Marokkaans opvoedingsdrama: Ontkenning, onmacht en verdriet, TSS en Waterstof 2006

Kort na de terroristische aanslag in Madrid werd Khalid opgepakt en veroordeeld tot een maand jeugdgevangenis. Khalid, toen nog 14, had op 25 maart 2004 rond het middaguur met vrienden in de bus gezeten, toen Mounir de simkaart uit zijn mobiele telefoon haalde. Hij draaide 112 en zei: “Ik wil melden dat zo meteen op het station van Amsterdam een bom afgaat.” Toen zijn vriend de sim-kaart uit zijn telefoon deed, had Khalid geen idee van wat die van plan was, zegt hij. Khalid: “Toen we hem hoorden zeggen dat er een bom lag op het station, dacht niemand van ons dat ze dat serieus zouden nemen.”

Precies twee weken nadat bommen in Spaanse treinen meer dan 1500 slachtoffers maakten, werd het Centraal Station in Amsterdam ontruimd. Brandweer, ambulances en de mobiele eenheid rukten uit. Uren lang reden geen treinen van en naar Amsterdam.

Vindt Khalid het terecht dat de rechter hem veroordeelde voor medeplichtigheid? Khalid schudt zijn hoofd. “Natuurlijk niet. Ik zat er toevallig bij. Ik kon toch niet weten dat Mounir een bom ging melden?” Hadden de jongens daar van tevoren dan geen lol om gehad? Hadden ze niet gelachen om de paniek die het zou veroorzaken? Twee open en vriendelijke ogen onderschrijven de woorden: eerlijk waar echt niet.

Ontkenning. De reactie tekent een groep die een eigen rol opeist in grafiekjes van schooluitval, jeugdwerkloosheid en criminaliteit: die van jonge Marokkaanse Nederlanders. De gevangenis doet deze jongens geen goed. Eenmaal weer op straat geven ze meer problemen dan daarvoor. Nu statistieken geen moeite meer hebben met etnisch onderscheid, willen psychiaters en psychologen praten over wat blijkt in hun praktijk: de meeste Marokkaanse jongens met onaangepast gedrag hebben een psychisch probleem. Dat geldt zeker voor driekwart tot 80 procent van degenen die in de jeugdgevangenis terechtkomen.

Dat is “ontzettend veel”, vindt Nils Duits, de kinder-en jeugdpsychiater die zich al meer dan tien jaar zich als een spin in het web met criminele jongeren bezighoudt. Duits is landelijk portefeuillehouder voor de jeugd, bij de Forensisch Psychiatrische Dienst van het ministerie van Justitie. Als een rechter of officier van justitie vraagt om psychiatrisch of psychologisch onderzoek van een criminele jongere, regelt de dienst van Nils Duits dat.

Gerechtelijke (forensische) jeugdpsychiaters die een jongere beoordelen, kijken sinds kort niet meer alleen naar de dader, vertelt Duits. Hun analyse gaat over het hele gezin en over de opvoeding. Over probleemgezinnen met Marokkaanse wortels noteren psychiaters telkens diezelfde drie woorden: Ontkenning, Wantrouwen en Pedagogische Onmacht. Die laatste kwalificatie, ‘pedagogisch onmachtig’, betekent dat ouders hun kinderen niet sturen, steunen en begrenzen. Psychiaters die werken met criminele jongeren spreken daarom van een ernstig opvoedingsprobleem.

De psychische scheefgroei die het gevolg is, manifesteert zich steeds dwingender als een maatschappelijk probleem waarvan de omvang nog niet te bemeten is. Met deze jongens gaat het namelijk “op alle vlakken mis”, zegt Erik Jongman. Hij was een pionier toen hij drie jaar geleden vanuit de kinder-en jeugdpsychiatrie begon jonge criminelen van Marokkaanse komaf te behandelen. Jongman: “Deze jongeren hebben emotionele problemen en kunnen niet veel hebben. Door hun wantrouwen maken ze snel ruzie. Ze menen al gauw dat ze worden aangevallen en vallen daarom zelf aan.” Dat zijn volgens Jongman paranoïde trekken. “Zulk wantrouwen leidt tot gedrag dat zichzelf uiteindelijk legitimeert: hun agressiviteit maakt dat ze inderdaad overal worden afgewezen.”

