Leven tussen de heksen, Parool, 30-08-2003

De Congolezen leven na jaren van oorlog voortdurend in angst. Ze maken de onzekerheid hanteerbaar door de oorzaak van hun onheil in het occulte te zoeken. Er worden ouderwetse heksenjachten op touw gezet en jonge meisjes zijn het slachtoffer. In deze samenleving is de exorcist een machtig man.

Het leven van de Congolees Jacques kent een zorg minder: hij heeft zich laten inenten tegen hekserij. Jacques laat zien waar de medicijnman de littekens maakte die hij tatoeages noemt; bij zijn elleboog, op zijn bovenarm en midden op zijn voorhoofd zitten kleine plekjes dikkere huid. Ze beschermen hem tegen het kwaad. Je moet wel, als Congolees deze dagen, want het barst in Congo van de heksen.

Jacques liet zichzelf en de rest van zijn familie in Congo behandelen door een feticheur, toen het dochtertje van zijn zus een heks bleek. Zijn nicht Furaha was pas zeven, toen ze ’s ochtends de gekste verhalen begon te vertellen. Die heeft weer goed gedroomd, zei de zus van Jacques in het begin nog.

Jacques: ”In de nacht ging Furaha op reis. Zodra iedereen sliep, ontsnapte ze. Ze heeft mij een paar keer meegenomen. We vlogen toen door de nacht, langs een groot meer en door het bos. Dan werd ik ’s ochtends buiten in het veld wakker. Alle deuren in mijn huis waren nog op slot, dus het kan niet anders of ze moet me door het raam hebben meegenomen. Ik was elke keer hartstikke smerig van de tocht.”

Jacques kreeg een onbekende ziekte, zijn broer hoge koorts, alsmaar zieker en zieker werden de mannen, totdat de traditionele genezer hen bezocht. Wanneer er een probleem is, kijkt de hele familie naar Jacques. Niet dat hij de oudste is, of de eerstgeboren zoon. Integendeel, Jacques was de laatste in een rij kinderen. Maar hij werd geboren met een teken. In zijn zij zit een blauw vlekje. Dat maakt hem een leider. Uitverkoren bij zijn geboorte, en dus klopt de familie aan bij Jacques als er iets loos is.

Het was de familie duidelijk dat zijn nichtje Furaha onder supervisie van een oudere heks stond.

Jacques: ”Elke nacht vloog ze weg. Met haar bolle toverspiegel en haar heksenmes. Als ze er ’s nachts opuitgaat dan heeft ze dat mes nodig om te eten. Daarmee vilt ze de mensen die ze opeet.”

”En waar is Furaha nu?”

”Geen idee. We zijn haar kwijtgeraakt.”

”Hoe raak je een meisje van elf kwijt?’

”Nou, bij de vulkaanuitbarsting in januari, toen is mijn hele familie uit Goma moeten vluchten. We hebben haar daarna niet meer gezien.”

Wat Jacques niet zeggen wil, is dat Furaha is weggejaagd. Zijn zus stuurde haar dochter de straat op. Om van dat hele hekserij-probleem af te zijn. Zoals zoveel jonge meisjes in Congo de straat op worden gestuurd, verbrand, verminkt of gedood, omdat ze een heks zouden zijn.

Toverkracht is er in allerlei soorten. Een vloek, een fetish, een poeder of een drankje; om op een indirecte en verhulde manier iemands leven te beïnvloeden. Meestal: te vergallen. De meeste hekserij is in opdracht van iemand uit de omgeving van het slachtoffer. Reden: jaloezie. Maar tovenarij vermag meer dan het beschadigen van een ander alleen. Voor rijkdom kun je evengoed bij een heks terecht, al moet je je wel drie keer bedenken voor je je daaraan waagt. Vooral zelfverrijking wordt duur betaald. Met een eerstgeboren zoon of dochter.

‘Een psychose. Het wordt zo langzamer hand één grote psychose. Er kan nog geen mens ziek worden of er wordt van hekserij gesproken.” Aan het woord is Père Ricardo, Italiaanse priester, dertig jaar in de Congo. Het is zondag aan het einde van de middag en Père Ricardo loopt in een Adidas-trainingsbroek. Hij heeft meer van een Belg dan van een meditteraan, met zijn tere roze-witte huid. En in die gekke broek.

