Oog in oog met gorilla’s in de bergen van Rwanda, Parool, 09-02-2002

In het Virunga-gebergte, op de grens van Congo, Rwanda en Oeganda, leven de laatste kolonies berggorilla’s ter wereld. Ze werden vooral bekend van het onderzoek van de Amerikaanse Dian Fossey en de film Gorilla’s in the mist. Rwanda hield er een topattractie aan over, en zijn enige toeristische bezienswaardigheid. Op naar de apen.

VOOR ONS UIT rijdt een Toyota pick-up, achter onze jeep volgt er nog een. Onderweg van de Rwandese provinciehoofdstad Ruhengeri naar de vulkanen springen steeds meer mannen in de twee laadbakken. Allemaal dragen ze een camouflagepak, rubberen laarzen en hebben ze een geweer op schoot. Het zijn militairen, die de toeristen veilig naar de berggorilla’s moeten loodsen.

Het is de onveiligheid die natuurliefhebbers jaren heeft weerhouden van een tocht naar de befaamde berggorilla’s van Dian Fossey, niet de toegangsprijs van 250 dollar. De apen leven op de hellingen in het Virunga-gebergte. Deze keten van drie actieve en zes slapende vulkanen, die de grens vormen tussen Congo, Rwanda en Oeganda, is vooral bekend van het onderzoek dat de Amerikaanse onderzoekster Dian Fossey hier deed, totdat ze in 1985 werd vermoord. De film Gorilla’s in the mist maakte de berggorilla’s drie jaar later wereldberoemd.

Rwanda hield er een topattractie aan over, zijn enige toeristische bezienswaardigheid, want de genocide-monumenten – kerken waar de lijken uit 1994 zijn blijven liggen – tellen we maar niet mee. Maar nog voordat het gorillatoerisme bloeiende handel kon worden, ging het Parc National des Volcans dicht. In 1990 begon in Rwanda de oorlog die in 1994 uitmondde in de volkenmoord. Het gebied werd daarna weliswaar weer opengesteld, maar toen in 1998 zes gorilla-toeristen in het Oegandese deel van het park door Rwandese rebellen werden vermoord, werd de zaak ijlings weer op slot gedaan. Hier, in het noordwesten, zouden zich rebellen ophouden die vanuit Congo Rwanda aanvallen.

Tweeënhalf jaar is het park nu weer open. In juli 2000 kwamen nog slechts veertig mensen om de apen te zien, maar in juli vorig jaar waren dat er alweer 837. Toch maakt de onvoorspelbare aan- en afwezigheid van rebellen dat het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag vooralsnog vasthoudt aan een negatief reisadvies.

Gids François zegt dat het veilig is. Al maanden heeft hij geen rebel gezien. Is het dan niet een beetje overdreven, die doorgeladen wapens om ons heen? Nee, dat ook weer niet, verzekert de commandant van de militaire escorte. ”Het is juist veilig doordat er zo veel militaire patrouilles zijn.” Jazeker, hier wordt een diersoort beschermd: de mzungu, de blanke, met zijn zakken vol harde valuta.

Klauteren

We klimmen een klein uur door bonen- en aardappelvelden naar de rand van het bos. Zeven vulkanen omsluiten ons in een driekwart cirkel. De mist uit de film is er en Karisimbi, met 4500 meter de hoogste vulkaan, houdt zijn kop in de wolken. Het onderzoekscentrum van Dian Fossey ligt bovenop de laagste vulkaan. Het uitzicht maakt indruk, de adem wordt ons benomen door de 2500 meter hoogte. Uit de vier groepen gorilla’s die bezoek gewend zijn, kozen we de dag tevoren de Susa-groep, met 33 beesten de grootste. Bovendien is deze familie het moeilijkst te bereiken, wat ons het tevreden gevoel gaf voor niet minder dan een zware expeditie te staan. De spoorzoekers, die nog veel vroeger de jungle in zijn gegaan, laten over de mobilofoon weten dat de Susa-gorilla’s op een afstand van zeker drie uur klauteren zitten. Dat is de gids te gortig. Op de helling van de vulkaan Sabinyo gaan we op zoek naar een andere groep, van twaalf.

