Ga ook eens naar Rwanda, de Volkskrant 28-02-2004

Niets is zo heilzaam om vrijheid opnieuw te leren waarderen als een verblijf in een dictatuur. Maar hoe zuinig is Nederland eigenlijk nog op zijn vrijheid?

Toen ik eind 2003 uit Afrika terugkeerde, was Nederland de oude niet meer. Op de deur van mijn sauna zat een affiche gespijkerd. Het zegt in sympathieke, maar niet mis te verstane woorden dat ‘kijken’ hier seksuele intimidatie heet. Wie beschuldigd wordt, moet de sauna verlaten. Zo’n waarschuwing is gek. Mijn sauna is er een van oud-krakers, en de vrije en anarchistische mens heeft een afkeer van regels. Hier is iets misgegaan.

Ook buiten de krakerssauna gaat iets onherroepelijk verkeerd. Er zijn Nederlanders die met succes aanbeuken tegen datgene dat Nederland bijzonder maakte. Mensen zijn doodgeschopt, doodgeschoten, middenstanders leggen het af tegen dieven, en bejaarden worden in hun tehuis beroofd.

Maar dood en roof zijn grove voorbeelden en ze laten niet goed zien wat voor subtiels nou eigenlijk stukgaat. Het gaat in wezen om een ingewikkelde omgangsvorm die zich nergens beter laat kennen dan in de krakerssauna. Al is het pand niet meer gekraakt, nog steeds wordt op deze plek een hoogmis voor het alternatieve gevierd. Het saunapersoneel is vrijwilliger, de yogithee kost er een kwartje, een bijstandsmoeder krijgt met korting een massage, de sauna is goed heet en het is er gemoedelijk. De sfeer was er een van alles moet kunnen.

Vanzelfsprekend wisten mannen en vrouwen dat juist in een sauna niet alles kan. Gemengd bloot vraagt terughoudendheid. Je ogen zijn open, maar je kijkt niet. Ingewikkelder: als je wel iets ziet – er zijn genoeg tribale versieringen als blikvanger – laat je dat niet merken. Het is de kunst van ziende blind zijn.

Totdat mannen naar vrouwen gingen zitten kijken – vaak waren het mannen die niet gewend zijn aan naakte vrouwen die tussen mannen zitten. Ze keken niet alleen, ze vielen vrouwen lastig, en joegen de vrouwen de sauna uit. Er was geen wet overtreden, maar met mijn vrijheid was het wel gedaan.

Intussen waren ook de mannen zenuwachtiggeworden. Een vaste bezoeker zegt dat hij als de dood is dat een vrouw denkt dat hij haar bekijkt. Deze man ontwijkt vrouwen – ‘ik ben een dromer, voor ik het weet staar ik voor me uit en zit daar net een vrouw’– en verlangt naar een mannendag.

Het bestuur van de sauna zat klem. Meer dan een jaar werd in vergaderingen de ene vrijheid tegen de andere gewogen. Om de seksist en zijn intimidatie te weren, moest er een verbod worden uitgevaardigd, waarmee de sauna zich gedwongen zag haar eigen ziel te verminken. Er werd een affiche op de buitendeur en in de kleedkamer gehangen.

Op andere plekken in de samenleving is het voor afspraken te laat. Ik ben terug in een land dat zijn terughoudendheid tegenover repressie heeft laten varen. We zijn ons letterlijk tot de tanden aan het bewapenen. Nog heel even en ik moet mij op straat identificeren. Nu al word ik overal gefilmd. In de winkel dragen de verkoopsters ‘oortjes’, net als het leger van beveiligingspersoneel dat als een cordon staat opgesteld in de tweede verdedigingslinie, achter de detectiepoorten. Ik word door hen in de gaten gehouden als ik oorbellen of onderbroeken koop.

Rotterdam is na zonsondergang Sperrgebiet voor wie een zaklamp of schroevendraaier bij zich draagt. In Amsterdam voeren na de zwembaden nu ook bioscopen zwarte lijsten met honderden namen. Op het Rembrandtplein kun je feestvieren binnen een kring van ME-busjes. We hebben het er graag voor over. Per slot van rekening ga je nergens zo veilig over straat als in een politiestaat.

