Straf of schaamte, Parool, 31-05-2002

Over de verkrachtingen praten ze nooit. Niet met elkaar, niet met hun kinderen. In hun eigen taal, Kinyarwanda, is er voor verkrachting niet eens een woord. Rwanda staat aan de vooravond van de gacaca, de traditionele volksgerichten. Het gaat ditmaal niet over een koe of een weilandje. Het gaat over genocide en massale verkrachtingen.

Alsof er iets te vieren valt, zo onthalen de vrouwen van Ntongwe het bezoek uit Kigali. Uit een drie-liter-jerrycan waar maïsolie in zat wordt schuimige verse melk geschonken – melk is schaars en duur en dus alleen voor de gasten, maar die krijgen dan ook een pul die aldoor wordt bijgevuld. Op een dienblad liggen bruinrode bonen en cassave-wortel; er is een schaal met kleine bananen en ananas voor daarna. Dit is duidelijk een maal waarvoor het beste uit de kast is gehaald, op een tijdstip – het middaguur – dat er op het platteland normaal niet wordt gegeten. En dat terwijl de journaliste en haar vertaalster de vrouwen vragen iets te doen wat hen zwaar valt: praten over de gebeurtenissen tussen april en juli 1994, toen in Rwanda een miljoen Tutsi’s en gematigde Hutu’s werden vermoord.

Deze vrouwen van Ntongwe overleefden de genocide. Van de groep van zestien Tutsi-vrouwen hebben alleen Enata en Anastasie een echtgenoot. Allebei trouwden ze na de oorlog. De mannen en zonen van de vrouwen van Ntongwe werden nagenoeg allemaal gedood. De vrouwen verkracht. De meeste genocide-weduwen zijn verkracht, maar om hoeveel vrouwen het precies gaat, weet niemand. Wel schat de belangenorganisatie van genocide-weduwen, Avega dat 67 procent van hen is besmet met hiv. Zeven jaar na dato zijn veel vrouwen ziek, een aantal overleed al aan aids, ook hier in Ntongwe. Of ook zij besmet zijn, weten deze zestien vrouwen niet. Aidstesten zijn buiten de hoofdstad niet te krijgen.

Een enkele keer maar spraken de vrouwen van Ntongwe over wat ze meemaakten op hun vlucht. Over de verkrachtingen praten ze nooit. Niet met elkaar, niet met hun kinderen. In hun eigen taal, Kinyarwanda, is er voor verkrachting niet eens een woord. Daar kan alleen in eufemistische termen over worden gesproken.

De allereerste kennismaking met de vrouwen van Ntongwe had zijn ongemakkelijke momenten. Het was pas aan het einde van die middag in augustus – de zon was aan het zakken – dat een voorzichtige vraag naar die verzwegen vernedering kon worden gesteld. In de schaduw van eucalyptusbomen zaten de vrouwen in het gras: Anastasie maakte met een takje de tanden schoon, Enata gaf haar baby de borst.

Of in dit dorp vrouwen zijn verkracht? De vraag lokte na een paar tellen stilte tumult uit. Een paar vrouwen lieten zich achterover vallen in het gras, ze gierden het uit. ”Iedereen werd verkracht”, riepen ze. ”Iedereen, zelfs de oudjes!” En de vrouwen brulden van het lachen. Wat een grap, dat die mannen oude vrouwen wilden neuken.

Het taboe is massief. De schaamte zo groot dat hilariteit een uitweg moet bieden. Als er na de genocide al hulpverleners waren geweest, is het nog maar de vraag of de vrouwen met hen hadden willen praten. Nu staan deze vrouwen aan de vooravond van gacaca, de volkstribunalen die komende maanden beginnen met het berechten van de verdachten van de genocide. Meer dan honderdduizend mannen en honderden vrouwen zitten in overvolle gevangenissen in afwachting van hun proces. Elke heuvel krijgt zijn eigen gacaca (spreek uit als: gach-cha), een volksgericht geënt op de traditionele, informele rechtspraak in Rwanda dat nu is geformaliseerd. Het grootste verschil met de eeuwenoude gacaca is dat die ging over een gestolen koe, over het bezit van een stukje land of over de grootte van een bruidsschat. Over moord vonniste de koning.

