Militaire Operaties ex BTW, Volkskrant Magazine 17-02-2001

Ontwikkelingslanden betalen particuliere legers miljoenen dollars om soldaten te trainen, OF een burgeroorlog te beeindigen. Dat laatste lijken ze beter te kunnen dan de Verenigde Naties. Goedkoper ook. ‘We zijn bereid te onderhandelen over een forse kostenreductie.’

De relatie tussen Sandline en de Britse regering liep in 1998 zware averij op in de Sandline Affaire. Najaar 1997 vroeg de verdreven president van Sierra Leone, Kabbah, het Britse militaire bedrijf om hulp. Sandline en Kabbah sloten een overeenkomst: Sandline zou helpen bij het bestrijden van de militaire junta, Sandline zou een helikopter gebruiken, Sandline zou kleine wapens leveren, en eventueel een special force-eenheid inzetten (kosten: 10 miljoen dollar).

Tim Spicer, toenmalig luitenant-kolonel van Sandline, beschrijft in zijn boek An unorthodox soldier, peace and war and the Sandline Affair hoe hij Engelands Hoge Commissaris voor Sierra Leone op de hoogte hield van de opdracht. Zodoende wist het ministerie van Buitenlandse Zaken dat Sandline hielp om Kabbah weer in het zadel te krijgen. Sandline meende de stilzwijgende goedkeuring van de regering te hebben. Per slot van rekening was Kabbah de legitieme president die de steun van de internationale gemeenschap had. Het wapenembargo dat de Verenigde Naties in oktober 1997 tegen Sierra Leone had ingesteld, leek daarom niet van toepassing.

In februari 1998 beschuldigde een lid van het Lagerhuis de minister van Buitenlandse Zaken van het schenden van het VN-embargo. Dat embargo verbood alle wapenleveranties aan Sierra Leone. Sandline zou dus met medeweten van minister Cook wapens aan Sierra Leone hebben geleverd.

De Britse douane viel de Sandline-kantoren binnen en een parlementaire commissie onderzocht de zaak. Minister Cook kwam zwaar onder vuur te liggen; eens te meer omdat hij de man was van het ‘ethische buitenlandbeleid’. In het parlement zei Cook niet te hebben geweten van de wapenleverantie. Maar dat zaaide twijfel over hoe goed de minister werd geïnformeerd.

Sindsdien verkondigt minister Cook dat hij geen zaken doet met huurlingen. Vooruitlopend op toekomstige wetgeving over militaire bedrijven zal de Britse regering een discussiestuk, een zogeheten Green Paper, publiceren. Verwacht wordt dat de Britse regering een ontmoedigingsbeleid wil voeren tegenover militaire bedrijven op haar grondgebied. De Green Paper zou afgelopen november verschijnen, maar lijkt te zijn uitgesteld tot na de Britse verkiezingen.

Michael Grunberg heeft een baan die tot de verbeelding spreekt. Als commercieel adviseur vliegt hij de hele wereld rond, vooral naar landen rondom de evenaar. Grunberg verkoopt soldaten. Zijn afnemers zijn regeringsleiders.

Hij werkt voor Sandline International, een bedrijf dat legerinstructeurs, militaire adviseurs en gevechtshandelingen levert aan wie daarvoor betaalt. Met bedrijven als Sandline is een nieuw soort leger ontstaan: belastingbetalende, commerciële ondernemingen die er gelikte websites op na houden en wier product ‘een vertrouwelijke kwestie’ heet. Het zijn vooral derdewereldlanden die met hun veiligheidsprobleem de markt op gaan en een militaire onderneming inhuren; landen die arm zijn ondanks de aanwezigheid van mineralen en delfstoffen. Het goud, de olie en de diamanten zijn meestal inzet van de strijd.

Aan welke klanten hij wat verkoopt, wil Grunberg niet zeggen. ‘Het gaat voor onze opdrachtgevers om strategische kwesties van nationaal belang. Ze willen niet dat hun veiligheidsproblemen op straat komen te liggen.’ De militaire bedrijven zeggen maatwerk te leveren – of ze nu een anti-terrorisme-eenheid trainen, een verdreven president weer aan de macht helpen of lesgeven in het afvuren van mortieren. Vaak werken ze in conflictgebieden, al kloppen ook landen zonder acuut veiligheidsprobleem bij Sandline aan. Grunberg: ‘Het trainen van een leger gaat door in vredestijd.’ Per opdracht nemen de bedrijven soldaten in dienst. Die militairen zijn opgeleid en getraind in elitetroepen van Britse, Amerikaanse maar ook Nederlandse legers.