Veel van deze jongeren gaan daardoor zonder diploma van school. Vervolgens vinden ze geen werk, geven overlast op straat en raken betrokken bij kleine criminaliteit. Ze komen met politie en justitie in aanraking door diefstal met geweld en straatroof.

Duits en Jongman zien bij veel kinderen onder de twaalf gedragspatronen die wijzen op een onevenwichtige ontwikkeling. Ze zijn bang dat de huidige basisschoolleerlingen meer problemen gaan geven dan hun oudere broers en neven nu.

Over wat er mis gaat in de opvoeding van deze jochies, hebben psychiaters en psychologen dezelfde mening als veel onderwijzers. In hun ervaringsverhalen tekent zich een duidelijk patroon af. Nils Duits: “Zonen van Marokkaanse moeders groeien op als prinsjes.” Daarmee bedoelt Duits dat ze “niet leren verantwoordelijkheid te dragen”, en Duits schetst: “Binnenshuis heeft de moeder het voor het zeggen.” Zij stelt geen duidelijke regels of grenzen, ze verwent haar zonen.” De prinsjes zijn daarom gewend om wat ze willen, meteen te krijgen.

Het gevolg is dat de zoon en niet zijn moeder de dienst uitmaakt, zegt Marie-José Karskens, een vijftiger die met doorgewinterde nuchterheid de zwarte basisschool Fatima in het Amsterdamse Bos en Lommer bestiert. Net als Duits heeft ze het over “de prinsjes”. Neem Yassin. Hij komt te laat op school, of hij komt niet. Yassin wil niet naar school, zei de moeder. Karskens moedigde haar aan: “Jij bent de baas. Je zet de wekker en je brengt hem naar school.”

Maar moeder is de baas niet. Als Yassin stennis schopt gaat hij niet naar school, als hij niets wil eten krijgt hij chips. “Niet erg, hij is nog klein”, lachte zijn moeder tegen de schooldirecteur. Als Yassin er om 9 uur nog niet is, pakt Karskens de telefoon. Ze belt bijna elke morgen. Meestal neemt Yassin zelf  op. Dat kan hij best, Yassin is vier.

Zolang het prinsje binnen blijft, heeft niemand er last van. Maar hij gaat de deur uit en weet zich niet te gedragen, zegt Nils Duits. “Zijn moeder is niet met de buitenwereld vertrouwd. Hoe moet zij haar zoon leren hoe je met elkaar omgaat?”

Hans Luiten woonde al zijn halve leven in Bos en Lommer toen hij   stadsdeelvoorzitter werd. Overdag houdt hij stijlvol kantoor aan het uit dichtgetimmerde huizenblokken herrezen Bos en Lommerplein. Buiten werktijden zit hij op de drukke pleintjes waar zijn kleuter rondjes fietst. Voor kennis van de wijk heeft hij geen beleidsnota nodig. Toch benadrukt juist Hans Luiten dat het moeilijk blijft om “afwijkend gedrag te plaatsen”. Daarvoor moet je vaak bij Marokkaanse families achter de voordeur komen, en dat komen de meeste witten niet. Toch ontloopt Luitens analyse die van de psychiater niet. Met 80 procent van de kinderen van Marokkaanse ouders gaat het goed. Een op de vijf ontspoort. In Bos en Lommer komen 200 jonge Marokkaanse Nederlanders geregeld met politie en justitie in aanraking.

Deze kinderen staan er alleen voor, zegt Hans Luiten. “Ze krijgen niet de bescherming, de bevestiging en de bagage die een kind in de moderne stad nodig heeft.” Luiten: “Ik ga met mijn zoon naar het zwembad. Als hij over 10 jaar meisjes interessant vindt, leg ik hem uit wat wel kan en wat niet.” Marokkaanse vaders of moeders gaan niet mee naar het zwembad. De jongens zijn altijd alleen. “Als ze voor het eerst een meisje in bikini zien, gaan ze gek doen.”