De paden liggen achter ons, voor ons zijn drek, blubber, doorns en een bamboebos zo dicht dat er weinig licht doorheen komt. François heeft zijn machete uit de hoes aan zijn heupriem gehaald en met het kapmes slaat hij ons – vier militairen, vier toeristen, twee spoorzoekers en nog een gids – een weg door de struiken heen. Hij steekt zijn kapmes in elke hoop mest op zijn pad. ”Boshert,” zegt hij dan, of: ”Olifant.”

Totdat de punt van zijn machete wijst naar een drol die nog dampt. Plechtig: ”Gorilla-shit.” Hij kan de hoop zelfs toeschrijven aan een specifiek dier: Ryango, zilverrug, het tweede mannetje van de Sabinyo-groep. Wij kruipen nu waar even tevoren de gorilla’s kropen, op handen en voeten, om ons heen het geluid van brekende takjes.

François staat een diep en rammelend gegrom te produceren. Dat kalmeert de aap, zegt hij. We turen in het zwart van het bamboebos, om dan, nog veel zwarter, een hoofd te ontwaren. Priemende roodbruine oogjes in een hoofd als een granietblok zo massief. We duiken op onze hurken, want daar is Guhonda, baas nummer één en volgens François de grootste zilverrug van het Virunga-gebergte.

Guhonda kijkt, houdt even stil, om dan een paar meter verder achter een grote haag struiken te gaan liggen. Onze demonstratie van nederigheid blijkt overdreven. François, de spoorzoekers en de militairen staan gewoon rechtop. Sterker nog, de gids begint met zijn machete te hakken dat het een aard heeft om de zilverrug weer in het zicht te brengen. Het maakt een hoop kabaal en een beetje bezorgd kijken wij elkaar aan. Dit heeft weinig weg van het low-impact tourisme dat ons zo sympathiek scheen.

François heeft inmiddels een doorkijk geslagen. Guhonda zit tussen twee zwangere vrouwtjes. Eén houdt haar zeven maanden oude jong op zijn kop (de baby is Impurura genoemd, wat zo veel betekent als: welkom bezoekers – om de huiver van toeristen te bezweren, legt de gids uit). Twee jaarlingen zitten achter elkaar aan. Zodra ze ons op een meter of twee naderen, moeten we achteruit. Zo zijn de voorschriften van het Office Rwandais du Tourisme et des Parcs Nationaux (ORTPN), die de parken beheert. Waar mogelijk moeten bezoekers een afstand van zes meter tot de gorilla’s houden. ORTPN is anders bang dat de apen menselijke virussen of bacterie-infecties krijgen waaraan ze zouden kunnen bezwijken. Wordt een gorilla boos, daarentegen, dan is het zaak vooral niet weg te lopen, want dan valt hij aan. Als je blijft en nederigheid betoont, kalmeert hij.

De grote, harige beesten nemen er hun gemak van. François, gebiedend: ”Neem een foto.” Gehoorzaam schieten we een paar foto’s en stoppen het apparaat weer weg. Maar François kent zijn pappenheimers. Toeristen willen plaatjes. Zijn klanten telden allemaal 250 dollar neer voor een uurtje berggorilla’s, en voor zo veel geld moeten ze met mooie plaatjes naar huis. Het lijkt de apen weinig te kunnen schelen dat ze worden bekeken. François houdt niet meer op de begroeiing om de gorilla’s heen weg te maaien; het kan ze onmogelijk ontgaan dat er bezoek is. Een enkele keer gromt Guhonda, waarop François terugdeinst en een brom teruggeeft, ten teken dat hij de boodschap begrepen heeft. Tegen ons: ”Hij zegt dat we het rustiger aan moeten doen.”

Dat de gorilla’s weinig aanstoot aan ons nemen, stelt een beetje teleur. De opwinding vooraf gold toch de verwachting dat we zouden worden betast, gevlooid en op zijn minst worden bekeken. Het ging er toch een beetje om dat we goed bang zouden zijn zonder dat het fout zou aflopen: lekker griezelen wilden we. En daarvoor had Guhonda alleen maar op zijn borst hoeven roffelen. In plaats daarvan zien we een vredig tableau vivant van een stel mensapen van tweehonderd kilo zwaar, tevreden kauwend op een bamboeblaadje.

