerkloosheid zo groot. Amsterdam droeg de sporen van zijn malaise. Veel panden stonden leeg en de stad hing tegen een faillissement aan. In die zwartgalligheid keerden jonge mensen zich tegen ‘het systeem’. Ze eisten woonruimte, namen panden in, en ze maakten er een gewoonte van die met hand en tand te verdedigen.

Volgens Hessel Dokkum, ‘woningnoodkraker’ van het eerste uur, was het dankzij de combinatie van krakersgeweld en de failliete inboedel die de stad toen was, dat de gemeente midden jaren tachtig begon kraakpanden te legaliseren. Tot midden jaren negentig namen krakers leegstaande pakhuizen en andere grote gebouwen in gebruik. De politieke krakers kregen daarin gezelschap van creatieven op zoek naar woon- en werkruimte. Al wat niet legaal was, werd gedoogd.

De levendige, dynamische en voor velen inspirerende subcultuur die daar uit voortkwam, lijkt een bevestiging van de econoom Schumpeters ‘creatieve destructie’ – al ging het de stad Amsterdam natuurlijk niet om zelfverkozen afbraak. In elk geval schiep het verval van de jaren tachtig letterlijk alle ruimte voor creativiteit. De Oostelijke Handelskade werd een gordel van pakhuizen die uitgroeiden tot kathedralen voor het anarchistisch geïnspireerde politiek-culturele complex. Begonnen als tegencultuur, volgroeiend naar subcultuur. Spraakmakende gebouwen waren de Silodam, het Veem, de Kalenderpanden, het Vrieshuis Amerika en het pakhuis Wilhelmina. Sommige kraakpanden groeiden uit tot culturele centra compleet met theater, film, expositieruimtes, café en restaurant, ateliers, studio’s, en eindeloos ruimte voor ruige feesten.

Het succes van de gekraakte cultuurpanden viel samen met de opbloei van Amsterdam. Tot 1985 ging het jaar in jaar uit slechter met Amsterdam, zegt

Robert Kloosterman, hoogleraar economische geografie en planologie aan de Universiteit van Amsterdam. Na 1985 stagneerde de neergang; de stad ging minder hard bergafwaarts, al lag de economische groei van Amsterdam in 1990 nog ver achter bij het landelijke gemiddelde. Vijf jaar later stonden de zaken er anders voor. Kloosterman: “Het was een waanzinnige boom.” In het licht van de Amsterdamse groeicijfers verbleekten de optimistische kengetallen voor de Nederlandse economie.

Delen van de stad die voorheen onaantrekkelijk waren, zoals de pakhuizen aan ’t IJ, kwamen in de warme belangstelling van projectontwikkelaars. Een krot was geen krot meer maar een kans, een opportunity. De vrije markt gaf de vrije ruimte zijn prijskaartje. Op de golven van de hoogconjunctuur werden voor de resterende meters stad torenhoge prijzen betaald. Niet lang daarna was alleen de markt nog vrij.

De krakers, creatieven, kunstenaars, fietsenmakers, skaters, activisten en veganistische koks moesten weg. Het Vrieshuis Amerika sloot in 1997, de Silo en de Kalenderpanden volgden.

Broedplaatsenbeleid

De pakhuizen werden ontruimd en paradijsvogels verloren hun habitat. Het krakersgeweld dat vijftien jaar eerder zo vanzelfsprekend was, bleef uit. Over kraken als politieke daad hoorde je niemand en van verbeten verzet tegen ‘het systeem’ was geen sprake. De creatieven gooiden het over een andere boeg. Uit verschillende kraakpanden verenigden mensen zich in Het Gilde van Werkgebouwen aan ’t IJ. Ze vroegen bij politici en ambtenaren aandacht voor hun verhaal. En ze mobiliseerden de media met zo veel succes dat ze van de sluiting van de pakhuizen een maatschappelijk issue maakten. Op radio en tv, in kranten, buurthuizen en op debatpodia spraken bezorgde Amsterdammers over de uittocht van creatieven. De sluiting en ontruiming van de pakhuizen gaven steeds meer tumult. Telkens klonk bezorgd: Wat wordt er van Amsterdam als alle kunstenaars naar Rotterdam vertrekken?