Wie al te gek doet, wordt opgepakt – Khalid sinds zijn negende een keer of zes. En dan lopen agenten en hulpverleners tegen die intussen bijna spreekwoordelijke ontkenning aan. Nils Duits: “Kinderen van Marokkaanse ouders ontkennen bijna altijd. Zelfs al zijn ze betrapt, ze spelen altijd de vermoorde onschuld.” Khalid zegt plechtig dat hij nooit agressief is. Zijn vmbo-leraar vertelt dat hij in de jeugdgevangenis zat omdat hij een vrouw mishandelde toen die hem het geld uit de kassa weigerde.

De psychiater, hulpverlener of politieagent die verhaal haalt bij de ouders – als hij al op bezoek mag komen –  wacht nog eens diezelfde ervaring. “Moeders zeggen over een criminele zoon: “Deze jongen is fantastisch. Thuis is het een lieve zoon. Geen probleem.”

Dat de moeders niet weten wat hun zonen buiten uitspoken, is waar. Tegelijkertijd zijn ze er ook niet op uit daar achter te komen. Nils Duits: “Vaak geldt het principe: wat je niet weet of ziet, dat is er niet. Dat is een cultuur-eigen manier om met een pijnlijke situatie om te gaan.” Als een moeder erkent dat haar zoon ontspoort, is ze als moeder mislukt. En dat terwijl haar hele identiteit zo goed als samenvalt met het moederschap.

Ook bij Khalid thuis heeft de moeder het voor het zeggen. Khalid: “Mijn moeder bepaalt dat we onze schoenen moeten uitdoen. Ook mag ze kiezen wat we ’s avonds eten.” Hij heeft nooit problemen met zijn moeder, zegt hij. “Als ik iets wil, vraag ik het haar. Dan geeft ze me geld.”

Als Khalid door agenten wordt thuisgebracht, is het zijn moeder die hem opwacht. Nadat Khalid de eerste keer was opgepakt voor diefstal – hij was negen, gaf zijn oudste broer hem klappen. “Van schrik heb ik vier jaar niet gestolen.” De laatste twee jaar weer wel. Khalid zegt dat hij goed begrijpt dat zijn moeder zich zorgen over hem maakt. “Terecht. Zij heeft ons op de wereld gezet om ons goeie dingen te leren. Als mijn broer of ik in de gevangenis zitten, praat de hele buurt over ons.”

De vader van Khalid is vaak van huis. Hij werkt als schoonmaker van zes uur ‘s avonds tot drie in de nacht. Overdag is hij meestal “dingen regelen, zoals formulieren bij de bank”. Als de politie aan de deur is geweest, wordt hij erg kwaad op Khalid.

Het verhaal van Khalid, de ervaring van de schooldirecteur en de analyse van de psychiater, alledrie bevestigen het beeld dat Vrij Nederland-journalist Margalith Kleijwegt schetst in haar vorige week (20 april) verschenen boek Onzichtbare Ouders, de buurt van Mohammed B. Als Nils Duits praat over ‘pedagogische onmacht’, laat Kleijwegt zien wat dat betekent. “Thuis wordt de leerlingen wel van alles verboden”, schrijft Kleijwegt. “Maar veel ouders houden er de hand niet aan… Ze gebruiken ‘mag niet’ als een bezweringsformule.”

Marokkaanse vaders bemoeien zich pas met hun kinderen als het mis gaat, zegt Nils Duits. Hun rol is corrigerend. Maar daar beginnen ze niet alleen te laat mee, vaak doen ze het door te schelden. Of te slaan. En dat werkt net zo averechts als het verwennen van de moeder. Het komt de ouders op het predikaat “pedagogisch onmachtig” te staan. Ze hebben moeite met wat in psychologenjargon “positief bekrachtigen” heet. Duits bedoelt: veiligheid bieden, opkomen voor de belangen van het kind, stimuleren, regels en doelen stellen, gemaakte afspraken controleren en kinderen steunen als ze het moeilijk hebben.