Wat Père Ricardo een psychose noemt, komt door de crisis in Congo. Hekserij was hier in het hart van zwart Afrika altijd iets om rekening mee te houden, iets om te vrezen, maar vijf jaar oorlog hebben het immense land en zijn mensen aan de afgrond gebracht. Volgens schatting van internationale hulporganisaties stierven meer dan drie miljoen Congolezen aan de gevolgen van de oorlog.

De Congolezen leven in angst. Ze maken de onzekerheid hanteerbaar door de oorzaak van hun onheil in het occulte te zoeken. Net zoals ze zich voor troost, goede raad en genezing wenden tot mensen die spirituele of bovenaardse krachten meester zijn; tot de feticheur, de medicijnman of de priester.

Als het gaat over hekserij, valt al snel de naam van Père Ricardo uit Bukavu. De man en zijn sofa zijn in Centraal-Afrika wereldberoemd. Door de gesloten mintgroene gordijnen is het licht in zijn behandelkamer als in een operatiezaal. Boven de behandeltafel in het midden van de ruimte hangt een uitvergrote foto met daarop een beeld met het gezicht van Jezus aan het kruis, in pijn afgewend.

Père Ricardo heeft bezoek van twee onderzoekers uit Parijs, een sociologe en een psycholoog. De laatste wordt door Père Ricardo steevast le docteur genoemd. Ze ontmoetten elkaar laatst in het Vaticaan, toen de katholieke kerk congresseerde over exorcisme. Nu bestuderen ze drie weken lang de priester aan het werk.

De Père heeft namelijk wat de sociologe ‘een goddelijke gave’ noemt. Père Ricardo is duivelbanner. Exorcist. Niet zomaar één. Deze Père Ricardo heet ‘de meest krachtige exorcist ter wereld’.

”Alles wat misgaat, wordt geweten aan tovenarij,” zegt de Italiaan. ”Een Afrikaan kan maar moeilijk een ziekte accepteren. Sterft er iemand aan aids, dan heet dat hekserij.” Dus moet Père Ricardo eerst de zieken met een medisch probleem ertussenuit vissen – die moeten naar het ziekenhuis, degenen die lijden aan een psychische stoornis, ook die moeten naar een dokter. Zodat overblijven de mensen die worden bezeten door kwade geesten.

De werkdag van Père Ricardo begint ’s morgens voor zessen. Bukavu is dan nog donker. De hoofdstad van de Congolese Kivu-provincies was groots in de dagen dat de Belgen hier van hun grandeur genoten. Vanuit twee landtongen die uitlopen in het Kivu-meer rijst de stad de hoogte in. Na vijf jaar oorlog en bezetting door de rebellie is het met Bukavu’s glorie gedaan. Waar asfalt was, gapen diepe gaten. Het verkeer kruipt en ploegt over de brokstukken van teer.

In de industriële wijk van Bukavu komen ze met meer dan duizend mensen, vooral vrouwen, naar de mis van tien voor zes. Die wordt op de binnenplaats opgedragen. Sommigen komen bij het licht van een olielamp, de meesten door het donker. Dit zijn de armsten. Hun gezichten zijn van het lijden vertrokken. De hele massa heft hoofd en armen – de handpalmen naar boven gevouwen – en bidt en zingt. De man waar het allemaal om te doen is staat op een verhoging in een wit habijt.

De massa stroomt na de zegening de straat op, maar meer dan honderd mensen blijven achter. Veel vrouwen zijn twee weken geleden uit het binnenland vetrokken. Ze liepen een week tot aan Bukavu. Daarna zaten ze dagenlang hier, in de hoop te zullen worden ontvangen. Het is iets na halfzeven als Père Ricardo de behandelkamer inloopt. Het habijt is verruild voor een casual hemd van een bekend merk sportkleding.

