Schuld op de heuveltop, Elsevier 19-01-2002

Als ze allemaal een proces kregen, zou de berechting van 120 duizend verdachten van de genocide tweehonderd jaar duren. Rwanda koos voor traditionele volkstribunalen. Of dit leidt tot verzoening van Hutu’s en Tutsi’s? Het onvoorstelbare bleek al eens mogelijk.

Tussen de ruim drieduizend gespierde mannen in de gevangenis van Kibuye valt Alexis op. Niet eens omdat hij ouder is, maar doordat hij er zo gedistingeerd bij zit, ook in zijn lichtroze gevangenispak. Hemd en broek staan stijf, zo gesteven zijn ze. Zijn familie komt vaak langs met schone was en schoenpoets, lijkt het. Maar sinds Alexis bekende dat hij in de genocide van 1994 een wegblokkade bemande en Tutsi’s doodde, wil zijn familie niks meer van hem weten.

Lompen en slippers blijven hem bespaard omdat Alexis binnen de gevangenismuren meer gelijk dan anderen wist te worden. Hij biechtte zijn verhaal op, net als dertigduizend andere verdachten. In de aanloop naar de gacaca, de volkstribunalen die op elke heuvel van genocide verdachte dorpsgenoten zullen berechten, hebben ze hun bekentenis op papier gezet.

In dit stelsel van barakken met gangen en tussenruimtes, een onderwereld waar de zweetlucht massief is, waar licht, water en frisse lucht schaars zijn, is er onverwacht een hoekje van orde: stapels schuldbekentenissen in regelmatig handschrift. Volgeschreven vellen vertellen de verhalen van daders over de genocide van 1994, toen in vier maanden tijd een miljoen Tutsi’s en gematigde Hutu’s werden vermoord, volgens een nieuw onderzoeksrapport van de Rwandese regering. Wie zegt wat hij heeft misdaan, wacht bij gacaca strafvermindering. De beloning is groot omdat bekentenissen onmisbaar zijn voor het slechten van de haat en voor het achterhalen van wat zich afspeelde. Onmisbaar, kortom, voor verzoening in een land waar buren elkaar met hakmessen te lijf zijn gegaan.
Nationale verzoening – het is misschien de grootste opdracht waar de regering van Nationale Eenheid van president Paul Kagame voor staat. Eind vorig jaar zag deze regering haar inspanningen voor wederopbouw en armoedebestrijding beloond door de Nederlandse regering, toen die Rwanda toevoegde aan het lijstje met landen die kunnen rekenen op langdurige ontwikkelingshulp. Maar de verdeeldheid in Rwanda is weerbarstig en op publiek vertoon van berouw en vergiffenis staan vaak sancties in eigen kring. Hoe bovendien te verzoenen als gerechtigheid is voorbehouden aan Tutsi-slachtoffers? En hoe ontmantel je etnische haat als praten over ‘Hutu’s’ en ‘Tutsi’s’ niet langer gepast is?

