Kisangani, verloren stad, Parool, 10-04-2002

Eens was Kisangani het kloppend hart van Congo, maar de oorlog sneed het hart af van de rest van het lichaam. De bewoners van deze verloren stad, een puinhoop zonder voorzieningen, proberen zich te redden, zo goed en zo kwaad als dat kan: se débrouiller.

Toen er nog iets te koken viel, jaren terug, was baba Aloys de kok van Hotel Zongia in Kisangani. De oude man zet zijn gast een kopje thee voor – dat is alles wat er nu in Zongia te krijgen is – en zegt: ”U keert toch wel snel naar Kisangani terug? Komt u hier toch werken. Ach, mevrouw, dit is een prachtig land en u kunt hier zo gemakkelijk rijk worden. De grond zit vol met diamanten.”

Baba Aloys kreeg zijn laatste salaris bijna drie jaar geleden, net als alle andere werknemers in Kisangani. Het is hem aan te zien. Zijn lachende ogen met witte wimpers zijn in het magere gezicht te groot. Baba’s T-shirt hangt moedeloos langs de knoken van zijn schouders. Maar cynisme is hem vreemd. Hij bidt, hij komt elke dag naar zijn werk, hij is blij een blanke te zien. En dat het goud en de diamanten in de Congolese bodem niet voor gewone mannen als hij zijn bestemd, dat vindt hij vanzelfsprekend.

Kisangani wordt omringd door een ondoordringbare jungle. De derde stad van het land ligt op de evenaar, aan de oever van de machtige Congo, de bruine rivier die in Kisangani al duizend meter breed is en die in een grote boog over duizenden kilometers naar Kinshasa stroomt. De stad is groen. Tussen palmen van tientallen meters hoog, buitenissige tropenbomen, bloemen en bananenbomen meanderen brede wegen met daarlangs door de Belgen gebouwde koloniale villa’s.

Kisangani heette het hart van Congo, een kwalificatie die de stad niet alleen dankte aan haar centrale ligging. Kisangani was van strategisch belang; door de Congo, door zijn spoorlijn en door twee luchthavens. Na de Kasai-provincies is dit de streek met de meeste bodemschatten.

Kisangani is ook de stad waar de politieke polsslag van Congo zich het best laten voelen. Wie de afgelopen halve eeuw Congo wilde veroveren, moest eerst Kisangani voor zich winnen. Dat lukte Lumumba in 1959, Mobutu deed het na hem, en ook Kabila trok in 1997 pas op naar de hoofdstad Kinshasa nadat Kisangani hem zijn zegen gaf.

Maar wat is een hart afgesneden van de rest van het lichaam? De oorlog maakte de Congo tot een rivier zonder boten. Sinds rebellengroepen en buitenlandse troepen in 1998 tweederde van de Democratische Republiek Congo bezetten, kan geen vracht meer veilig van of naar Kinshasa. De spoorlijn die Kisangani met het noorden en het zuiden verbond en van de stad een kruispunt maakte, is onbegaanbaar geworden. En buiten de stad, waar rebellen en bandieten zich in de jungle ophouden, is het levensgevaarlijk.

Daarom spreken de mensen van Kisangani van hun enclave. Maar een echte enclave is Kisangani niet. De stad is immers niet alleen omgeven door troepen (eenheden uit de buurlanden Rwanda en Oeganda en gewapende milities en rebellen van eigen bodem), nee, de door Rwanda gesteunde rebellen van RCD-Goma hebben het ook ín de stad voor het zeggen.

Geen groter verlangen onder de mensen van Kisangani dan weer echt bij de rest van het land te horen. Ze willen ‘nationale eenheid’ en ze willen ‘vrede’. De meesten hopen maar dat de huidige vredesbesprekingen in Zuid-Afrika soelaas zullen brengen.

Er wordt hier meer gebeden dan verzet geboden. In de tussentijd wachten de mensen af en proberen ze zich te redden. In de verloren stad Kisangani dat tot kunst verheven: se débrouiller. Met de meest vanzelfsprekende dingen is het behelpen. Stromend water is er één uur per dag. Elektriciteit is er vooral zolang het buiten licht is. Na zessen is de wijk van Hotel Zongia, het Quartier des Musiciens, een paar uur van stroom afgesloten. Dan deelt baba Aloys olielampjes uit. Vaak blijft het de hele nacht donker en, erger, stil. De dertig jaar oude airconditioner slaat dan niet aan.