Cobus Claassens is zo’n soldaat. Hij was jarenlang in dienst van het Zuid-Afrikaanse militaire bedrijf Executive Outcomes (EO). Met zijn overstap van een topeenheid in het Zuid-Afrikaanse leger naar EOwerd zijn loon meer dan verdubbeld. Claassens: ‘Als er al militairen zouden zijn die gedreven worden door de zucht naar avontuur, zijn dat de jongens die het eerst afhaken. Het is niks glamour of avontuur, het zijn normale militaire operaties, alleen met veel weerstand en weinig rugdekking.’

Particuliere legers zijn er in verschillende soorten en maten. Er zijn bedrijven die in de schemering opereren (negen van de tien zegt Claassens), en er zijn bedrijven die een zekere openheid van zaken geven. Die laatste noemt Claassens de ‘moderne’ particuliere legers. Er zijn er die vechten en er zijn er die zeggen alleen te adviseren en trainen. Moderne militaire bedrijven die ook in gevechtssituaties opereren zijn er maar weinig. Executive Outcomes was er zo een. Op dit moment is Sandline de enige.

Nieuw is de handel in soldaten niet. Zo lang er oorlog is, hebben strijdende partijen huurlingenlegers ingezet. Roemruchte mannen als Bob Denard voerden in de jaren zeventig troepen huurlingen aan in Afri ka. Wie het meest betaalde, rekenen op hun steun. Wie rekende op hun steun kon ontdekken dat ze net zo fanatiek vochten voor de andere partij.

Het woord huurling roept volgens Michael Grunberg nog steeds dezelfde beelden op. Grunberg trekt er een vies gezicht bij en verschuift nog eens in zijn fauteuil in de hotellobby op Guernsey. ‘Huur lingen zijn sigaarkauwende schreeuwlelijkerds met het gezicht vol littekens, die een geweer op de rug meesjouwen en plezier beleven aan het moorden om het moorden.’

Het moet gezegd, zo ziet de man die Sandline’s zaken behartigt er niet uit. Hij draagt mocassins onder een smetteloze jeans, hij rookt light-sigaretten. Een man bijna net zo voorkomend als alert. Hij weet wat hij kwijt wil en wat niet.

Een zekere openheid is onontkoombaar voor de particuliere militaire bedrijven die afwillen van het beeld van louche militairen verwikkeld in een handel die het daglicht niet verdraagt. De man die tot voor kort het boegbeeld van Sandline was, luitenant-kolonel Tim Spicer, schreef zelfs een boek over zijn particuliere leger: An unorthodox soldier, peace and war and the Sandline Affair. Op hun websites en in de media zeggen de bedrijven alleen te zullen werken voor de goede zaak, maar de reacties zijn er niet minder heftig om. Wie garandeert dat de militaire onderneming niet werkt voor de best betalende partij, ook als dat een dictator of autoritair regime is? Hoe correct gedragen deze militaire professionals zich in het veld? Met welk geld betalen ontwikkelingslanden een militaire onderneming? Verwerven de bedrijven politieke invloed?

Militaire bedrijven die niet bereid zijn de trekker over te halen worden minder op de huid gezeten. Het Amerikaanse mpri, in die categorie de grootste, krijgt bijna al zijn opdrachten van de Amerikaanse regering. Een jaar geleden hield Executive Outcomes op te bestaan. De Zuid-Afrikaanse overheid voerde met succes een ontmoedigingsbeleid, het leger is ontbonden en de meeste EO-militairen zijn hun eigen veiligheidsbedrijf begonnen. Blijft over Sandline International. Sand li ne staat geregistreerd op de Bahama’s, is gevestigd op Guernsey, en heeft een representatief kantoor in Londen. Het is in 1995 opgericht door de Engelse zakenman Tony Buckingham als een Europese equivalent van EO. Tot Grunbergs ergernis is de nieuwsgierigheid naar hun handel groot.

En dus vertelt hij dat Sandline alleen in zee gaat met opdrachtgevers die worden gesteund door de internationale gemeenschap. (‘We betrachten zelfregulering.’) Door de bank genomen zijn dat wettige regeringen. Een bevrijdingsbeweging die de onverdeelde steun van de internationale gemeenschap geniet, is volgens Michael Grunberg eigenlijk een red herring, een fabeltje. In de geschiedenis van Sandline is het één keer voorgekomen dat de onderneming wilde werken voor een bevrijdingsbeweging: voor de onofficiële regering van Kosovo. Het bedrijf lichtte keurig het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken in over de opdracht, waarop de regering Sandline verbood zich te mengen in het Balkan-conflict.