Sinds mijn terugkeer uit Rwanda ben ik het meest verbaasd over hoe gelaten we de afsluiting van onze samenleving over ons heen laten komen. Niet dat Nederlanders zich over hun omgeving niet druk maken. Integendeel. Nederland maakt zich meer dan ooit zorgen over Nederland. Maar dat is de paradox: de globalisering verlegt de focus van menig Nederlander vooral naar de eigen navel. Zijn gevoeligheid voor zijn eigen ongenoegen is groot. De ergernis heeft zich geëmancipeerd: de Nederlander pikt het niet meer.

Ik kwam terug in een land dat toptiens van ergernissen opstelt. Ergernissen in de vrije tijd (nummer 1: prijzen in de horeca), ergernissen in het verkeer (bumperkleven), ergernissen in de supermarkt (prijzen). De uitkomsten worden voorgelezen op de radio en komen in de krant. Nog even en op een ergernissentoptien volgen Kamervragen.

We stellen lijstjes met ergernissen op, maar zijn blind voor de ondergang van de open samenleving. Er is slecht zicht op wat nu, onder onze handen, verloren gaat. Waarschijnlijk komt het doordat we er te dicht bovenop zitten, dan krijg je een vertekend beeld.

Wat tegen zo’n bijziendheid helpt, is afstand nemen, weggaan. De migrant leert in zijn nieuwe land veel over waar hij vandaan komt. De remigrant – die zich ondertussen een nieuwe taal en mores eigenmaakte – kijkt bij terugkeer met frisse ogen naar wat hem nooit eerder was opgevallen. Dan kan het vanzelfsprekende ineens zijn vanzelfsprekendheid verliezen.

Zo had ik het dubbelzinnige genoegen in Rwanda te leven onder een totalitair regime. De controle is er verbluffend. Een Rwandees weet dat elke stap wordt gezien en elk woord gehoord, daar is geen camerasysteem voor nodig. Wie iets doet of zegt tegen de zin van de machthebbers in, die hoede zich. Een Rwandees wantrouwt zijn buur en weert het opstandige uit zijn eigen gedachten.

Als je veiligheid in het geding is, aarzel je niet over aanpassen, dus deed ik als de Rwandezen. Ik voerde in een openbare ruimte geen gesprek over politiek zonder voortdurend links, rechts, voor en achter mij te kijken. Na een bezoek van regeringsgetrouwen, keek ik onder mijn bank en tafel. Een jaar Rwanda en ik vond het controleren op microfoons normaal.

Mijn leven daar liet mij mijn Nederlandse leven zien als op een negatief. Ik miste juist die dingen die ik tot dan toe als vanzelfsprekend had beschouwd: vrijheid, de rechtszekerheid gewaarborgd door een onafhankelijke justitie, en een zeker sociaal vertrouwen. Eenmaal opgesloten in een autoritaire, repressieve staat, miste ik de open samenleving. Nederland was zijn vanzelfsprekendheid kwijt.

Van Hobbes, Locke, Rousseau en andere denkers had ik blijkbaar alleen iets over de herkomst van onze liberale rechtstaat opgestoken. Niets over de reële mogelijkheid het zonder die orde te moeten stellen. Net als Fukuyama meende ik dat de westerse politiekmaatschappelijke constellatie de vanzelfsprekende ordening was. En dat minder liberale delen van de wereld zich mettertijd – alsof het een natuurlijk groeiproces is – in dezelfde richting zouden ontwikkelen.

In Afrika zag ik hoe Europa een uitzondering is in plaats van de norm. De these van Jan Romein drong zich op. De historicus stelde dat Europa na 1500 was gaan afwijken van wat hij het Algemeen Menselijk Patroon noemde. In de geschiedenis der volkeren was volgens hem het westerse project volstrekt uniek.

Romein beschreef dat Algemeen Menselijk Patroon als volgt: in plaats van de wet geldt de willekeur van de heerser, er is een niet-seculiere staat, op de mens drukt de macht van de traditie – iets is goed als de vader het zo deed, de gemeenschapsbanden van dorp, stam of familie zijn dwingend, men is georiënteerd op het heden, het woord is niet vrij en de waarheid is van boven, door God of autoriteit, gegeven. Die kenmerken gelden allemaal voor het land waar ik woonde.