Brieven worden hier al jaren niet meer bezorgd. Banken zijn dicht, telefoonlijnen dood en auto’s zijn zeldzaam in Kisangani. Geen huis of er zitten kogelgaten in. Ruiten zijn gebroken of kozijnen staan zonder glas. Uit de ramen van wat eertijds het postkantoor was, groeit jong gewas. De brousse vordert hier terug wat haar werd afgepakt.

De eens zo deftige stad is ten prooi aan verval. De woonwijk Tshopo werd een ruïne toen in juli 2000 het Oegandese leger voor de derde keer in een jaar tijd de strijd om Kisangani verloor van het Rwandese leger. Ze vochten met zwaar geschut, duizenden inwoners werden gedood. Bijna twee jaar later liggen de Belgische rijtjeshuizen in Tshopo er nog bij alsof hier kortgeleden de Eerste Wereldoorlog werd uitgevochten. Van de drie waterkrachtcentrales die de stad van stroom zouden moeten voorzien (ook die werden door de Belgen gebouwd), werkt er nog maar één.

De mensen kopen niets meer, maar ruilen. Er is nauwelijks geld in omloop, doordat haast niemand nog iets verdient. Bovendien verhindert de regering in Kinshasa dat naar door rebellen bezet gebied geldbiljetten groter dan twintig Congolese franc gaan. Grootste coupure: briefjes met een waarde van tien eurocent. Voor één flesje bier heb je vijftien bankbiljetten nodig.

Vrouwen ruilen op de markt een beker meel voor een spies met gedroogde visjes, avocado’s voor maniokbladeren (cassave). Ze sprokkelen hout op een van de talloze veldjes in de stad en maken er houtskooltjes van om die op een gammel kraampje mooi uit te stallen.

Ook wie een baan heeft, krijgt geen loon. Dat geldt voor baba Aloys, maar evengoed voor professor Kazimir. De 39-jarige Kazimir is assistent-hoogleraar politieke wetenschappen aan de universiteit van Kisangani, een stoere en vrolijke man, zo iemand waar studenten graag omheen hangen. Na maanden sappelen besloot Kazimir anderhalf jaar terug een daad te stellen. In de grote vakantie is hij de jungle in getrokken.

De professor ging naar diamanten graven. Dat gebeurt hier met de hand, zo dicht liggen de edelstenen aan de oppervlakte. Delven, uitgraven, creuser: het is een uitputtend en gevaarlijk karwei. Kazimir: ”Je graaft een gat van een meter of vijf diep. Dat hoef je niet helemaal zelf te doen, daar betaal je een paar jongens voor. Maar dan moet je er bij blijven en opletten, anders stoppen ze de stenen die ze vinden in hun eigen zak.”

Vaak komen diamantzoekers om doordat de jungle vol beesten zit, slangen en insecten. Het komt ook voor dat iemand een kuil graaft, op de bodem gaat zitten zeven en ineens de hele lading grond over zich heen krijgt. Kazimir had meer geluk. Hij stuitte op zijn fortuin, een knoert van een diamant. De steen had een doorsnede van twee centimeter en bleek goed voor veertigduizend dollar.

Kazimirs voorbeeld doet volgen. Hoe langer de crisis duurt, hoe meer jonge mannen de gok wagen en het woud intrekken. Het bevestigt het beeld van Kisangani als diamantmijn. Ten onrechte, vindt de president van de Kamer van Koophandel, Raymond Mokeni Ekopi Kane: ”Voor de crisis deden diamanten er niet toe. Er werd wel wat gegraven, er werd wel wat verkocht, maar Kisangani was de stad waar stoffen vandaan kwamen. Het was een stad met een gevarieerde economie.”

Ekopi Kane zag zowel middenstand als grote ondernemingen de afgelopen drie jaar over de kop gaan. ”Er is geen koopkracht meer. Bovendien is de stad van de buitenwereld afgesloten. De stoffen die in Kisangani worden gemaakt, kunnen niet meer in Kinshasa of Lubumbashi of over de grens worden verkocht. In plaats daarvan voeren mensen zonder belasting te betalen goedkope Aziatische stoffen in, per militair transport. Als genadestoot heft RCD-Goma elke week nieuwe en nog hogere belastingen. Er is geen ondernemer die dat overleeft.”