Die vraag werd een politieke. De gemeenteraad had volgens Jaap Schoufour het gevoel in het krijt te staan bij de subculturele groepen. De manager van Project BroedplaatsAmsterdam legt uit: “In de voorafgaande jaren verdiende de stad veel geld aan grond en onroerend goed.” Amsterdam had zijn vrije ruimtes uitverkocht aan de hoogste bieder. Pas toen politici gingen kijken, zagen ze volgens Schoufour dat de kraakpanden bijzondere, open plekken waren. “Tot ieders grote verbazing had de Silodam een restaurant waar de meest gevestigde figuren gingen eten.”

De onderhandelaars voor Het Gilde van Werkgebouwen aan ’t IJ claimden weliswaar het recht op ruimte, ze benadrukten het belang van Amsterdam in het bewaren van vrijplaatsen in de stad. Volgens Jaap Schoufour van BroedplaatsAmsterdam deden ze dat “in een taal die door het systeem werd begrepen”. Het polderpodel was nog niet in ongenade, de voormalige krakers kozen de weg van coöperatief overleg.

Marleen Stikker van Waag Society prijst nu “het alternatieve circuit” voor die strategie. “Het is volwassen om in plaats van alleen maar tegen te zijn, met de gemeente om de tafel te gaan zitten.” De stad, op zijn beurt, toonde zich volgens Stikker verantwoordelijk voor betaalbare werkruimte voor creatieven. “In een stad die steeds verder is ingevuld, heb je onvermijdelijk met elkaar te doen.”

De gemeenteraad besloot eind 1999 dat de ontheemde groepen afkomstig uit de pakhuizen een nieuw onderkomen moesten krijgen. Daaraan werd het voornemen gekoppeld om meer betaalbare atelierruimtes voor kunstenaars aan te bieden, waarmee het nieuwe beleid twee doelgroepen kreeg. Het politieke besluit bepaalde dat het subculturele klimaat in Amsterdam moest worden veiliggesteld. Op 21 juni 2000 begon de gemeente Amsterdam zijn broedplaatsenbeleid.

Feiten en cijfers

Project BroedplaatsAmsterdam begon met vijftien miljoen euro. Vervolgens kwam er zes jaar op rij, van 2000 tot en met 2005, bijna drie miljoen euro per jaar bij, wat uitkomt op een totaal van 32,5 miljoen euro. Projectmanager Jaap Schoufour kan de doelstelling van Project BroedplaatsAmsterdam kernachtig verwoorden: “Betaalbare vierkante meters voor creatieven en kunstenaars”. Broedplaatsenbeleid gaat over bakstenen en bouwen, zegt Schoufour. “Wij gaan niet over wat een kunstenaar produceert.”

Op die belangrijke, principiële stellingname moet iets worden afgedongen. Niet dat Project BroedplaatsAmsterdam een voorkeur uitspreekt voor figuratief boven abstract werk, of voor multimedia-allianties boven samenwerking in de podiumkunsten. Dat neemt niet weg dat er eisen en verwachtingen zijn waaraan gebruikers van een broedplaats moeten voldoen. Zo moet minimaal 40 procent van de activiteiten in een broedplaats vallen onder het kopje ‘kunsten’. Wie commercieel draait, moet het pand verlaten. En tot slot: de creatieven worden geacht zich op een bepaalde manier te engageren met de buurt.

Nog wat cijfers en feiten: tussen 2000 en 2005 realiseerde BroedplaatsAmsterdam 48.461 m² verhuurbaar vloeroppervlak voor bijna zevenhonderd werkruimtes. Het gemiddelde atelier is 70 m². Op de vrije markt ligt de gemiddelde huurprijs tussen de 70 en 170 euro per vierkante meter, de richtprijs voor een vierkante meter broedplek is tussen de 40 en 50 euro per jaar. Dat brengt de gemiddelde maandhuur van een gemiddeld atelier op 262,50 euro. Het merendeel van de broedplaatsen heeft een contract voor tien of twintig jaar, voor die periode is de subsidie gegarandeerd.

Ongeveer de helft van alle broedplaatsen is verhuurd aan groepen creatieven. Zo’n groep beheert zelf zijn pand. Vaak moeten de creatieven het pand nog verbouwen; dat heet “zelfwerkzaamheid”. In een enkel geval is of wordt de stichting eigenaar van het gebouw, zoals op de Plantage Doklaan en bij Marci Panis. Nu willen ook de voormalige krakers van Overtoom 301 de oude Filmacademie van de gemeente kopen. Maar de constructie met een overdracht van eigendom lijkt op zijn retour. In de laatste broedplaatsen – de Wittenplaats en de IJsbrand – is ervoor gekozen de panden casco op te leveren en ze voor lange termijn te verhuren. Steeds vaker is het pand in handen van een woningbouwcoöperatie.