Twee vingers
Verzoening in Rwanda laat zich niet vertalen in een overzichtelijk schema: dat wil Simon Gasibirege eerst gezegd hebben. Gasibirege, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Butare, doet onderzoek naar verzoening. De genocide wordt volgens hem te vaak gesimplificeerd tot een afrekening door Hutu’s met Tutsi’s. Ook binnen een etnische groep heerst ressentiment. Hij geeft een voorbeeld: in de tijd van president Habyarimana vermoordden Hutu’s uit het noorden die uit het zuiden als die geen twee vingers in hun neusgat konden steken. ‘Dan was je geen echte Hutu.’ Tutsi’s die ‘1994’ overleefden, voelen zich achtergesteld door uit Uganda teruggekeerde Tutsi’s die nu de dienst uitmaken.
Wil verzoening kans van slagen hebben, dan moet er volgens Gasibirege aan drie voorwaarden zijn voldaan. Rwandezen moeten elkaars leed erkennen, de ruimte krijgen om te praten over wat hen overkwam en de overheid moet verzoening stimuleren.
‘Verzoening als overheidstaak’ is de klus van Aloisea Inyumba, de juriste die leiding geeft aan de Nationale Commissie voor Eenheid en Verzoening. Ze is jong, slim, gedreven en bescheiden: een pr-kanon voor de regering. Een van de successen van de verzoeningscommissie, zegt Inyumba, is dat vier miljoen vluchtelingen naar huis zijn teruggekeerd. De eerste jaren na de oorlog waren dat vooral burgers. Het laatste jaar zijn de zogeheten solidariteitskampen – verplicht tussenstation voor wie uit ballingschap terugkeert – vooral bevolkt met ex-rebellen en militairen van het voormalige regeringsleger. Jaren verbleven deze doodsvijanden van het naoorlogse regime in de rimboe in Congo. Vorig jaar werden er duizenden opgepakt. ‘Een belangrijke verzoeningsboodschap,’ zegt Inyumba. ‘Ook zij hebben het recht terug te komen.’
Nkumba ligt aan een weg met hutten van leem en mest in het noordwesten van Rwanda. Het is ’s morgens vroeg, kleine kinderen halen water. De gele vaten op hun hoofd zijn net zo modderig als hun T-shirts. Nog verder weg van het laatste asfalt, nog dichter bij de zeven vulkanen, staan ineens stenen gebouwen. Tot de oorlog in 1990 was hier de Universiteit van Ruhengeri. Nu is dit het solidariteitskamp Nkumba. Hier wordt gewezen rebellen mores bijgebracht.
Sommige militieleden en rebellen gaven zich vrijwillig over. Een enkeling werd afgeleverd door zijn familie, bij wie hij zich schuilhield. Dat zegt Boniface Nzamwita, de baas van het kamp, met nauwelijks verholen trots. Nzamwita wil graag laten zien hoe er hier aan verzoening wordt gewerkt. Wat kan hij zich beter wensen dan een bevolking – hier tot voor kort het regime vijandig gezind – die de doelstelling van het kamp onderschrijft?
In de bossen in Oost-Congo werden de rebellen overspoeld met negatieve informatie over het Rwanda van na de oorlog, zegt Nzamwita. In Nkumba krijgen de mannen goed te eten, medische zorg en elke dag een paar uur les. Maatschappijleer vooral, over ‘het nieuwe Rwanda’, en lessen in patriottisme. Damien Mundere (31) zat de afgelopen vier jaar bij een militie in Noord-Kivu. Vóór die tijd was Mundere onderwijzer. Als hij straks het kamp verlaat, hoopt hij weer militair te kunnen worden, maar dan voor het Rwandese leger. Mundere, die zichzelf aanmeldde voor de heropvoeding, is tevreden. Hij komt uit een dorpje in de buurt. Vier jaar lang zag hij zijn kinderen niet. In Nkumba komen ze elke week langs.
Professor Gasibirege prijst de solidariteitskampen. De oud-rebellen praten er over wat ze hebben meegemaakt. En, helemaal goed, ze wisselen ervaringen uit met de mensen die hun slachtoffers geweest kunnen zijn. Aloisea Inyumba vertelt hoe vorige week een bus vol mannen uit het kamp een groep genocide-overlevenden bezocht. De mannen uit Nkumba vertelden hoe zwaar het leven in Congo was, de overlevenden deden hun verhaal over de angsten en het verdriet als gevolg van de genocide.

Patriottisme
Er is ook kritiek. Van de Rwandese mensenrechtenactivist Florien Ukizemwabo bijvoorbeeld. Al noemt hij de commissie van Nationale Eenheid en Verzoening ‘de motor van de vrede’, Ukizemwabo is niet te spreken over de gedaante die het patriottisme in de kampen aanneemt. ‘Het betekent volgens de regering dat je je land kunt verdedigen. Iedereen in een solidariteitskamp heeft leren schieten.’ Het doet hem twijfelen aan het verlangen naar vrede. Verzoening, vindt hij, is iets anders dan met z’n allen bereid zijn te sterven voor het vaderland.
Of de toekomst van Rwanda in het teken zal staan van verzoening of revanche, daarvoor zou het slagen van gacaca doorslaggevend kunnen zijn. De regering koos ervoor een traditioneel volkstribunaal te hervormen om de 120 duizend verdachten te berechten. Tegen de wens van de internationale gemeenschap in, want een volkstribunaal is niet volgens de regels van een eerlijk proces. Maar een Waarheids- en Verzoeningscommissie naar Zuid-Afrikaans voorbeeld, waar Rwanda’s donoren op aandrongen, was voor de regering uitgesloten. Rwanda zou voor eens en voor altijd afrekenen met de straffeloosheid.
Voor een gacaca komt de hele gemeenschap samen op een grasveld. De gevangene staat tegenover zijn dorpsgenoten. Zij vertellen wat de verdachte tijdens de genocide deed. De bevolking beschuldigt of pleit vrij, een advocaat is er niet. Daarna bepalen negentien lekenrechters de strafmaat. Als gacaca goed wordt toegepast, brengt deze vorm van rechtspraak meer dan gerechtigheid alleen, zegt Simon Gasibirege. Dan zijn de voorwaarden voor verzoening vervuld. Gacaca is het podium waar slachtoffer en dader elkaar ontmoeten. De verdachte kan bekennen en spijt betuigen. Dat laatste is waar Gasibirege op hoopt, want een dader die niet om pardon vraagt, valt moeilijk te vergeven.
Al ziet de psycholoog geen andere mogelijkheid tot verzoening dan gacaca, Gasibirege betwijfelt soms of de volkstribunalen wel optimaal zullen werken. Een groot probleem is dat mensen hun verhaal niet durven doen. In de ‘gacacavoorrondes’, die afgelopen halfjaar in het hele land zijn gehouden – bedoeld om van gevangenen zonder dossier te bepalen of een aanklacht wel gegrond is – tonen de Rwandezen zich terughoudend. Overlevenden van de genocide worden vaak bedreigd. Ze zijn bang voor represailles door de familie van de verdachte. Daar komt bij dat genocideslachtoffers in eigen kring onder druk worden gezet om niet te vergeven. Gasibirege vertelt over een Tutsi die bezoek kreeg van de moordenaar van haar man. Hij had spijt. Zij vergaf hem. Sindsdien beschouwen andere Tutsi’s de vrouw als verrader.