Zijn vier vrouwelijke assistenten hebben de eerste patiënt dan al op de behan deltafel geholpen. Deze Jacqueline is een Congolese van eind twintig. De Père gaat zitten op de kruk aan het hoofdeinde van het bed. Een ‘hallo hoe gaat het’ van dokter tot patiënt zit er niet in. Als Père Ricardo aanschuift en het kruisbeeld onder het T-shirt tussen de borsten steekt, is de vrouw al in trance. Haar ogen, wijdopenge sperd, zullen niet meer knipperen.

Jacqueline kwam verlegen binnen, maar ze ligt nog niet of ze stoot hoge tonen uit. ”Huuu huuu!” Ze maait met haar armen, schopt haar benen en trilt op een duizelingwekkende manier. Aan vier assistenten heeft Père Ricardo niet genoeg, maar de Parijzenaren hebben geen aanwijzingen meer nodig. Ook zij staan aan het bed en drukken Jacqueline neer.

”De geesten maken dat ze geen kinderen kan krijgen. Dan tel je in Afrika niet mee,” geeft Père Ricardo uitleg – niet onder de indruk van het geweld op tafel.

Père Ricardo vat haar hoofd in zijn handen als Jacqueline schreeuwt: ”Aagghh, Père, verbrand me niet!”

”Waar komen jullie vandaan?” wil de geestelijke van de geesten weten. ”Van het land of uit het water?”

”Het water.”

”Wie heeft jullie gestuurd?”

De geesten zeggen te zijn gezonden door de ex-verloofde van Jacqueline’s echtgenoot.

Een nogal heftige bezetting, en de duivelbanner zet zwaar materieel in. Van het lage tafeltje naast hem neemt hij een kwast, nat van het wijwater, en zwiept dat in het gezicht van Jacqueline.

De vrouw schreeuwt, ze gooit haar heupen naar links en haar benen naar rechts, en de andere kant uit.

”Je verbrandt me, ik sta in brand!” En: ”Deze vrouw behoort ons toe! Ze is van ons!”, gilt Jacqueline door de zaal.

”O nee, jullie gaan deze vrouw verlaten,” schreeuwt nu ook Père Ricardo.

Het gevecht is een herhaling van zetten. Wijwater, een harde bonk met de knokkels tegen Jacqueline’s voorhoofd, gespartel, gekrijs.

”En nu d’r uit. Oprotten.” De duivelbanner maakt zich kwaad. ”Toka. Toka!”

”Dan nemen we straks haar kind. We zullen haar kind tot ons nemen!”

Père Ricardo bidt zijn gebed, smeert heel wat heilige olie in kruisjes op buik en voorhoofd. Jacqueline moet nog maar eens terugkomen. Hij geeft een vriendelijk tikje tegen haar wang en dan knippert ze met haar ogen. Van wat er is gebeurd geen idee.

Hup, opstaan, T-shirt in de rok stoppen, terwijl aan het bureau Père Ricardo voor haar opschrijft wanneer ze voor de laatste keer moet terugkomen, en daar ligt de volgende vrouw al op de bank. We zijn drie minuten verder.

Wij moeten maar even een kopje koffie gaan drinken, vindt de priester. Ik loop achter de twee Parijzenaren naar de eetkamer van Père Ricardo en zijn kompaan, Père Luigi. Père Ricardo gaat intussen door. Na de eerste tien bekende patiënten selecteert de exorcist nieuwe slachtoffers. Wie bezeten is, raakt in deze sessie buiten westen, en anders totaal buiten zinnen.

Een groep van vijfentwintig Congolezen zit op de bankjes langs de wand van de behandelkamer. Père Ricardo maakt een ronde langs het gezelschap. De Père sprenkelt wijwater in ieders gezicht en spreekt de zegen uit. De derde vrouw op rij begint te sidderen. Een hoog gejammer vangt aan. De assistenten trekken de vrouw van de bank en sluiten haar op in een kamertje achter ons.

Een andere persoon valt trillend neer. In het midden van de groep zitten twee meisjes van een jaar of tien. Eén van twee is zichtbaar ziek. Doodziek. Haar gezicht schijnt grijs en is uitgemergeld. Om te gaan staan heeft ze de hulp van haar moeder nodig.