David Shearer is ervan overtuigd dat een bedrijf als Sandline in een conflict inderdaad alleen voor de goede partij werkt. Shearer is als onderzoeker verbonden aan het Londense Internationaal Instituut voor Stategische Studies (iiss). In 1998 publiceerde hij de tot nu toe gezaghebbendste studie naar militaire ondernemingen, Private armies and military intervention.

Shearer: ‘De mensen achter Sandline zijn zakenlui, geen moordenaars. In de toekomst zal het geld worden verdiend door de militaire bedrijven met een goede reputatie. Geen enkel land zal een zootje moordenaars willen inhuren. Er is de militaire bedrijven veel aan gelegen legitimiteit te verwerven.’

Dat lijkt ze goed af te gaan. Tussen 1995 – toen de eerste verhalen naar buiten kwamen over operaties van Executive Outcomes in Angola – en 2001, is de houding van de internationale gemeenschap ‘drastisch veranderd’, vindt Grunberg, die jarenlang voor EO werkte. ‘Midden jaren negentig was elk verhaal over Executive Outcomes uitgesproken afkeurend.’

Een van de personen die zijn negatieve mening over particuliere legers zag verschuiven, was David Shearer. In 1996 werkte de Nieuw-Zeelander in Sierra Leone voor de niet-gouvernementele organisatie Internationale Crisis Groep. Hij vertelt over zijn kennismaking met Executive Outcomes. ‘Toen ik in Freetown in een bar stond, zag ik een groepje EO-soldaten. Ik dacht: zo zien moordenaars er dus uit.’ Maanden later ging Shearer naar het Kono-district, het gebied in Sierra Leone waar de diamanten vandaan komen en waar Executive Outcomes opereerde. Daar bleek tot zijn stomme verbazing dat de bevolking de soldaten op handen droeg. ‘Zij maakten een eind aan de slachtingen die het rebellenleger aanrichtte.’

De operatie van EO tussen 1995 en 1997 in Sierra Leone is uitgegroeid tot hét succesverhaal. In opdracht van president Strasser kwam in 1995 een eenheid van EO aan in Sierra Leone. Het rebellenleger stond op het punt Freetown in te nemen. De ingehuurde soldaten gingen voortvarend aan de slag. Allereerst verdreven ze de rebellen uit de hoofdstad, daarna werd het diamantengebied (het Kono-district) heroverd. In december van dat jaar kwam de strategische titaniummijn (Rutile) in regeringshanden en in januari 1996 schoten de versterkte grondtroepen van EO de rebellen naar de onderhandelingstafel.

Drie maanden later werden in Sierra Leone de eerste vrije verkiezingen gehouden in 23 jaar. Toen de rebellenleider Foday Sankoh weigerde een vredesakkoord te tekenen werd Executive Outcomes nogmaals ingezet, ditmaal door de pas verkozen president Kabbah. Maar Sankoh liet in het vredesakkoord opnemen dat EO het land moest verlaten. Dat gebeurde begin 1997. Nog geen honderd dagen na de aftocht van de Zuid-Afrikaanse militairen werd er weer gevochten.

Of een ander militair bedrijf even succesvol was geweest is nog maar de vraag. De EO-eenheid in Sierra Leone was niet exemplarisch voor een particulier leger, legt een van de toenmalige soldaten, Cobus Claassens, uit. De soldaten waren gerekruteerd uit vier topeenheden van het Zuid-Afrikaanse leger (berucht ten tijde van het apartheidsbewind). ‘Iedereen had meer dan vijftien jaar ervaring, we kenden elkaars kwaliteiten. We vertrouwden elkaar blindelings.’ Ook David Shearer noemt de operatie in Sierra Leone a-typisch, omdat ze werd uitgevoerd door een bestaande gevechtseenheid. ‘Een militair bedrijf dat soldaten bijeenbrengt kan precies dezelfde problemen hebben als een vredesmissie van de Verenigde Naties.’

Executive Outcomes maakte indruk op militairen. Het slaagde waar anderen faalden. Ook onderzoekers en commentatoren waren onder de indruk. De operatie had 35 miljoen dollar gekost. Dat komt neer op 1,2 miljoen dollar per maand. De Verenigde Naties spendeerden afgelopen jaren in Sierra Leone meer dan 60 miljoen dollar per maand. En tot op de dag van vandaag zonder veel resultaat. Wat zou betekenen dat een particulier leger de klus niet alleen beter klaart dan de vn, maar ook vele malen goedkoper.

