Ik eis respect, NRC 05-06-2004

Een nieuwe vorm van respect veroorzaakt culturele misverstanden. Eisen jonge mannen van Marokkaanse afkomst respect om hun achtergestelde positie te compenseren, of willen ze gewoon worden erkend in hun bestaan? Over de strijd om de macht op straat. `De haat neemt toe. Je kunt niet negeren dat groepen tegenover elkaar komen te staan.’

Bilal gaat zitten in de tram en kijkt in de ogen van de vrouw tegenover hem. Ze is een jaar of vijftig, hij is achttien. De vrouw ziet Bilal en drukt haar tas tegen haar lichaam. Bilal ziet dat gebaar, en hij voelt zich `vies’. Hij maakt het vaak mee, zegt hij, dat hij in Nederland geen respect krijgt.

Het is een breed gedeeld gevoel. Murat D., die in januari dit jaar zijn conrector door het hoofd schoot en vermoordde, deed dat in de hoop dat dat de leraar hem na een verblijf in het ziekenhuis met meer respect zou behandelen, vertelde hij de rechter. Khalid L., die in oktober 2002 in Venlo René Steegmans doodsloeg, klaagde tijdens zijn rechtszaak dat Steegmans geen respect had getoond voor hem. Steegmans had hem gevraagd om `wat meer respect voor ouderen’ toen hij op zijn scooter rakelings langs een oude vrouw reed. Ook bij diefstal met geweld door jongeren speelt respect vaak een rol, zei een Amsterdamse kinderrechter vorig jaar in deze krant. Vaak begint het met `interetnische conflicten’ waarin de dader vindt dat het latere slachtoffer hem `vuil of bijdehand’ aankijkt.

Respect is een issue. Niet respect in de zin van achting voor iemands gevorderde leeftijd, maatschappelijke positie of uniform, maar een nieuwe vorm: respect als machtswoord, vaak voorafgegaan door de korte woordjes `ik’ en `eis’. In die zin is het begrip volgens directeur Paul Schnabel van het Sociaal en Cultureel Planbureau afkomstig uit de Amerikaanse onderwereld en de zwarte jeugdcultuur. ,,Het is de sociale code die op straat het recht van de sterkste bevestigt. Respect wordt verkregen door te dreigen met geweld.” In Nederland leeft deze code vooral bij jonge mannen van Marokkaanse en Antilliaanse afkomst. Zij willen in de publieke ruimte met ontzag worden behandeld. Dáárdoor is voor hen `kijken’ zo veelzeggend, en geeft `verkeerd kijken’ soms al problemen.

Nederland is die code niet gewend. Respect liet zich niet opeisen of afdwingen. Het moest worden verdiend. Jongens van een jaar of zeventien die vragen om respect? ,,Tot een jaar of twintig geleden was dat ondenkbaar”, zegt Paul Schnabel. ,,Ook voor jongens zelf. Respect hoorde nu eenmaal niet bij kinderen.”

Maar om de baas op straat te blijven nemen ook Nederlandse gezagsdragers soms hun toevlucht tot de nieuwe code. Moslim Jan Beerenhout, een Amsterdamse gemeenteambtenaar die al veertig jaar met migranten werkt, liep onlangs met een wijkagent door Amsterdam-Noord. Toen de politieman langs een groepje Marokkaanse jongens liep, stak een van hen zijn middelvinger op. De agent zag het gebaar in een winkelruit, draaide zich om, en gaf de jongen een klap. Beerenhout vroeg geschrokken of de agent wist wat hij deed. Die antwoordde: ,,Dit is het enige dat werkt. Dat heeft met een verschil in cultuur te maken. Alleen zo hebben ze respect voor mij.”

Naffer

Respect leent zich voor culturele misverstanden. Gaat het om respect, dan handelen verschillende bevolkingsgroepen volgens verschillende codes. Maar ze duiden elkaars gedragingen in hun eigen kaders. Het nieuwe respect maakt het er niet eenvoudiger op. Neem de oudere vrouw in de tram in Amsterdam. Misschien werd ze al eens bedreigd, of gerold, of werd haar buurvrouw beroofd. En anders hoeft ze de krant maar te lezen om te weten dat ze in de tram op haar spullen moet passen. Ze zag Bilal en ze drukte haar tas tegen haar zij.