Maar wat bepaalt dan iemands opvoedkundig vermogen? En waarom zou een etnische groep en niet een sociaal-economische klasse zich daarin onderscheiden? Volgens Erik Jongman is de doorslaggevende factor een culturele. “Marokkaanse ouders hebben een idee van opvoeding waar niet noodzakelijkerwijs iets mis mee is. Het werkt alleen niet in deze omgeving”. De Marokkaanse opvoedingsstijl is er een van eenrichtingsverkeer, legt Jongman uit. “Je zegt wat je van een kind verwacht, en dat moet zo worden opgevolgd.” Dat staat haaks op de Nederlandse cultuur, waarin kinderen leren onderhandelen over wat ze wel en niet mogen. “Het is het verschil tussen een bevelshuishouding en een onderhandelingshuishouding.”

Nils Duits benadrukt dat de sociaal-economische achterstandspositie van Marokkaanse ouders ook invloed heeft op de manier van opvoeden.Tegelijkertijd hecht Duits belang aan de manier waarop leden van een gemeenschap gewend zijn elkaar te controleren en te corrigeren. Het controlemechanisme uit de Marokkaanse cultuur staat volgens hem haaks op wat gangbaar is in Nederland. “In Marokko is het normaal om hardhandig te corrigeren”, zegt Duits. “Wie op school niet luistert, krijgt slaag.” In plaats van de externe controle uit de Marokkaanse cultuur, geldt in Nederland zelfsturing of zelfbeheersing. Daarvoor is het nodig dat iemand zich de gangbare normen heeft eigen gemaakt, ze heeft geïnternaliseerd.

Eigenlijk verwoordt Khalid dat mooier dan een psychiater kan. Khalids drie  oudste broers hebben nooit met de politie te maken gehad. Dat komt, legt Khalid uit, doordat zij zijn opgegroeid in Marokko – zijn moeder kwam pas in 1996 met de kinderen naar Nederland. Khalid was toen zes. Khalid: “Als je in Marokko steelt, krijg je een enorme klap tegen je kop. Dat vertelt de juf je op school, dat zeggen je ouders. Dus daar is iedereen bang voor. Nee hoor, in Marokko laat je het wel uit je hoofd.”

Met hun uit Marokko meegenomen pedagogische gereedschapskist, voeden ouders hun Nederlandse kinderen op. Menig kind van Marokkaanse ouders krijgt daardoor onvoldoende kans om zonder problemen zijn weg te vinden. Te veel zonen lijden aan wat de psychiater “een antisociale of een narcistische persoonlijkheidsstoornis” noemt.

Het beeld dat daarbij hoort is niet sympathiek. Duits: “Deze stoornis geeft gedachten van grootheid en succes. Iemand stelt zich agressief en eisend op. Hij meent bijzondere rechten te hebben, manipuleert voor eigen gewin en leeft bij de dag. De ander doet er niet toe. Er zijn geen spijt- of schuldgevoelens. Het gaat om eigenbelang en  egocentrisme.”

De vraag die nu iedere politieman, hulpverlener, onderwijzer of rechter zich stelt is: hoe pak je een antisociale narcist en zijn familie aan? Niet alleen taal, codes en gewoonten zijn anders, de Nederlandse hulpverlener wekt argwaan en verzet. Basisschooldirecteur Mirjam Leinders is zelf in het bluswater gaan staan. Toen ze vijf jaar geleden als adjunct op de Paulusschool begon, zette ze al haar kaarten op wat in het onderwijs ‘de zorgstructuur’ heet. Allereerst verkleinde Leinders de klassen. Zaten er voorheen 28 kinderen in een klas, nu 15. Vanaf groep 5 krijgen kinderen sociale vaardigheidstraining. Om de kinderen na school van straat te houden, organiseert de Paulusschool toneel, sport en circustheater. Er zijn twee interne begeleiders die voor de 200 kinderen alle extra aandacht die ieder kind nodig heeft – van logopedie tot jeugdzorg – coördineren. De school heeft twee orthopedagogen in dienst. Zij zijn gespecialiseerd in leerproblemen die met opvoeding te maken hebben.