In de andere helft van de broedplaatsen huurt een individueel persoon een atelierruimte. De Stichting Woon-Werkruimte Kunstenaars (SWWK) selecteert wie daarvoor in aanmerking komt.

II Constructief

Het had heel goed een mission impossible kunnen zijn. De opdracht om beleid te maken voor vrijplaatsen heeft iets van het principieel onmogelijke commando: ‘Wees spontaan’. Wie de opdracht uitvoert en probeert ongedwongen te zijn, doet dat immers niet spontaan maar op bevel. Hetzelfde had kunnen gelden voor de ambitie om dat wat zich nou net kenmerkt door het opzoeken, onderzoeken en overschrijden van grenzen, te plaatsen in een beleidskader. Dát betekent immers: doelstellingen formuleren, resultaten meten, regels en voorschriften opleggen om te waarborgen dat de grenzen van de wet niet worden overschreden en publieke middelen zorgvuldig besteed.

Anders gesteld: Wat blijft van de paradijsvogel over als die moet leven in een reservaat? Die vraag is minder gemakkelijk te beantwoorden dan op het eerste, retorische oog lijkt. Al was het maar omdat de vergelijking met de paradijsvogel – maatschappijkritisch creatief in zijn ruige, rommelige vrijhaven – steeds minder opgaat. In vijf jaar tijd veranderde het profiel van de creatieveling. Zozeer dat de drie grote panden die Project BroedplaatsAmsterdam kocht met het oog op groepen die waren verbannen van de IJ-oevers, nu worden gebruikt door jonge professionals die meer passen in het veelomvattende beeld dat Richard Florida schetst van de creative industry, dan in dat van de kunstzinnige krakers.

Voor die laatste groep schept het broedplaatsenbeleid een ingewikkelde spanning: op de voorwaarden van de gemeente leven en werken als een kraker is als een vagebond die niet van de verharde wegen af mag. Op de NDSM-werf werken veel mensen afkomstig uit ontruimde pakhuizen. In het dna van deze groep zit een afkeer van modellen en eenvormigheid, een liefde voor het experiment. Daarom willen ze de nu te bouwen ‘Kunststad’ met 10.000 m² ateliers beschouwen als een creatief project op zich. Iedereen zou met alle mogelijke materialen zijn eigen ruimte afmaken – van resthout, kippengaas, plastic of papier maché. En dat mag niet van de brandweer. Daarmee voelt de NDSM-werf zich in zijn ziel gekerfd.

Soortgelijke frustratie heerst aan Overtoom 301, de voormalige Filmacademie. Oud-kraker Nienke Jansen: “Het voelt alsof we zijn toegeëigend door de gemeente.” Het anarchistisch verlangen is aan Overtoom 301 groter dan op de NDSM-werf. Het had op de 86.000 m² grote Werf ook moeilijk anders gekund, maar de NDSM-werf heeft een professionele organisatie met manager en ondersteunende staf. Het pand aan Overtoom is weliswaar kleiner, een geformaliseerde organisatie zou de oud-krakers het leven makkelijker maken.

Met het legaliseren van het kraakpand diende zich namelijk een regiment ambtenaren aan voor vergaderingen en inspecties; mensen van het stadsdeel, Project BroedplaatsAmsterdam, de brandweer en de Keuringsdienst van Waren. De ideologisch gemotiveerde weigering om zich te ‘institutionaliseren’ dreigt deze broedplaats tot een tragische held te maken: ongeorganiseerd kost het zo veel moeite om aan alle vereisten te voldoen, dat de oud-krakers aan weinig anders toekomen. In hun eigen perspectief zou het hun gelijk bevestigen: laat je niet coöpteren door de staat die zegt je de ruimte te geven; je gaat eraan stuk. Het is wat Herbert Marcuse bedoelde toen hij vijftig jaar terug sprak van repressieve tolerantie.

De verhouding tussen creatieven en ambtenaren is in de praktijk lang niet zo problematisch als het voorgaande zou kunnen suggereren. Allereerst is Overtoom 301 niet representatief voor het geheel aan broedplaatsen. Integendeel, hoewel de gekraakte vrijplaatsen de blauwdruk leverden voor broedplaatsenbeleid, is het soortelijk gewicht van de ideologisch gemotiveerde groepen sterk afgenomen. Het bohémien-kunstenaarschap als lifestyle lijkt zijn langste tijd te hebben gehad. In plaats daarvan komen allianties van creatieven en kunstenaars voor wie professionaliteit doel en middel is.