Dat het er lang niet altijd zo vredelievend aan toegaat, bewijst de winkelhaak in de lip van Guhonda. Die is daarin geslagen door Ryango, weet de gids. De troonopvolger van Guhonda vindt dat langzaamaan zijn tijd gekomen is, en hij daagt de eerste zilverrug steeds vaker uit. Guhonda is met zijn dertig jaar op leeftijd – berggorilla’s worden gemiddeld 35 jaar oud. Maar zo lang Guhonda de baas is, is het recht op nageslacht hem voorbehouden. De twintigjarige Ryango heeft nog nooit een wip mogen maken.

Bushmeat

Het gaat de gorilla’s goed, vindt de gids. De laatste zes maanden althans; in die periode zijn veel jonkies geboren en geen dieren meer gedood. Net over de grens in Congo sneuvelde afgelopen juli een zilverrug in een vuurgevecht tussen rebellen en het Rwandese leger. Een maand daarvoor werden in Rwanda twee gorilla’s door rebellen opgegeten. Met het verdwijnen van de rebellen, zegt François, is het ook afgelopen met bushmeat. Stropers zijn er wel, maar die hebben het gemunt op de buffels en de herten. De enkele keer dat een gorilla in een stropersval loopt, kan het dier altijd door parkwachten worden bevrijd. In Rwanda leven naar schatting 340 berggorilla’s, meer dan de helft van de totale populatie.

Eigenlijk rest de mensapen maar één bedreiging: menselijke activiteit. Rwanda is een dichtbevolkt land, dat moeite heeft zijn bevolking te voeden. Heuvels en bergen maken een groot deel van de grond moeilijk te bewerken. Vruchtbare aarde op een niet al te steile helling, zoals de grond aan de voet van de vulkanen, is moeilijk te weerstaan als landbouwgrond. Naarmate delen van het park worden gecultiveerd, neemt de leefruimte voor de gorilla’s af.

In dat licht bezien is het gek dat de boertjes rondom de vulkanen niet profiteren van de laatste groepen berggorilla’s. Het geld dat de toeristen neertellen, is in zijn geheel voor ORTPN, zegt de chef van de toeristische autoriteit in Ruhengeri. ”Het wordt gebruikt om de parken te onderhouden, we moeten onze gidsen betalen, de militairen en de spoorzoekers.” Toch is het tegenwoordig steeds gebruikelijker de bevolking te laten delen in de opbrengst van beschermd wildlife, simpelweg omdat het dan voordeliger is de dieren te laten leven dan ze op te eten, te verpatsen aan dierentuinen, of de slagtanden, luipaardvellen of gorillapoten op de markt in Congo te verkopen.

François tikt op zijn horloge. Ons uur met de apen is voorbij. Ze waren mooi, machtig en gedeisd. Als we opstaan om te vertrekken, komt ook Guhonda overeind. Hij schreeuwt. Weer duiken we neer, neus op onze knieën. Guhonda wil een van zijn vrouwtjes, fluistert François, en inderdaad, een van de twee zwangere apen staat op uit de groep en loopt onze kant uit, gevolgd door de grote zilverrug, om uiteindelijk vlak bij ons te gaan zitten. Guhonda’s opwinding lijkt groot genoeg om niet verstoord te raken door wegsluipend publiek.

Eenmaal het bos uit, het is even na het middaguur, halen de gidsen en de militairen radiootjes uit hun binnenzak en drukken die tegen hun oor. Deze laatste dag van het jaar is de dag dat het land zijn nieuwe nationale symbolen krijgt. Alle mannen luisteren naar de ceremonie in Kigali, waar de nationale vlag wordt onthuld en het nieuwe volkslied wordt gezongen.

We mogen van geluk spreken dat onze begeleiders de oproep aan alle Rwandezen hierheen te komen, hebben genegeerd. Dat we het voorbeeld van menige gorillatoerist zullen volgen, lijkt echter onwaarschijnlijk – velen boeken de apen meteen twee of drie dagen achtereen. Voor anderen is het zo ontroerend oog in oog met een gorilla te staan, dat ze terugkomen.