Zo’n conclusie hoeft niet te verbazen, vindt Doug Brooks, een Amerikaan die aan het Zuid-Afrikaanse Instituut voor Internationale Betrekkingen onderzoek doet naar particuliere militaire bedrijven. ‘De vn zijn namelijk geen militaire organisatie. Bovendien bestaat een vn-leger uit vrijwillig geleverde soldaten. De vn kunnen daarom niet altijd het best mogelijke leger formeren.’ Een vn-vredesmacht is een mengeling van trainingstandaards, uitrusting, talen en culturen. Dat maakt de bevelsvoering lastig. En soms zijn de vredessoldaten slecht toegerust voor hun taak.

Opmerkelijk genoeg kreeg Executive Outcomes ook complimenten van humanitaire organisaties. Meestal komt de zwaarste kritiek op militaire bedrijven uit deze hoek: particuliere legers zijn zo effectief omdat ze niet worden gehinderd door oorlogsrecht en door respect voor de mensenrechten. Hoewel Alex Vines van Human Rights Watch in Londen zegt dat hij over bewijs beschikt dat Executive Outcomes zich in Angola (tussen 1993 en 1996) schuldig maakte aan mensenrechtenschendingen (‘Ze maakten onzorgvuldig gebruik van hun wapens’), neemt Human Rights Watch geen officieel standpunt in over militaire bedrijven. ‘In Sierra Leone’, zegt Vines, ‘kon het gedrag van de EO-soldaten evenmin door de beugel, al waren ze preciezer met hun wapentuig.’ Maar wat overheerste was de lof van hulporganisaties, die pas na het ingrijpen van EO de vluchtelingen en slachtoffers konden bereiken.

Corine Dufke, Vines’ collega in Sierra Leone aarzelt om een uitspraak over particuliere legers te doen. Het enige dat ze kwijt wil is dat de soldaten van Executive Outcomes populair waren bij de bevolking. ‘Met hun komst stopte de slachting van burgers. In Sierra Leone waren zij ongetwijfeld de good guys. Niemand anders beschermde de bevolking. Er was een gigantisch veiligheidsvacuum.’

Dat vacuum beperkt zich niet tot Sierra Leone. Rijke landen geven niet thuis bij burgeroorlogen zoals op dit moment in de West-Afrikaanse driehoek Sierra Leone, Guinee en Liberia. Voor Afrikaanse burgeroorlogen bestaat in rijke landen geen sneuvelbereidheid, zegt generaal majoor b.d. der mariniers Cees Homan. ‘Het Westen heeft er geen vitale belangen en de risico’s zijn groot.’ Nadat in 1993 achttien Amerikaanse soldaten in Somalië omkwamen namen de Amerikanen aan geen enkele vn-missie meer deel. Waar de Verenigde Staten nog ingrepen, deden ze dat via de navo. Andere landen volgden het Ame ri kaanse beleid.

De vn-vredesoperaties moeten het daarom hebben van niet-westerse bijdragen: van soldaten die volgens de Amerikaanse onderzoeker Doug Brooks graag voor de Verenigde Naties werken omdat ze soms tien keer zo veel als thuis verdienen – Indiërs, Fijiërs en Pakistani. Brooks: ‘De Indiërs en de Bengalezen doen mee voor het geld. Waarin verschilt hun motivatie met die van de militaire bedrijven?’

Juist in de conflicten waar het Westen liever afzijdig blijft (slachtpartijen onder burgers, gedrogeerde kindsoldaten, elkaar bevechtende rebellenfacties) zijn de particuliere legers in het voordeel, zegt Kevin O’Brian van het Internationale Centrum voor Veiligheidsvraagstuk-ken van het King’s College in Londen. Met materieel en uitrusting van een eerstewereldleger vechten ze tegen een derdewereldleger. Ze zijn bereid geweld te gebruiken en bereid geweld te incasseren.

Toch is O’Brian geen fan van de militaire bedrijven. Oorlog mag nooit ofte nimmer commercie worden, is zijn principiële standpunt. In een ideale wereld, schetst O’Brian, grijpen de vn in waar nodig. Als een vn-missie onmogelijk blijkt, vindt O’Brian dat een ‘ontwikkelde wereldmacht’ als de Verenigde Staten of het Verenigd Koninkrijk zich in het conflict moet mengen. Alles liever dan speelruimte voor militaire bedrijven. Maar dan. O’Brian: ‘Het enige probleem met mijn argumentatie is dat die van weinig realisme getuigt.’

Michael Grunberg ondervindt aan den lijve hoe met het afnemen van vertrouwen in de vn de militaire ondernemingen salonfähig worden. Grunberg: ‘Na de gebeurtenissen in Rwanda zei Kofi Annan: “De tijd is nog niet rijp om vredesmissies te privatiseren.” Mind you: de tijd is nog niet rijp. Die tijd gaat dus wel komen. Wat wij nodig hebben is een conservatieve man in het Witte Huis.’