Twee dingen kenmerken deze nieuwe groepen. Allereerst vervaagt het onderscheid tussen autonome kunstenaars en makers van toegepaste kunst. Er zijn vormgevers en web-designers die altijd in opdracht werken, er zijn kunstenaars die vooral ‘eigen werk’ maken, en er zijn meubelmakers die design-meubels maken, maar de meesten zijn alles tegelijkertijd. De ene dag autonoom beeldend kunstenaar, de andere dag stylist, weer een dag later decorbouwer.

Het tweede onderscheidende kenmerk van de nieuwe groepen is de omloopsnelheid van de professionele allianties. (Opmerkelijk daarbij is dat steeds meer individuele kunstenaars werken op een manier zoals dat in de gekraakte pakhuizen gebruikelijk was – al is bij de nieuwe generatie de motivatie professioneel, waar die voor de krakers ideologisch was, de praktijk komt dicht bij elkaar.) Je werkt nu eens samen met de een, dan eens met de ander, om vervolgens een tijdje eigen werk te maken. Vandaag is de een opdrachtgever van de ander, morgen zijn de rollen omgedraaid. Daarbij vermengen disciplines zich net zo hartstochtelijk als het onderscheid tussen artistiek en commercieel.

Er is nog een reden dat broedplaatsenbeleid geen drama werd van onverzoenlijkheid tussen creatieven en ambtenaren. De twee hebben de moed gehad elkaar te willen begrijpen. En de ambtenaren van Project BroedplaatsAmsterdam bleken geen klerken. Hadden zij een stram stramien belangrijker gevonden dan het realiseren van ruimte voor creativiteit, dan was het project mislukt. Nu zijn de meeste creatieven vol lof over de betrokken deskundigheid van de ambtenaren met wie ze te maken hebben. Op hun beurt zijn de mensen van BroedplaatsAmsterdam enthousiast over wat er gebeurt in de meer dan dertig plekken die afgelopen vijf jaar als bestemming ‘Broedplaats’ kregen.

Stadsverkenners

Broedplaatsenbeleid is meer dan beleid inzake broedplaatsen. Het is een deel van het politieke antwoord op de vraag hoe veel belang Amsterdam hecht aan zijn vermogen tot vernieuwing. Die vraag gaf de ontheemde creatieven vijf jaar geleden al urgentie, maar werd in de jaren daarna alleen maar dwingender. In de tussentijd schreef Richard Florida een boek dat creativiteit wereldwijd tot een hype maakte: The rise of the creative class (2002). In diezelfde tussentijd liet China zien dat het alles wat wij maken in elk geval goedkoper produceert. Vaak beter. Voor wat ons aan comparatief voordeel rest, zijn ‘highconcept’ en design essentieel. Dat vereist een omgeving die innovatie, dynamiek en onverwachte verbindingen stimuleert.

Als broedplaatsenbeleid zo veel verder reikt dan het domein van de kunsten, wat vinden kenners van de stad er dan van? Drie kritische Amsterdammers en een Leidenaar geven hun mening: directeur van multimedia-instituut Waag Society Marleen Stikker, onderzoeker naar technologische cultuur Michiel Schwarz, Felix Rottenberg, en de in Leiden wonende UvA-hoogleraar economische geografie en planologie Robert Kloosterman.

Allemaal vinden ze dat Amsterdam onmogelijk zonder broedplaatsenbeleid kan. Een vitale stad, zegt Marleen Stikker, heeft zijn vrije zones nodig. Uit het broedplaatsenbeleid leest ze af dat creativiteit een economische factor is geworden en dat juicht ze toe. Om daar meteen aan toe te voegen dat het de creatieve sector zelf is geweest die de huidige dynamiek heeft gegenereerd – volgens Stikker eerder ondanks, dan dankzij overheidsbeleid.

Felix Rottenberg vindt dat de stad broedplaatsen nodig heeft, maar vreest perverse effecten van een subsidie-apparaat. Zo vraagt hij zich af: “Is er niet een nieuwe klasse die goed voor zichzelf aan het zorgen is?”, doelend op pakhuis De Zwijger dat geëxploiteerd zal worden door de cultureel-commerciële Cultuurfabriek. Ook Robert Kloosterman wijst op risico’s van ingrijpen in de markt. “Als je ruimte wil aanbieden beneden de kostprijs, ben je gedwongen te selecteren. Moet je webdesign dan wel of niet subsidiëren?”