In Nederland is de waarheid ondergeschikt gemaakt aan de twijfel. Fundamenteel is alleen de scepsis tegenover onze eigen overtuigingen. Daarom, bijvoorbeeld, financiert de Nederlandse overheid zijn eigen oppositie. Dat is moeilijk uit te leggen in Rwanda.

Maar hoe solide is onze westerse ordening? De Italiaanse premier Berlusconi probeert de rechterlijke macht en de media hun onafhankelijkheid te ontnemen; Il Principe wil boven de wet worden geplaatst. In de Verenigde Staten lijken de belangen van een olieclan politieke besluiten te motiveren. En overal in het Westen worden uit angst voor terreur vrijheid en privacy ingeruild voor een gevoel van veiligheid. De vrijheid die wij Nederlanders de laatste drie decennia hebben genoten, is onovertroffen. Nu maken we werk van onze bepantsering.

Ik zie ook dat we meestal geen keuze hebben. Voor vrijheidvriendelijke maatregelen is het te laat. Hadden we maar eerder onze manieren moeten uitleggen. Of, zoals in de krakerssauna, ze zelfs een beetje opleggen. Maar ja, dat was zo moeilijk te rijmen met de wezenlijke scepsis jegens onszelf, met de vrijheid die we anderen gunden om anders te zijn. Maar nu dreigt gevaar voor het onuitgesprokene, voor de codes volgens welke we met elkaar omgaan. In plaats van ze met een fatalistisch gebaar opgeven, moeten we zien te redden wat te redden valt.

Dat is niet gemakkelijk. Een open samenleving als de onze verdraagt de open grenzen slecht. Alleen in een gesloten geheel kent iedereen de codes, en kunnen zelfsturing en zelfcorrectie doen wat in een minder verfijnde samenleving regels en verboden moeten realiseren.

In de krakerssauna is een ingrijpend besluit genomen. Wie naarbinnen wil, moet lid worden en krijgt een pasje. Een affiche legt uit waarom: ‘zodat er geen mensen meer binnenkomen die onze beginselen niet delen’. Om de vrijheid te behouden, zien de krakers geen andere uitweg dan een slot op de deur. Maar Nederlands open grenzen zijn een gegeven. Een pleidooi voor een hek om Nederland is behalve onwenselijk ook onmogelijk, en de echte oplossing moeten we ergens anders vinden.

In elk geval moet worden nagedacht over het soort regels dat we stellen. Die hoeven misschien niet alleen repressief te zijn, maar zouden ook de sociale cohesie kunnen bevorderen. En hoe maken we de onuitgesproken codes duidelijk aan nieuwkomers en voor Nederlanders die het niet goed snappen?

In elk geval moet de Nederlander meer weten van de wereld. Hij moet daartoe vaker weggaan, en terugkomen. Blik omhoog, weg van de navel, en met open vizier de wereld in, om dan, misschien gelouterd, in elk geval wijzer, terug te komen.

Neem Nederlandse jongens die zeggen dat ze moeite hebben zich echt Nederlander te voelen. Of 16-jarigen die huiswerk niet cool vinden maar Tupac wel, en die van school af gaan. Of jonge Enkhuizenaren die hun kicks halen uit terreur in een trein. Zulke jongens gaan een jaartje naar een andere wereld, bijvoorbeeld naar de Rif in Marokko. Daar gaan ze het leven leven van jongens van dezelfde leeftijd.

Of een jaar wat zuidelijker Afrika in, naar bijvoorbeeld Rwanda, waar veel van hun leeftijdsgenoten op de markt aardappels sjouwen voor nog geen 25 eurocent per dag. Als die Rwandese jongens worden beschuldigd van diefstal, worden ze op het politiebureau in elkaar gerost, om daarna zonder proces en voor onbepaalde tijd de gevangenis in te gaan. Die jongens van 16 dromen van rechten, van vrijheid, en willen niets liever dan naar school.

Het kan de remigrant zomaar gebeuren dat hij blij en trots is een Nederlander te zijn. Dat hij ineens de uitzonderlijkheid ziet. En dat is wat Nederland nodig heeft. Onze verworven vrijheden zijn kwetsbaar en moeten telkens opnieuw worden bevochten. Nederland moet daarom snel zijn vanzelfsprekendheid kwijtraken. Als we in plaats daarvan met het onuitgesprokene de open samenleving verliezen, is Nederland zichzelf niet meer.