Maar Bilal zag gebrek aan respect. Hij wil met ontzag behandeld worden. Respect in de nieuwe betekenis is niet een extraatje, een verguld randje aan het bestaan. Het ontbreken ervan is niet neutraal: waar geen respect is, ondergaat iemand vernedering. Wat de oudere vrouw ook bedoelde te communiceren (`Laat me alsjeblieft met rust’ of: `doe me geen kwaad’), het doet er niet toe. Bilal ervaart het als een vernedering.

Hebben jonge mannen als Bilal recht op het soort respect dat ze verlangen? Lijden Nederlanders van allochtone afkomst in het algemeen onder een gebrek aan respect? Is het een teken van emancipatie dat ze het eisen? Of vragen ze te veel, en hebben zij zelf te weinig respect voor de normen en waarden van de samenleving waarin ze leven?

Jongerenwerker Hicham Darif, een Marokkaan van dertig, zegt dat Marokkaanse jongens van 17, 18 jaar allemaal een gebrek aan respect ervaren. Dan bedoelt hij misprijzende blikken op straat, de indruk in de gaten te worden gehouden als hij een winkel binnengaat. Zelf heeft hij dat ook voortdurend aan de hand. ,,Heel vervelend en pijnlijk”, zegt Paul Schnabel, ,,maar ook niet helemaal zonder reden. Marokkanen zijn vijf keer oververtegenwoordigd in de statistieken van kleine criminaliteit.”

Onzin, vindt Karima Belhaj, Marokkaanse en beleidsadviseur voor maatschappelijke vraagstukken. Zij ergert zich aan wat ze ,,de eeuwige clichés” noemt. Paul Schnabel begrijpt volgens haar de leefwereld van de Marokkaanse jongens niet. Deze jongens komen daadwerkelijk respect tekort, zegt ze. ,,Hun wordt iets onthouden wat voor anderen vanzelfsprekend is.” Marokkaanse jongens zijn crimineel, ze maken vrouwen uit voor hoer, ze trappen problemen op school, en ze worden sinds 11 september gezien als potentiële terrorist. Dat is, in de woorden van Belhaj, het beeld dat Nederlandse media geven van Marokkaanse jongens ,,sinds politici en journalisten dachten zich te moeten bevrijden van hun politieke correctheid”. Het stigma heeft volgens Belhaj grote consequenties voor hun dagelijks leven. Deze jongens krijgen zelden een goede stageplaats, nog moeilijker een baan, en als ze uitgaan, worden ze aan de deur geweigerd. Dan worden ze nageroepen met `geitenneuker’ en `naffer’. ,,Politici gebruiken het woord `kut’ in combinatie met hun afkomst. Als dat niet respectloos is. Marokkaanse jongens zijn gemaakt tot iets waarin al onze angst en afkeer samenkomen.”

Terwijl ze ontzag wensen, verkeren jonge allochtone mannen in de Nederlandse samenleving in een positie waarin ze juist moeilijk respect kunnen verwerven. Respect is afhankelijk van succes, zegt Baukje Prins, een sociaal-filosofe die werkt aan de Rijksuniversiteit Groningen en in haar boek `Voorbij de onschuld’ het Nederlandse debat over de multiculturele samenleving analyseert. Dat is het al sinds de standenmaatschappij in de twintigste eeuw werd verruild voor een meritocratie, een samenleving die prestaties beloont.

Wie presteert, geniet aanzien. Wie mislukt, zit aan de onderkant van de samenleving en wordt daar zelf verantwoordelijk voor gehouden. Respect is er voor de stijgers. Maar kijk eens hoe onze samenleving er uitziet, zegt Prins, en ze tekent een driehoek. ,,De top blijft even smal. Alleen wil iedereen nu omhoog. Dit systeem creëert dus veel verliezers.”

En Nu Iets Positiefs

In die samenleving moeten jonge Marokkanen zich waarmaken. Zij zijn de kinderen of kleinkinderen van gastarbeiders die hun ticket naar Nederland dankten aan hun lage opleiding, zegt Prins. Maar zij willen volgens haar geen arbeider worden. Zij willen werken op kantoor. ,,Ouders en kinderen hebben vaak weinig realistische verwachtingen over wat die kinderen zullen bereiken.”