Gacaca ontleent zijn naam aan de plaats waar dorpelingen samenkomen: het grasveld. Onder gezag van een wijze ouderling werd voor conflicten een passende oplossing gezocht. En ook vandaag de dag is het onder de bomen, op het gras tussen de koeien en de geiten, dat de Rwandezen samenkomen voor het volksgericht. Gacaca is participatieve rechtspraak. De bevolking zelf zal de daders van zijn heuvel aanklagen en verdedigen. Bewijs voor schuld en onschuld moet komen van de dorpelingen. Het zijn negentien lekenrechters, gekozen uit de bevolking, die bepalen of iemand schuldig is. Afgelopen jaar waren er gacaca-voorrondes. Gevangenen zonder dossier presenteren zich dan aan hun dorpsgenoten. Wie niks heeft gedaan kan meteen terug naar huis.

Gacaca biedt een tafereel uit voorbije tijden. Met duizenden zitten ze in een grote cirkel, meest vrouwen, in felgekleurde pagne (omslagrok) en een doek om het hoofd geknoopt. Vooraan wordt de arm van een jongeman in een roze gevangenispak in de lucht gestoken: ”Dit is Innocent. Wie kan vertellen wat hij tijdens ‘de evenementen’ heeft gedaan?” En nee, niks ironie, in dit godvrezend land luisteren verdachten van volkerenmoord naar namen als Dieudonné, Jean Baptiste, Jean de Dieu en Innocent.

Een week na onze eerste ontmoeting stond daar ineens Anastasie: dertig jaar is ze, dapper, fel en mooi bovendien. Ze stond voor een duizendkoppig gehoor in een pre-gacaca en klaagde de moordenaar van haar zoontje aan. Deze Matthias was haar buurjongen, een vriend, tot de oorlog uitbrak. Nadat haar echtgenoot was gedood – Anastasie deed voor hoe dat ging: eerst werden zijn achillespezen doorgesneden om het vluchten te beletten, daarna werd hij met meerdere slagen doodgehouwen – werd Matthias gezegd ook Anastasie’s zoon te vermoorden. ”Die gaat later zijn vader wreken,” zeiden ze. De tranen liepen over haar wangen toen Anastasie vertelde hoe Matthias deed wat hem was opgedragen.

De aanklager vroeg toen: ”Maar hoe ben jijzelf aan de dood ontkomen?” Haar antwoord was voor de menigte niet te verstaan. Anastasie zei: ”Ik heb kunnen vluchten, maar pas nadat ik door vier mannen ben verkracht.”

De misdaden tijdens de genocide begaan zijn voor gacaca onderverdeeld in categorieën. Die categorie bepaalt of een zaak op gemeenschapsniveau, op districtsniveau of hoger zal worden behandeld. De lichtste vergrijpen, eigendomsmisdaden, zitten in categorie vier. In de derde categorie vallen mensen die verwondingen hebben toegebracht, maar zonder de bedoeling te doden. Categorie twee, dat zijn de mensen die hebben gemoord. In de eerste categorie zitten de organisatoren van de genocide, net als mensen die aan het doden ‘zichtbaar plezier’ beleefden. Wie zich schuldig maakte aan verkrachting, staat eveneens in de eerste categorie terecht. Ook in Rwanda is verkrachting een oorlogsmisdaad.

Om te kunnen achterhalen wat zich tijdens de genocide heeft afgespeeld, worden verdachten gemotiveerd hun bekentenis op papier te zetten. Wie een volledige bekentenis aflegt, wordt beloond met forse strafvermindering. Tenzij de misdaden tot de eerste categorie behoren. Het is een onversneden prisoner’s dilemma. De dader anticipeert op wat slachtoffers en getuigen in een gacaca zullen opbrengen en past zijn bekentenis aan. Verkrachters weten heel goed dat de vrouwen van Rwanda geneigd zijn de schande te ontlopen.