Luxe is dat niet. Op de Paulusschool, ook een zwarte school in Bos en Lommer, dagen leerlingen de regels voortdurend uit. Door dit “grensoverschrijdend gedrag”, zijn de leraren veel tijd kwijt met ordeproblemen. Net als op de Fatima-school een paar straten verder, probeert Leinders de ouders in haar vizier te krijgen. Ze organiseert elke maand een koffie-ochtend, ouders moeten het rapport van hun kind ophalen, soms gaat er een leerkracht op huisbezoek. Net als op de Fatimaschool geldt op de Paulusschool: de meeste moeders komen. Vaders nooit.

Het stadsdeel Bos en Lommer zet intussen zijn geld en energie op de moeders en financiert op alle basisscholen een serie opvoedingscursussen. Moeders kunnen deze in het Turks, Marokkaans of Nederlands volgen, vertelt de stadsdeelvoorzitter. Luiten: “Het helpt de moeders. Zij hebben het zwaar te verduren en zijn erg ongelukkig.” Het stadsdeel betaalt ook de zogeheten ‘voorschool’, die intussen de helft van alle driejarigen voorbereidt op de basisschool.

Voor de jongeren die via de rechter bij Nils Duits en Erik Jongman komen, zijn deze cursussen te laat. Zij hebben dan al verschillende taakstraffen, begeleidingsvormen en gevangenisstraffen achter de rug. Nadat psychologen en psychiaters stil alarm sloegen over de stoornissen van jonge criminelen, begon Erik Jongman in de kliniek die toen nog De Derde Oever heette jonge Marokkanen en hun gezin te behandelen

Toen Jongman daar drie jaar geleden mee begon, had hij niet meer dan twee uitgangspunten. Allereerst: geen jongen zonder ouders behandelen. En: Nooit loslaten. Jongman: “In principe willen ze niet meewerken. Maar ook als ze zich verzetten, we blijven aan ze trekken.” Daarbij waakt Jongman ervoor de ouders het gevoel te geven dat ze het helemaal verkeerd doen. “De ouders zijn onzeker. En onzekere ouders zijn een deel van het probleem. Je moet dus niet als witte en almachtige hulpverlener binnenstappen en praten over heropvoeding. Dat is badinerend. Je moet begrip tonen, aansluiten bij hun cultuur, en zeggen: “Het is ook moeilijk voor u en uw zoon. U moet alleen een nieuwe manier vinden om hem ondersteunen.”

Tweeënhalf jaar geleden haalde De Bascule uit de Verenigde Staten een behandelingsmethode speciaal voor gezinnen met criminele kinderen. Deze Functional Family Therapy heeft in Amerika bewezen probleemgezinnen op een ander spoor te krijgen. Het gaat erom negatieve patronen in het gezin te doorbreken, legt Jongman uit. Eerst moet de therapeut alle gezinsleden motiveren om aan de behandeling mee te doen. Dat doet hij door ze duidelijk te maken hoe ongelukkig ze op elkaar reageren. Vervolgens laat hij zien dat bepaalde reacties weliswaar negatief lijken, maar dat daar een positieve bedoeling achter ligt. De zoon gaat zien dat de agressiviteit of boosheid van de vader bezorgdheid is. Moeder en vader leren dat hun zoon stoïcijns reageert uit teleurstelling. Precies dat, vertelt Jongman, is de kern van de Functional Family Therapy. “Hier worden de meeste ouders enthousiast, want de sfeer thuis verbetert meteen.”

In de tweede fase oefent het gezin met andere reacties en gedrag, vertelt Jongman. Ze merken dat je met positieve aandacht meer van een kind gedaan krijgt dan met slaag. Tenslotte maakt de therapeut afspraken over de verdere behandeling van de jongeren – de Functional Family Therapy verandert nog niks aan een antisociale of narcistische persoonlijkheidsstoornis. Dat laatste, relativeert Jongman zijn succes, is eigenlijk het lastigst, omdat “we nog niet goed weten waarom het wel of niet lukt. Soms is het drie jaar knoeien eer je verschil ziet. Maar psychopaten, bijvoorbeeld, zijn niet te behandelen.”