Dit kind moet naar een ziekenhuis, denk ik, niet naar een man die geesten bezweert. Maar het hospitaal is duur en Père Ricardo gratis. Het zieke meisje blijft onaangedaan onder de plens water.

Père Ricardo staat tegenover het andere meisje. Hij zwaait zijn kwast. Het meisje lijkt de lucht in te worden geslingerd, een meter van haar stoel omhoog, om dan met een doffe smak tegen het beton te slaan. Bewusteloos. Het kind in een rushesjurkje met dansende schapen erop wordt door de Franse psycholoog als een zak bonen over zijn schouder geslingerd. Ook zij wordt achtergelaten in het gekkenhok.

Het huilende geschreeuw dat uit de kamer achter ons komt is dat van een negentiende-eeuws krankzinnigengesticht. Ik stel me voor hoe de vrouwen aan gene zijde stuurloos en met de armen in de lucht door dat kamertje rennen. Zodra de deur opengaat voor nummer zes, spring ik op en ik kijk om de hoek. Ze jammeren netjes naast elkaar op een bankje gezeten, handen gevouwen in de schoot. Daarna komen ze één voor één op de tafel van Père Ricardo.

Centre Ekabana, het tehuis voor hek senmeisjes, ligt net buiten het industriële kwartier. Hier wonen vijfentwintig meisjes onder de achttien. Allemaal zijn ze verstoten. ”Hekserij is van alle tijden”, zegt ook Mathilde Muhindu, de vrouw die samen met een Italiaanse non de kinderen van straat haalde en het tehuis begon. ”Wij Congolezen hebben altijd met heksen en tovenaars geleefd. Maar nooit tevoren was er deze hetze tegen kleine meisjes, kinderen nog, die voor de heks worden uitgemaakt en die de straat worden opgejaagd.”

Mathilde: ”De meeste meisjes zijn verkracht. Door rebellen, door politiemannen, door het maakt niet uit welke kerels. Ze sliepen op de grote markt van Bukavu, onder de planken waar overdag de maniok, de bonen en de vis op worden verkocht. Toen zuster Natalia de meiden van straat haalde, bleek dat ze leefden als een groep, onder leiding van Cibi.”

Cibi is twaalf. Ze is gehavend. Bertille, de medewerkster van Mathilde die de zorg voor de meisjes heeft, laat me Cibi’s handen zien. Van de pols tot aan de vingers schrompelt littekenweefsel. Toen de oma van Cibi stierf – de vrouw was zevenenzeventig – kreeg Cibi de schuld. Cibi was degene die oma eten gaf. Ze zou haar hebben vergiftigd. Cibi’s stiefmoeder legde haar handen in brandende kooltjes zodat ze ervoor zou uitkomen een heks te zijn.

Cibi bekende. Haar stiefmoeder heeft haar in 1999 in een zak gestopt. Bertille: ”Ze heeft de zak dichtgebonden en die in de rivier gegooid. Een man langs de kant heeft Cibi uit het water gered.”

Cibi was dus de leider van de straatmeiden. Zo ziet ze er ook uit; hard, gehard. Over haar linker wang loopt een groot litteken. Met vierentwintig andere meisjes krijgt Cibi muziekles, ze dansen, sommige meiden gaan naar school, en allemaal praten ze met een hulpverlener over wat ze hebben meegemaakt. Maar niet voordat ze zijn meegenomen naar ‘de spirituele dokter’. Alle meiden moeten langs Père Ricardo. Hier in huis deelt men de opvatting dat de meisjes onder invloed van een oude heks aan hun initiatieperiode waren begonnen. ”Ze hebben allemaal bekend.” Alleen: dan moet je ze meenemen naar een exorcist. Niet ze de straat op sturen.

De kleinste in het huis is zes. Ze ziet eruit als vier. Een kleine zwarte wolk in een poppig jurkje. Hoe iemand zo’n meisje aan de straat kan zetten. En er zijn meer grietjes zo zoet dat ze ontroeren. Zoals het meisje van elf met die hele grote ogen: Furaha.