Om respect te verdienen, respect dus in de oude zin van het woord, verzamelden Marokkaanse jongens uit Overtoomse Veld in Amsterdam – een wijk die in 1998 het toneel was van rellen tussen politie en Marokkanen en onlangs weer door straatterreur in het nieuws kwam – oude ziekenhuisbedden, schoolmeubilair, afgedankte computers en tweedehands fitnessapparatuur. In een jaar tijd knapten ze de spullen op, om ze naar scholen en ziekenhuizen in Casablanca te brengen. En Nu Iets Positiefs, heet het project. Projectleider Hicham Darif: ,,Ze leren iets. Ze krijgen complimenten. Ze helpen anderen en daar krijgen ze erkenning voor.” De jongens kwamen terecht bij het project omdat ze ,,aan het afglijden waren”. Nu zeggen ze tegen Darif: ,,Ik heb geleerd op tijd te komen, ik heb geleerd rolstoelen op te knappen, ik zie er door het fitnessen een stuk beter uit. Ik voel me goed.” Baukje Prins, instemmend: ,,Wedden dat deze jongens nu minder opgefokt over straat lopen?”

Ze neemt een boek ter hand, getiteld `Respect’, van de Amerikaanse socioloog Richard Sennett, en zet uiteen wat ze als de kern van de zaak beschouwt. Essentieel voor respect zijn: zelfrespect en wat Sennett `social honour’ noemt, oftewel het respect van de buitenwereld. Zelfrespect krijgen we door onze talenten te ontwikkelen en daarmee te werken, aldus Sennett. Maatschappelijk aanzien of social honour vereist dat iemand voor zichzelf kan zorgen; dat hij zijn eigen broek ophoudt en geen uitkering nodig heeft – de samenleving is bang voor parasitisme en die angst is omgezet in een afkeer van afhankelijkheid. Wie daarentegen anderen helpt en daarmee iets teruggeeft aan de maatschappij, boekt dubbele winst. Die krijgt zowel zelfrespect als het respect van de buitenwereld. Dit overkwam de jongens uit Overtoomse Veld. Veel andere jonge Marokkanen moeten het doen met minder zelfrespect en met minder waardering van de buitenwereld.

Moedervlek

Daar komt bij, zegt Paul Schnabel, dat Marokkaanse jongens vaak zijn grootgebracht met een superioriteitsgevoel over hun religie. ,,Zij zijn moslims en geen `christenhonden’, ze vertegenwoordigen het ware geloof. Maar dat gevoel van superioriteit is strijdig met hun belabberde maatschappelijke positie.” Het is een pijnlijke ongerijmdheid waarvoor iemand in de buitenwereld compensatie zoekt: een extra aanleiding om respect te eisen en een extra risico om vernedering te ervaren. ,,Ik vraag me soms wel af hoe echt de vernedering is die men zegt te voelen”, zegt Schnabel. ,,Het is ook een truc.” Hij spreekt van `slachtofferschap’ als verontschuldiging voor het eigen falen: het ligt allemaal aan de anderen.

Baukje Prins neemt het wel serieus. Vernedering is nauw verbonden met gebrek aan zelfrespect, zegt ze. Dat komt volgens de filosofe omdat het beeld dat je van jezelf hebt bepaalt hoe je denkt dat anderen jou zien. Om dat te illustreren vertelt ze over een experiment. Daarin werd onderzocht of het uiterlijk van vrouwen invloed heeft op de manier waarop mannen hen tegemoet treden. Daarvoor ging een groep vrouwen in gesprek met verschillende mannen. Aanvankelijk mooi opgemaakt. Daarna met dezelfde make-up, plus een grote nepmoedervlek naast de mond. Alle vrouwen rapporteerden dat, toen ze eenmaal die moedervlek hadden, de mannen hen minder positief bejegenden. De meeste vrouwen hadden gemerkt dat de blik van de man telkens weer afdwaalde naar de ontsierende vlek bij haar mond.

In werkelijkheid waren niet de mannen, maar de vrouwen onderwerp van onderzoek. Na het aanbrengen van de moedervlek had de visagist op het allerlaatste moment nog een vinger langs de nepvlek gehaald. En de moedervlek weggeveegd. De vrouwen zagen er tegenover alle mannen even knap uit. Toch zeiden ze allemaal dat ze door die moedervlek minder positief werden benaderd. De perceptie van de perceptie, zo luidde de conclusie, wordt sterk beïnvloed door iemands zelfbeeld.