Op de zakenlui in die éne handel na dan. Temidden van het verval springen ze nog meer in het oog: diamanthuizen met schreeuwend opschrift: ‘Mapampoli – plus plus’ of ‘Hussein Abadie – koopt de grote stenen’. De huizen waarin diamanthandelaren zitten, hebben ongebroken ruiten, de muren staan strak in de verf en ze zijn allemaal versierd met afbeeldingen van diamanten.

De stenen gaan na aankoop meteen het land uit, vertelt een Congolees die het weten kan. Naar Europa, via Kigali of Kampala. ”Net als de winst. Het mannetje in de winkel mag dan een Congolees zijn, hij is maar een zetbaas. Daarachter zit een Rwandees die het grote geld opstrijkt.” Het zijn diezelfde zakenmannen die er baat bij hebben dat de Congo een rivier zonder boten is. Zo kan er geen brandstof vanuit Kinshasa komen. ”Alles moet door de lucht. Het zijn meestal militaire transporten waarmee goederen worden aangevoerd. Diesel bijvoorbeeld verkopen ze hier voor een dollar per liter.” De enkeling die nog een auto heeft, koopt per rit één of twee liter brandstof, net genoeg voor de voorgenomen kilometers. Niet bij een tankstation, die staan al jaren droog. Benzine of diesel wordt langs de weg verkocht, letterlijk per liter, in plastic flessen met een tuitje.

In Kisangani verplaatst een groot deel van de een miljoen inwoners zich op een bagagedrager, achterop bij de onderwijzer, de loodgieter, de student – achterop bij iedereen die sterk genoeg is om een dollar of drie per dag bij elkaar te fietsen. Ook jochies van twaalf zwoegen zich voor twee kwartjes per rit door de evenaarszon. Achterop zie je hoe de druppels in het gemillimeterde kroeshaar stroompjes worden.

De Congolezen klagen, en met alle recht, maar over de oorzaken van de ellende hoor je ze zelden. Wat zou baba Aloys zich boos maken over het feit dat de gast in zijn hotel vijftig dollar per nacht betaalt, maar dat zijn baas hem zijn maandsalaris onthoudt? Hij maakt dat hij er elke dag is en dat hij zijn werk doet, zodat ls de dag daar is dat achterstallig loon wordt uitbetaald, hij niet wordt overgeslagen.

Kisangani buigt mee. De veerkracht van deze Congolezen is indrukwekkend. Of weerhoudt hun talent voor het lijden ze er misschien van in opstand te komen? In deze stad wordt het de bezetter in elk geval niet onnodig lastig gemaakt.

Studenten van professor Kazimir kijken op van de vraag: waarom geen opstand? ”Opportunisme,” zegt er een. ”Verdeeldheid, geen leider,” meent een ander. De studenten politicologie zijn het erover eens dat de mensen van Kisangani zich gemakkelijk aanpassen, net als zijzelf. Ze studeren in een gebouw waar het weer vrij toegang heeft. Het nieuwste studieboek is tien jaar oud en dat delen ze met z’n allen. Hoe ze aan honderd dollar collegegeld komen? Stanislas, 34 jaar, plechtig: ”Artisanale exploitatie van kostbare materialen.” Hij bedoelt: met blote handen naar diamanten graven. Zijn studie is vier jaar achterop.

De uitweg uit de misère moet van elders komen. Van de Verenigde Naties, bijvoorbeeld. Zie maar hoe het met de eerste VN-troepen, zeven maanden geleden, in de stad veiliger is geworden, zegt menigeen. Met de vredessoldaten rijden er ook weer auto’s in de stad. Al zijn ze allemaal wit, vierwielaangedreven en met de letters UN op de deur, het mist zijn normaliserende effect niet.

Deze VN-missie (Monuc geheten) is bezig troepen te stationeren in Kisangani en in het zuidelijker gelegen Kindu. Door heel Congo zitten militaire waarnemers, die toezien op de naleving van het staakt-het-vuren uit het Lusaka-vredesakkoord en rapporteren aan Kofi Annan over schendingen.

Maar toen de vredesbesprekingen medio maart stil kwam te liggen door gevechten in de stad Moliro, konden de waarnemers geen antwoord geven op de cruciale vraag of er Rwandese troepen bij die gevechten waren betrokken. Het gebied was te gevaarlijk om er waarnemers naartoe te sturen.

Na de zomer begint de Monuc haar belangrijkste klus: de ontwapening van ‘negatieve krachten’ (Rwandese milities, Interahamwe en ex-regeringstroepen) die vanuit Congo buurland Rwanda aanvallen, en de demilitarisering van Kisangani, dus van de RCD-Goma-rebellen die de stad bezetten. Dat moet wel vrijwillig gebeuren; het mandaat van Monuc voorziet niet in het gebruik van geweld.