Als Erik Jongman zegt ‘niet te behandelen’, dan is er niemand in de forensische jeugdpsychiatrie die dat betwist. Het kan geen toeval zijn dat de man (met de looks van een popster voorbij zijn hoogtepunt) die naam maakte als succesvol behandelaar van Marokaanse criminelen, degene is die juist de kwetsbaarheid van deze ‘harde kern’-jongens benadrukt. Jongman: “De meeste jongens die we behandelen, plegen misdaden vanuit hun onzekere kant. Ze denken: wat ik ook doe, het werkt toch niet. Dat gevoel wordt bevestigd nu de rest van de samenleving ze afwijst.” Jongman erkent wat Margalith Kleijwegt in Onzichtbare ouders over het hoofd zag: hij kent het verdriet van de prinsjes.

Hij wijt hun mislukking ook niet aan de ouders alleen. Grote scholen zijn een ramp, zegt Jongman. “Daar sta je dan als jochie van twaalf, met duizenden anderen op het schoolplein. Je zeult een tas die je nauwelijks kunt tillen, je bent onzeker en je kent niemand. En dan heb je ouders die dát niet begrijpen. Die nooit zeggen: logisch dat je bang bent. Die niet weten hoe ze je moeten steunen.”

Als het goed is, leren ouders en kinderen in de Functional Family Therapy elkaars angst en onmacht zien. De Basscule heeft intussen 25 therapeuten die criminele jongeren en hun gezin behandelen. Ook andere psychotherapeutische klinieken behandelen probleemgezinnen op diezelfde manier. En de vraag naar hulp blijft groeien. Nu de hallelujaverhalen over heropvoedingskampen als Den Eng en Glenn Mills verstommen, zijn er voor de aanpak van Jongman niet veel alternatieven.

Jeugdpsychiater Nils Duits adviseert de gemeente Amsterdam over de aanpak van ‘harde kern’-jeugdcriminelen. Hij waarschuwt voor te hoge verwachtingen, ook van de nieuwe vormen van gezinstherapie: “Er is vaak zo veel mis. Voor sommige jongeren is er simpelweg geen remedie”. Wat er dan moet gebeuren om de aanwas van gestoorde jeugdcriminelen af te remmen? Iemand die psychiatrisch ziek is, moet worden behandeld, zergt Duits, en daarmee is hij ook meteen door de eenduidige scenario’s heen. “Ze hebben dwingender scholing en dwingendere opvoeding nodig, het liefst in overleg met het gezin en dicht bij huis.” En: “Ze moeten een vak leren.” Maar op de vraag naar welk soort vak, antwoordt Duits met een zucht. “Ramen lappen willen ze niet. Een administratief baantje kan vaak niet. Eigenlijk heb ik geen idee. Een prinsje rijdt in een Mercedes.”

**

Om zijn privacy te beschermen, is de naam van Khalid gefingeerd.

Opvoedingsdrame verscheen in Tijdschrift voor de Sociale Sector en in Waterstof

Advertenties

Over Marcia Luyten

Welkom in mijn wereld, ergens tussen Afrika en Amsterdam. Mijn leven als journalist, publicist en debater heeft verschillende huizen: krant, weekblad, website en boek. Podium, radio of tv. De locaties mogen verschillen, ik doe steeds hetzelfde. Vooruit, bijna hetzelfde dan. Ik zie iets groots in iets kleins en daarover schrijf of vertel ik een verhaal. Het moet een plezier zijn om naar te luisteren, zo rijk aan informatie dat je meer weet dan voorheen, subtiel genoeg om je ongemerkt een analyse mee te geven. Je zou kunnen zeggen dat ik sociaal-culturele, politieke en maatschappelijke ontwikkelingen beschrijf, maar dat staat wat bombastisch. Zoals Martin van Amerongen antwoordde toen ik, student nog, hem zei dat ik graag politiek journalist zou worden: “Zozo, niet minder dan dat?”
Dit bericht werd geplaatst in Journalistiek en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s