Een enkele keer gebeurt het tegenovergestelde. Jeanne Abatoni, als hulpverlener betrokken bij verkrachte vrouwen, vertelt over Béatrice, die zeventien was toen ze in 1994 werd verkracht. Abatoni: ”Het was haar geheim. Béatrice sprak met niemand over wat haar was overkomen en een paar jaar geleden is ze getrouwd. Kortgeleden bezocht ze een gacaca-voorronde. Daar werd een man voorgeleid die alle beschuldigingen van moord ontkende. Hij zei: ‘Ik heb geen moord op mijn geweten. Het enige dat ík heb gedaan: ik heb dat meisje verkracht’, en hij wees naar Béatrice. Deze Béatrice is ter plekke ingestort.”

Jane Abatoni is trauma counsellor, gespecialiseerd hulpverlener voor mensen die aan een traumatische ervaring psychische problemen overhielden. Sinds kort praten zij en haar collega’s van de Association Rwandaise des Conseillers en Traumatisme (ARCT) met vrouwen die de genocide overleefden ook over verkrachting – bijna altijd vrouwen die pas na maanden hulp bij bijvoorbeeld rouwverwerking kunnen vertellen dat ze zijn verkracht. De hulpverlener voert eerst individuele gesprekken, daarna volgt meestal therapie in groepen.

Abatoni heeft een beroep dat in Rwanda net vijf jaar bestaat. Voor de oorlog was het ook overbodig, vertelt Abatoni, een Rwandese stevig van postuur, stevig van karakter en met het haar hip kort. ”In Rwanda had niemand professionele hulp nodig. Rwandezen hadden hun familiestructuur.” Een zoon die ging trouwen, bouwde zijn hut naast die van zijn vader. Iemand met problemen klopte bij familie aan. In emotionele zorg was altijd voorzien.

De genocide vernielde dat vangnet. Kinderen zaten zonder ouders, vrouwen zonder kinderen, vrouwen zonder man. Gesprekspartners in gevoelige zaken waren met die vermoorde naasten verdwenen. De buren waren vaak nieuwe buren, vertelt Abatoni, bijvoorbeeld Rwandezen die waren teruggekomen uit Uganda. Abatoni: ”Dus er was niemand om tegen te zeggen: weet je, eigenlijk slaap ik haast nooit.”

Maar eigenlijk begint trauma counselling in Rwanda met uitleggen dat er zoiets als trauma bestaat. En vooral: dat je iets kunt doen om minder last te hebben van een pijnlijk verleden; bijvoorbeeld erover praten. In het kantoortje van ARCT in de hoofdstad Kigali hangt een van de posters die door het land zijn verspreid. In striptekeningen leggen ze uit dat er een relatie is tussen zien hoe je familie wordt vermoord en pijn in het hoofd nog jaren daarna. En hoe erover praten kan helpen. Abatoni: ”Zelfs in Kigali hebben sommige dokters geen idee van wat een trauma is, laat staan artsen op het platteland. Van vrouwen met onbegrepen gedrag wordt vastgesteld dat ze gek zijn.”

Gevraagd naar rare gevoelens of ongewone voorvallen begint de oudste van de zestien vrouwen uit Ntongwe te vertellen. Haar man, haar enige zoon, diens vrouw en haar vier kleinkinderen zijn tijdens de genocide gedood. Alleen zij bleef over. Sindsdien loopt ze wel eens ’s nachts haar huis uit, naakt, de vallei in. De stok waar ze normaal gesproken mee loopt, wijst naar beneden. ”Daar werd ik buiten westen gevonden.”