Alle vier pleiten vervolgens voor een grotere inspanning door de gemeente Amsterdam. Over de focus van het overheidsingrijpen verschillen de meningen. Michiel Schwarz en Marleen Stikker zitten op een lijn als ze vinden dat de gemeente zijn visie op creativiteit moet verbreden. Dat was tot nu toe te veel gericht op de kunsten, vinden zij. Schwarz: “Kunst is ontzettend belangrijk, en er moeten genoeg betaalbare ateliers zijn. Alleen is het een misverstand te denken dat ruimte voor kunstenaars hetzelfde is als het stimuleren van creativiteit en innovatie. Het broedplaatsenbeleid was wereldwijd avant-garde. De tijd heeft het echter ingehaald. Je moet nu anders nadenken over creatieve industrie.”

Voor dat laatste zijn technologie en media essentiële elementen. Die moeten kunnen samenkomen met de artistieke creativiteit in de broedplaatsen. Schwarz richt zich vooral op creatieve ondernemers. Daartoe rekent hij ook de makers van toegepaste kunst – “alles waarbij design een rol speelt”. De gemeente moet zich volgens Schwarz afvragen welke faciliteit als een magneet creatieve ondernemers aantrekt. Vervolgens pleit hij ervoor om een premie te stellen op samenwerken. “Heel eenvoudig: een bedrijf alleen krijgt geen subsidie, drie bedrijven die samen een project uitvoeren, wel.” Op die manier ontstaan de kruispunten die volgens Schwarz noodzakelijk zijn voor innovatie.

Marleen Stikker, in Waag Society vooral bezig met vernieuwende hightech-toepassingen, verwijst naar het onlangs opgerichte London Development Agency (LDA). Terwijl Amsterdams broedplaatsenbeleid zijn hulp aan artistieke creativiteit vertaalt in vastgoed, is het LDA er om de verbindingen tussen verschillende spelers in de creatieve industrie mogelijk te maken. Met 12,5 miljoen pond financiert het LDA bijvoorbeeld noodzakelijke software, of een secretariaat dat een bepaalde samenwerking bedient. Daarvoor is volgens Stikker in Nederland geen geld. Ze is dan ook bang dat Nederland er niet in slaagt “de nu noodzakelijke versnelling” te maken in het opstarten van innovatieve projecten.

Felix Rottenberg heeft een andere interesse. Hij ziet broedplaatsen als een instrument voor social engineering: ze kunnen volgens Rottenberg bijdragen aan de diversificatie van eentonige wijken. Hij vindt daarbij de economisch geograaf Robert Kloosterman aan zijn zijde. In principe pleit Kloosterman voor terughoudendheid van de overheid. Maar mocht ingrijpen onvermijdelijk zijn, dan graag op zo’n manier dat het in naoorlogse wijken gentrification bewerkstelligt.

Het woord is nog niet gevallen, en dat terwijl het zo’n belangrijk, door de aanwezigheid van kunstenaars teweeggebracht effect kan zijn. Het is afgeleid van het woord gentry, adel, en verwijst naar de sociale opwaardering van een buurt. Het lijkt een door iedereen onderschreven wetmatigheid: zet kunstenaars in een achterstandswijk en de buurt gaat erop vooruit.

Ook al kun je gentrification niet plannen, diversificatie en opwaardering moeten volgens Rottenberg een expliciete doelstelling zijn van broedplaatsenbeleid. Net als Kloosterman wijst hij naar Oud- en Nieuw-West. Rottenberg: “In West is weinig dynamiek. Je hebt huizenblokken en scholen, verder niks.” Rottenberg schetst: als je in zo’n wijk een succesvolle broedplaats neerzet, begint iemand verderop een restaurantje, een ander een winkeltje, en dan gaat de wijk veranderen. Daarom vindt hij dat het broedplaatsenbeleid zo moet zijn ingericht, dat “de creatieven ook iets willen betekenen voor de buurt”.

Daar zijn we aangekomen bij een gevoelig punt. Sociaal engagement, betrokkenheid bij de omgeving; het is kenmerkend voor de broedplaatsen die zijn voortgekomen uit de kraakbeweging. De nieuwe lichting creatieven, daarentegen, heeft niets met (opgelegd) engagement. Het amalgaam van webdesigners, programmamakers, fotografen, beeldend kunstenaars, multimedia-kunstenaars, vormgevers, filmmakers, en theaterregisseurs is professioneel georiënteerd en druk. Dat de gemeente verwacht dat ze zich ook met de buurt bezighouden, leidt soms tot frustratie en ergernis.