De ontreddering drijft Kisangani in de armen van de Heer, maar ook bijgeloof, sektes en hekserij spinnen er garen bij. Op zondagochtend overstemt het gezang uit de ene kerk het getier van de dominee uit de volgende, allemaal zitten ze vol.

”Niet de autoriteiten runnen deze stad,” zegt Bona Zongia, voorganger van de protestantse kerk Christ au Congo, ”maar wij, de dominees.” De jonge Abt Badidiké, een katholieke geestelijke, ziet het net zo: ”De kerk is voor de meeste mensen de meest nabije autoriteit.” Maar hij relativeert: ”Zoals in elke crisis. Niet alleen kinderen zijn in Kisangani ondervoed, ook volwassen kerels. Geen werk, geen eten, het geloof helpt de honger te pareren.”

Over straat loopt een vrouw in een nieuwe paan, een wikkelrok van lokaal gemaakte stof, op de actualiteit toegesneden. Het katoen bejubelt de vredesbesprekingen in Zuid-Afrika. ‘Sun City 2002’ is de opdruk, en ‘Tous pour la reconciliation’ (Allen voor de verzoening). Maar in Sun City zitten de besprekingen muurvast. De rebellen van RCD, misschien met steun van het Rwandese leger, hebben Moliro veroverd op het regime van Kinshasa. President Kabila heeft daarom met zijn hele delegatie de vredesbesprekingen verlaten. Of de onderhandelende partijen op vrede uit zijn, was al langer de vraag. Daarvoor hebben de meesten te veel te winnen (vooral in de betekenis van delven) bij een oorlog die doorsuddert.

Op weg naar het vliegveld zitten we ineens in een oproer. De studenten protesteren, al voor de tweede keer in één week. Eerst was het omdat ze uitstel van de examens wilden. Bijna niemand had nog de honderd dollar lesgeld kunnen betalen en zonder bewijs van betaling geen toegang tot examens. Het leger rukte uit en ze kregen een week uitstel.

Nu trekken de studenten weer de straat op. Ze hadden dan wel een week uitstel, maar de campus was van stroom afgesloten, dus na zessen kon er niet meer gestudeerd worden. Ditmaal schiet RCD-Goma een student neer. De woede van de studenten richt zich op ons. Een bebloede slipper van het slachtoffer wordt in mijn gezicht gedrukt. ”Hier! En jij dacht zomaar door te kunnen!”

Het leger is bang van de studenten. Ze weten dat de bevolking van Kisangani ze zal steunen als het erop aan komt. Het lijkt de studenten ernst. Ze gijzelen een soldaat. ”Als onze kameraad sterft, gaat ook hij eraan. Dan is het oorlog.”

Kader

De oorlog in Congo duurt al vijf jaar en heeft twee tot drie miljoen mensen het leven gekost. Honderdduizenden mensen vluchtten naar het buitenland, een miljoen anderen raakten op drift in eigen land.

Het begon allemaal in 1997, toen rebellen onder leiding van Laurent-Desiré Kabila de potentaat Mobutu verjoegen. Kabila werd de nieuwe heerser, maar al gauw keerden veel van zijn vroegere medestanders, Rwandese Tutsi’s die hem hadden geholpen bij zijn strijd, zich tegen hem. Door de chaos in het land onstond een machtsvacuüm, waarin de ene partij na de andere zich stortte, aangelokt door de diamanten en andere rijkdommen in de Congolese bodem.

Op het dieptepunt van de strijd was het land één groot Stratego-bord, waar achttien deelnemers elkaar bevochten, troepen uit landen uit de regio, zoals Zimbabwe, Rwanda en Oeganda, maar ook verschillende rebellengroepen, die soms met en soms tégen elkaar vochten.

Al jaren wordt er over vrede onderhandeld, en er zijn ook diverse akkoorden gesloten, die echter steeds weer door alle partijen werden geschonden. Ook het aantreden van een nieuwe president, Joseph Kabila, die in januari vorig jaar werd vermoord, bracht uiteindelijk geen vrede.

Van de huidige onderhandelingen in het Zuid-Afrikaanse Sun City verwachten waarnemers al even weinig. De strijdende partijen zijn te veel gebaat bij de voortgang van de oorlog, zodat ze kunnen doorgaan met het plunderen van de Congolese bodem.