Dat lijkt Marokkaanse jongens parten te spelen, als ze afkeurende blikken zien in de ogen van passanten. Waarbij het verschil met de vrouwen uit het experiment natuurlijk is dat deze jongens wel echt die moedervlek hebben: ze zien er Marokkaans uit. Maar ook zij kunnen door gebrek aan zelfrespect volgens Baukje Prins dingen zien die er niet zijn. ,,Ze zijn overgevoelig voor vernedering.” In de ,,cultivering” van die gevoeligheid ziet ze signalen van een belangrijke politiek-maatschappelijke ontwikkeling: het Marokkaan-zijn wordt voor jongeren een politieke identiteit. Volgens haar zou dat kunnen duiden op een empowerment-beweging, wat letterlijk wil zeggen dat een groep `zichzelf macht geeft’. Vanuit een achterstandspositie wordt zeggenschap bevochten. Precies zo verliep de emancipatie van vrouwen, betoogt Prins, en die van zwarten in Amerika.

Ook volgens Karima Belhaj is het geen toeval dat Marokkaanse jongens in hun gedrag en in hun vraag om respect doen denken aan Amerikaanse rappers. ,,In beide gevallen gaat het om jongeren die zich verzetten tegen hun onderdrukking. Luister naar de Marokkaanse rapper Ali B. Dat gaat over uitsluiting en verzet.” Dat ze hun Marokkaan-zijn benadrukken en zich tegen Nederland afzetten, ziet Belhaj als een begrijpelijke reactie op de afwijzing die ze moeten incasseren. Dat vertroebelt misschien het zicht op hoe westers ze zijn. Belhaj: ,,Ook als een Marokkaans meisje een hoofddoek draagt, is alles eronder sexy en r&b.”

Maar Belhaj ziet hier wel gevaren. Dit zijn kinderen van de Nederlandse samenleving, benadrukt ze. ,,Níét: Marokkaans.” Wanneer de jongens vanuit een gebrek aan zelfrespect op zoek gaan naar hun wortels, komen ze moslims tegen die zeggen: ,,Inderdaad, het Westen wijst je af omdat je moslim bent, kom maar bij ons.” Dan lopen ze regelrecht in de armen van fundamentalisten.

Daarom vindt Belhaj dat ,,het nieuwe racisme” moet worden aangekaart. Ze wil dat wit Nederland zich bezint op respectvolle omgangsvormen.

Anekdote van Jan Beerenhout. Hij loopt op de markt achter drie Turkse vrouwen. Ze dragen een niqab en kijken naar een Nederlandse vrouw van een jaar of 50 die, in de woorden van Beerenhout, ,,de laatste mode volgens de Libelle” droeg. Beerenhout verstaat Turks en hoort wat ze elkaar toeroepen: ,,Kijk nou. Wat een hoer.”

Jan Beerenhout kan er niet bij dat mensen die uit vrije wil naar Nederland verhuisden verwachten dat het ontvangende land zich aan hun culturele mores aanpast. Dát vindt hij gebrek aan respect. Nieuwkomers moeten zich meer rekenschap geven van wat ze van Nederlanders vragen, vindt Beerenhout. Zoals de jonge Marokkanen in Sittard, die hun burgemeester om hulp vroegen bij hun integratie. Toen de gemeente vervolgens Beerenhout uitnodigde om met hen te komen praten, nam hij een hulpmiddel mee.

Beerenhout was thuis ,,gaan fotoshoppen”. Hij gaf een straat in een kleine Marokkaanse stad Nederlandse elementen – de bevolking was immers in korte tijd verrijkt met een grote hoeveelheid immigranten uit Nederland. Op de foto verkoopt de slager `lekkere hamlappen’ en heeft hij karbonades in de aanbieding. Een moskee is tot gereformeerde kerk omgebouwd, de minaret vervangen door een kerktoren. Naast de kerk ligt een seksshop, en op een bankje zoent een verliefd paar. De Marokkanen uit Sittard waren geschokt. Ze zeiden: ,,Jeetje, zo hebben we het nooit gezien.” En: ,,Dat zou bij ons nooit worden getolereerd.” Opeens begrepen ze veel beter waarom in Nederland ook niet al hun gewoonten en gebruiken zomaar worden getolereerd.

Is dit niet precies de uitweg uit de impasse van angst en krenking? Wat als Bilal in de tram had gezegd: ,,Wat erg dat u bang bent voor mij.”