ARCT is de enige organisatie in Rwanda die professionele hulp biedt. Jane Abatoni is er nationale coördinator. Met hulp van de Ierse ontwikkelingsorganisatie Trocaire werden in 1996 de eerste hulpverleners opgeleid en ook nu nog wordt het centrum betaald met do norgelden. Vijfenvijftig collega-hulpverleners zitten verspreid door het land, onder wie enkele trainers om nieuwe trauma counsellors op te leiden. Om de hulp te kunnen bieden die nodig is, heeft Abatoni voor elke honderd Rwandezen één counsellor nodig. Nu is dat één op honderdduizend.

Zelfs al is er wel een luisterend oor, verkrachting is moeilijk bespreekbaar. Het gaat gepaard met zoveel schande, vertelt Jane Abatoni, dat erover praten onverdraaglijk is. Er is schaamte omdat praten over seks sowieso niet kies is. Abatoni: ”Seks is voor Rwandezen strikt vertrouwelijk. Ook vóór de oorlog werden vrouwen verkracht. Wie zwanger werd, trok zich in de bossen terug totdat het kind daar was. Daarna werd er nooit een woord over gewisseld.”

Verkrachting geeft schande, temeer omdat het een vrouw wordt aangerekend. Als er wordt gesproken over de verkrachting van een vrouw, besmeurt dat haar naam. Enata, drieëntwintig nu, zestien toen het haar overkwam, wil praten over wat ze meemaakte, maar dan moet haar moeder Virginie eerst het huis uit. Haar echtgenoot was de eerste en enige die ze vertelde over de gebeurtenissen in 1994, toen ze maandenlang werd verkracht door de twee mannen die haar een schuilplaats boden.

Al die jaren heeft ze het voor zichzelf gehouden. Enata: ”Heel soms kwam verkrachting ter sprake, onder de oudere vrouwen. Ik hield dan mijn mond en liep stilletjes weg. Voor een jong meisje dat nog nooit een man heeft gekend, dat nog nooit seksueel contact heeft gehad, is verkracht worden nog ingrijpender dan voor de oudere vrouwen.”

En ze houdt het nog steeds voor zichzelf. ”Ik weet zeker dat iedereen die het zou horen er de spot mee zou drijven. Overal waar ik zou komen, zouden ze me met hun vinger nawijzen. Die schande kan ik niet verdragen.”

Daar komt bij dat verkrachting tijdens de genocide geen gewone verkrachting was. Vrouwen werden verminkt en gemarteld, vertelt Abatoni. ”Ze kregen een stok of een machette in hun vagina gestoken.” Opmerkelijk genoeg is het geen geheim wie er tijdens de genocide is verkracht. Juist verkrachting als oorlogsmisdaad gebeurde op straat, in het aangezicht van andere daders en slachtoffers.

Met gacaca krijgen vrouwen een mes op de keel. Zegt u het maar: straffeloosheid of schaamte? Als de vrouwen van Rwanda volharden in hun zwijgen over dat wat onbespreekbaar is, gaan hun verkrachters vrijuit. Maar wie bekendmaakt te zijn verkracht, kiest ervoor zich ten overstaan van zijn dorpsgenoten te vernederen.

Anastasie, de meest onverschrokken van de vrouwen van Ntongwe, gaat daar straks staan. Nu al is ze strijdbaar: ”Vrouwen zijn zoveel meer getroffen door de genocide dan de mannen die het hebben overleefd. We zijn onze mannen, onze kinderen kwijt, de meesten van ons hadden geen onderdak meer. En nu wordt er op ons neergekeken. Een man die zijn vrouw en kinderen heeft verloren kan rekenen op medeleven. Tegen hem is niemand arrogant. Maar vrouwen hebben in de genocide al hun eigenwaarde verloren.”