Aan Rottenberg de tegenwerping: de ambitie van de jonge kunst-professionals is een andere dan die van de voormalige krakers. Een fotograaf die bezig is met exposities en opdrachtgevers wil geen fotocursus geven aan de buurt. Die zegt: ik ben kunstenaar, geen maatschappelijk werker. Maar dat vindt Rottenberg een schijn-tegenstelling. “Die twee bijten elkaar niet. Het vraagt alleen zoiets als de oude kibboets-opvatting: je werkt op gesubsidieerde vierkante meters, bedenk iets wat betekenis heeft voor je omgeving. Het is een uitruil.” Het gaat bovendien om kleine dingen, zegt Rottenberg. “Die fotograaf hoeft geen permanent inloopspreekuur te houden. Hij moet iets verzinnen. Hij zou van een schoolklas een opmerkelijke foto kunnen maken. Vervolgens gaat hij met die foto terug naar de klas om erover te praten. Dat kan genoeg zijn om een jongen of meisje op een bepaald spoor te zetten.” Rottenberg besluit: “Dat is het ultieme van de stad, de toevallige ontmoetingen. Waarom groeit een jongetje van acht uit tot een begenadigd trompettist? Omdat hij op zijn achtste iemand fantastisch trompet hoorde spelen.”

III Toekomst

Na vijf jaar maakt Project BroedplaatsAmsterdam de stand op. De ruim dertig miljoen euro werkkapitaal zijn toegewezen aan tot nog toe 37 broedplaatsen. De gemeente Amsterdam moet eind 2005 een besluit nemen over voortzetting en vorm van dit broedplaatsenbeleid. In tientallen gesprekken was er niemand die het belang van broedplaatsenbeleid betwistte. Het tegendeel is het geval. Velen benadrukken het belang van onverminderde inspanning. Over hoe die er zou moeten uitzien, lopen de meningen uiteen.

Het gevaar dat broedplaatsenbeleid altijd zal bedreigen, is een nauwkeurig gedefinieerd beleidskader. Risicomijdende politici voeden het bureaucratisch verlangen naar selectiecriteria en meetbare resultaten. Maar zodra broedplaatsenbeleid een subsidiemachine wordt die vooraf input en output wil vaststellen, ondermijnt het zichzelf. De werkelijkheid vernieuwt zich sneller dan ambtelijke instructies. Daarom wringt op innovatie gericht beleid per definitie met de bureaucratische logica. Zodra die frictie verdwijnt, zijn zorgen gepast.

Daarom dat broedplaatsenbeleid valt of staat met ambtenaren die goed genoeg zijn om de last van dubbelzinnigheid te dragen. Sterker nog, die de dubbelzinnigheid herkennen als wezenlijk voor broedplaatsenbeleid, in plaats van dat ze proberen het ongerijmde te rijmen.

Toen acht jaar geleden de sluiting van het Vrieshuis Amerika op handen was, schreef toenmalig Balie-directeur Chris Keulemans: “Een echte stad is nooit aan kant.” De binnenstad was dat al wel. En dat is hij nog steeds. De levendigheid in het centrum is die van consumerend publiek. De enige broedplaats aan een gracht ondervindt daar de gevolgen van. Langslopend publiek is zelden geïnteresseerd in de onbekende kunst in de Chiellerie aan de Raamgracht. Als toevallige passanten halt houden, is dat om op het bankje patat te eten.

Het moet gisten in de stad. Toevallige ontmoetingen, onverwachte verbindingen en processen met ongewisse uitkomst; ze gebeuren niet in de monocultuur die de stad nog steeds dreigt te worden. Broedplaatsenbeleid kan van grote waarde zijn; als de stadgist die vernieuwingsprocessen mogelijk maakt. Zo’n proces is als een grote pot op het vuur. De ingrediënten staan niet op voorhand vast, de uitkomst nog veel minder. Maar grote kans dat na een chemische reactie er iets uitkomt van meer waarde dan wat er is ingegaan. Een stad waar de chemie zo werkt dat een allegaartje goud wordt, daar trekt van heinde en verre interessant volk op af. Gelukszoekers, paradijsvogels, freaks, denkers, kunstenaars, knutselaars en uitvinders; ze komen voor de alchemie van Amsterdam.