Frustratietolerantie

Inlevingsvermogen had waarschijnlijk wonderen gedaan. Maar kun je van een Marokkaanse jongen van 18 vragen zich te verplaatsen in de ervaring van een Nederlandse vrouw van vijftig? Nee, zegt Karima Belhaj. ,,Je vraagt die jongens zich volwassener te gedragen dan de achttien jaar die ze zijn. Dat vereist een hoge frustratietolerantie.” Ook Paul Schnabel sluit het uit. Eigenlijk verwacht hij net zomin dat een Nederlandse jongen zich kan verplaatsen in een oudere vrouw, maar ,,voor een man die is opgegroeid in een cultuur waarin vrouwen minderwaardig zijn, is dat extra moeilijk. Dan krijg je hetzelfde als wat nu te zien is op de foto’s uit de Iraakse gevangenissen: je ontdoet de tegenstander van zijn menselijke kanten, waardoor het gemakkelijker is hem te kwetsen en te vernederen.” Dat patroon is bekend uit modellen voor conflictanalyse. Schnabel ziet deze `de-humanisering’ in de Nederlandse samenleving aan beide kanten. Wil je je in iemand kunnen inleven, dan moet je die ander allereerst gelijkwaardig vinden, zegt Schnabel.

Volgens Belhaj gaat het in Nederland niet die kant op. Zij ziet het conflict langzaam maar zeker groeien. ,,Kijk naar wat zich afspeelde op het Mercatorplein, toen de politie een Marokkaanse jongen doodschoot. De haat neemt toe. Je kunt niet meer negeren dat verschillende groepen tegenover elkaar komen te staan. Ik sluit rassenrellen zoals in Los Angeles dan ook niet uit.” Kan zij zelf, een mooie, hoogopgeleide en succesvolle vrouw van 33, zich wel verplaatsen in de angst en onzekerheid van de vrouw in de tram? Ze is welbespraakt en haar antwoorden rollen in volzinnen haar mond uit, maar nu is Karima Belhaj even stil. Dan zegt ze: ,,Ja, ik snap het wel. Ik kan me indenken dat ze bang is. De media hebben ook zo’n angstaanjagend beeld van deze jongens geschapen.”

Op de vraag hoe we er dan wel uitkomen heeft Paul Schnabel een antwoord van kinderlijke eenvoud: er moet weer duidelijk worden gemaakt wat wel en wat niet kan. In Nederland is de overtuiging ontstaan dat iemands ervaring of gevoel een goede reden zijn om te handelen. Pim Fortuyn heeft dit geëxploiteerd met het credo: ik zeg wat ik denk. Dat kan niet, vindt Schnabel, en daar moeten we snel van af. ,,Als je de lichaamstaal of de oogopslag van een ander interpreteert als iets vijandigs, betekent het niet dat je daarop moet reageren. Marokkaanse jongens in Nederland moeten maar leren om een blik die ze niet aanstaat te verdragen. Hetzelfde geldt natuurlijk voor de witte Nederlanders.”

Op de langere termijn gaat het erom dat deze jongens een goede opleiding krijgen en werk vinden. Niets, weet Schnabel, integreert zo goed als werk, want ,,dan heb je zelf belang bij deze samenleving”.

Intussen, op straat, worden wederzijdse misverstanden zichzelf bevestigende verwachtingen. In Overtoomse Veld praten we nog even over wat zich afspeelde in de tram, toen de oudere vrouw bij het zien van Bilal haar tas tegen zich aantrok. Want hoe reageerde Bilal? De jongen haalt zijn schouders op. Hij deed niks. Hij was gekwetst. Verder niks. Dan zegt Hicham Darif: ,,Dat komt omdat Bilal een rustige jongen is. Hij kan zich beheersen. Maar een ander in zijn plaats zou gemakkelijk kunnen denken: Stomme trut. Dan heb je er ook zelf om gevraagd. En dan pikt hij die tas.” Haar tas wordt gestolen en daaraan heeft die mevrouw dan zelf schuld, vindt ook Bilal. Ze toonde helemaal geen respect.

Advertenties

Over Marcia Luyten

Welkom in mijn wereld, ergens tussen Afrika en Amsterdam. Mijn leven als journalist, publicist en debater heeft verschillende huizen: krant, weekblad, website en boek. Podium, radio of tv. De locaties mogen verschillen, ik doe steeds hetzelfde. Vooruit, bijna hetzelfde dan. Ik zie iets groots in iets kleins en daarover schrijf of vertel ik een verhaal. Het moet een plezier zijn om naar te luisteren, zo rijk aan informatie dat je meer weet dan voorheen, subtiel genoeg om je ongemerkt een analyse mee te geven. Je zou kunnen zeggen dat ik sociaal-culturele, politieke en maatschappelijke ontwikkelingen beschrijf, maar dat staat wat bombastisch. Zoals Martin van Amerongen antwoordde toen ik, student nog, hem zei dat ik graag politiek journalist zou worden: “Zozo, niet minder dan dat?”
Dit bericht werd geplaatst in Journalistiek. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s