Virginie, de moeder van Enata, kijkt geschrokken bij de vraag of de vrouwen van Ntongwe hun ervaringen uitwisselen – ze wisten immers van elkaar dat ze allemaal waren verkracht? Virginie: ”U bedoelt bij elkaar gaan zitten en praten over wat er in de oorlog is gebeurd? Zeggen: ik ben verkracht? Nooit.” Toch is Virginie vastbesloten haar hand in de lucht te steken als in gacaca getuigen worden gevraagd. ”Ze moeten worden gestraft, deze jongens van nog geen twintig, die de brutaliteit hebben gehad om vrouwen zo oud als hun eigen moeder te verkrachten.”

Het overwinnen van schaamte is nog niet alles. Overlevenden van de genocide wordt te kennen gegeven dat ze beter hun mond kunnen houden. Anastasie, Enata en Virginie, alledrie voelen ze zich geïntimideerd en bedreigd. Door familie van mannen die vastzitten, maar ook door daders die nog vrij rondlopen. Anastasie: ”En wat als mijn verkrachter straks vrijkomt? Reken maar dat hij de vrouw die hem aangaf zal opzoeken.” Valt er iets te vieren? Moeten de vrouwen van Rwanda blij toe zijn dat verkrachting bespreekbaar en aanverwante psychische problemen behandelbaar worden? Het is goed voor Rwanda dat gacaca aanzet tot praten over wat in de oorlog is gebeurd, zegt trauma counsellor Jeanne Abatoni. Wil Rwanda in het reine komen met zijn recente verleden, dan moeten daders en slachtoffers hun angsten, boosheid en hun pijn uitwisselen. Maar Abatoni maakt zich zorgen over wat gacaca doet met de vrouwen zelf. ”Iedereen wordt aangemoedigd te praten over wat ze hebben meegemaakt, zonder dat mensen worden voorbereid op de effecten daarvan. Herinneringen komen boven, mensen krijgen flashbacks en ze gaan gruwelijke gebeurtenissen herbeleven. In de meeste gevallen zal er geen hulpverlener in de buurt zijn.”

Er zullen vrouwen zijn die in een gacaca getuigen over verkrachting zonder dat ze over de gevolgen hebben nagedacht. Abatoni: ”Als ze naar huis loopt, kan ze ineens inzien wat ze zojuist heeft gedaan; een vrouw die durft te zeggen dat ze is verkracht wordt nog steeds door haar gemeenschap afgestraft. Ze zal vervuld zijn van schaamte, vervuld zijn van schuld, en ze zal zich afvragen: waarom leef ik nog? Ik had ook moeten doodgaan.”

Kader

Rwanda, de genocide

Op 6 april 1994 werd het vliegtuig van president Habyarimana neergeschoten,de leider van Rwanda’s toenmalige Hutu-regime. Het was het startsein voor de genocide. In vier maanden tijd werden tussen de achthonderdduizend en een miljoen Tutsi’s en gematigde Hutu’s vermoord. Van de slachtoffers was tweederde man, 97 procent Tutsi.

Tutsi’s zijn in Rwanda altijd in de minderheid geweest, zo’n 15 procent van de totale bevolking. Tot 1960 was deze minderheid aan de macht. Etnische en sociale tegenstellingen gingen eeuwenlang gelijk op: de Tutsi’s waren heren, de Hutu-meerderheid knechten. Grootschalig geweld tegen Tutsi’s verdreef in 1959 duizenden Tutsi’s naar buurlanden, Rwanda kreeg een Hutu-regering.

Oktober 1990 keerden de zonen van de in 1959 verdreven Tutsi’s terug naar hun vaderland: vanuit Uganda viel het Rwandees Patriottisch Front (RPF) Rwanda binnen. De Hutu-regering hield de bevolking voor dat het probleem met de Tutsi’s voor eens en voor altijd moest worden opgelost. De staatsradio voedde de haat tegen Tutsi’s. Met de moord op de president werden alle Hutu’s opgeroepen hun hakmessen te pakken en hun Tutsi-buren te vermoorden.
In juli 1994 veroverde het RPF van de huidige president Paul Kagame de hoofdstad Kigali. De regering van Nationale Eenheid die sinds 1994 aan de macht is wordt gedomineerd door Tutsi’s