Nieuwe verdeeldheid
De plaatsvervangend bisschop van Kigali ziet de gacaca met angst tegemoet. In plaats van verzoening gaat gacaca nieuwe verdeeldheid zaaien, voorspelt monseigneur André Havugimana. Zijn grootste bezwaar is dat deze tribunalen zich beperken tot misdaden begaan tussen 1990 en 1994. ‘Daarna zijn dertigduizend mensen, veelal Hutu’s, vermoord door RPF-soldaten, door de militairen van het huidige regime. De overlevenden van deze moorden komen niet aan bod.’ De vicaris meent dat zo leed en verdriet zijn voorbehouden aan Tutsi’s. Hij vertelt van een vrouw, een Hutu, die in de oorlog weliswaar kleren stal van Tutsi’s, maar wier broer en vader door RPF-militairen werden vermoord. Havugimana: ‘Zij kan haar verhaal nergens kwijt. Voor de gacaca van de staat heet ze zelfs medeplichtig. Waar denk je dat zij haar gerechtigheid haalt?’
Op de vraag of gacaca wordt ervaren als overwinnaarsrecht, reageert Aloisea Inyumba gepikeerd. ‘Al die mensen die onze rechtspraak aanvallen, zijn nooit met een alternatief gekomen. Als alle gevangenen voor de gewone rechtbank terecht moesten staan, zou het tweehonderd jaar duren voordat iedereen aan de beurt kwam.’
De katholieke kerk zocht haar eigen manier om daders en slachtoffers binnen de geloofsgemeenschap te verzoenen. Ook de kerk greep terug op de traditionele gacaca. Maar de christelijke gacaca en de gacaca van de staat, zegt Havugimana, ‘dat is een verschil van dag en nacht’. De staat wijst naar de schuldigen en berecht hen. In de kerk onderzoekt ieder zijn eigen geweten, legt hij uit. Het kostte de kerk twee jaar om haar gelovigen zover te krijgen dat ze gingen praten over wat zich in de oorlog had afgespeeld. De vicaris zegt: ‘De algemene houding was: “Ik was mijn handen in onschuld, de anderen hebben gedood.”’ De priesters zeiden in hun preek: ‘Als u christen bent, kom dan voor het tribunaal van God.’ Dat hielp. De gelovigen kwamen in groepen van twintig bijeen om te vertellen over wat hun was overkomen en welke misstappen ze zelf begingen.
Nog maar twee maanden geleden was Gasibirege somber over de toekomst van zijn land. Rwandezen, zo zei hij toen, hebben niet eens gedeelde waarden en normen. ‘Als je het oneens bent over het feit dat je een ander mens niet mag doden, óók niet als die tot een andere etnische groep behoort, is verzoening uitgesloten.’ Ook zou de regering niet moeten doen alsof etniciteit ineens niet meer bestaat. Iedereen heet nu ‘Rwandees’, en wie het nog over Hutu’s en Tutsi’s heeft, loopt kans te worden beschuldigd van het aanzetten tot etnische verdeeldheid. Maar van etniciteit een nieuw taboe maken, helpt volgens Gasibirege niet om de verdeeldheid te ontmantelen.
Gasibirege raakt er niet meer van in mineur. Op 4 oktober zag hij zijn land zoals hij het niet eerder had gezien. Die dag koos Rwanda zijn gacacarechters, negentien in elke gemeenschap. Over de kandidaten werd een publiek debat gevoerd. Gasibirege: ‘Dat ging niet alleen over de vraag of iemand vuile handen had gemaakt in de genocide, het ging over moraal. Mensen zeiden tegen elkaar dingen als: “Jij kunt geen rechter worden, want jij hebt je zieke buurman niet geholpen.”’
Al gaat gacaca officieel niet over wat zich na 1994 heeft afgespeeld, de Rwandezen laten zich niet meer beteugelen. Dat Gasibirege zo blij wordt van een bescheiden stap vooruit, is alleen te begrijpen in het licht van Rwanda’s recente geschiedenis. Een genocide op het netvlies, en daarmee een bevolking die nog maar kortgeleden meer zombie dan mens was – in dat licht is de normalisering verbluffend. Na zeven jaar is er zoiets als samenleven zonder geweld. De Rwandezen zelf zeggen het de ene keer met trots, de andere keer met zelfspot: au Rwanda, rien d’étonnant, in Rwanda is er niets dat je nog versteld kan doen staan.