Kevin O’Brian hoopte op een Democraat in het Witte Huis. Het werd Bush. Nu houdt O’Brian ernstig rekening met ‘isolationisme en non-interventionisme’ van de Verenigde Staten. Michael Grunberg is tevreden. Hoe afzijdiger de Verenigde Staten, hoe meer groeipotentieel voor zijn branche. Als het aan de Amerikaanse onderzoeker Doug Brooks ligt, laat de internationale gemeenschap het niet van het toeval afhangen of een regering een militaire onderneming inhuurt. ‘Als we voor de vn goede vredessoldaten nodig hebben, dan weten we toch waar hen te vinden?’ Brooks vindt dat de vn in conflictgebieden een particulier leger moeten inzetten als de rijke lidstaten geen soldaten leveren.

‘Een interessante gedachte. Bijzonder interessant.’ De Nederlandse oud-generaal majoor Cees Homan kauwt even op het idee. Een particulier leger zal nooit zijn voorkeur hebben, wil Homan wel benadrukken. In beginsel blijft een vredesoperatie een zaak van de vn en hun lidstaten. ‘Maar wij willen een oorlog zonder tranen, zoals in Kosovo. Dan ziet het er voor landen in Afrika niet veelbelovend uit. Als we Afrika niet opgeven, moeten we de optie onderzoeken om militaire bedrijven in te zetten.’ Homan grijpt de telefoon en belt vanuit het tuinhuis van Clingendael (het Haagse Instituut voor Internationale betrekkingen waar hij als onderzoeker aan is verbonden) naar het hoofdgebouw, waar zijn collega Dick Leurdijk kantoor houdt. Of het juridisch mogelijk is militaire bedrijven in te zetten onder vn-mandaat? Jawel, dat kan, laat Leurdijk weten. En het voordeel is dat het particuliere legers zichtbaar en dus controleerbaar maakt. Homan: ‘De Veiligheidsraad bepaalt dan de rules of engagement voor zo’n operatie. De commandant van het militaire bedrijf zal politieke verantwoording moeten afleggen aan de Veiligheidsraad. Zo worden ze meer verantwoordelijk voor hun doen en laten dan ze op dit moment zijn.’

Uiteraard is Sandline geïnteresseerd in een operatie onder vn-mandaat. Dan is Grunberg voor eens en voor altijd af van die ‘weerzinwekkende achterdocht’. Maar is het lucratief? Grunberg schatert. ‘De Verenigde Naties spenderen een fortuin aan vredesmissies. Sand-line is zelfs bereid te onderhandelen over een forse kostenreductie.’ Dat werken voor de vn betekent dat ze openheid van zaken moeten geven over l hun opdrachten, doet aan Grunbergs enthousiasme niets af. Hij zegt met klem: ‘Zou er op dit moment een internationaal regulerend orgaan voor militaire bedrijven bestaan, dan zou Sandline vertellen wie zijn aandeelhouders en zijn klanten zijn en welke projecten Sandline onder handen heeft. Ook is Sandline bereid waarnemers mee te nemen op zijn operaties. Die regulerende commissie moet de internationale gemeenschap laten weten of deze bedrijven iets illegaals doen. Verder hoeven ze niks te onthullen.’

Toch zijn de bezwaren tegen militaire bedrijven daarmee niet weggepoetst. De particuliere legers worden door critici in verband gebracht met bedrijven die de diamanten, de olie, of het goud winnen waarmee de soldaten worden gefinancierd. ‘Achter de deal tussen een particulier leger en een regering gaat meestal een ondoorzichtige constructie schuil’, zegt David Shearer van het iiss in Londen. ‘Een westers bedrijf betaalt de regering voor een concessie om bijvoorbeeld diamanten te mijnen. Maar die concessie is niks waard zolang er oorlog is, dus het diamantbedrijf bedingt dat de regering voor stabiliteit zorgt. Van het geld voor de concessie kan de regering een militair bedrijf inhuren. Iedereen wordt er beter van: het olie-, of diamantbedrijf krijgt zijn concessie plus de stabiliteit die nodig is om de concessie ten gelde te maken. De regering bewerkstelligt een einde aan het geweld en het particuliere leger heeft een opdracht.’

Niet dat er aantoonbare, formeel-juridische verbindingen bestaan tussen bijvoorbeeld Sandline en bedrijven die mineralen winnen. Wel duikt Grunbergs naam op bij verschillende bedrijven in de olie- en diamantindustrie. ‘Logisch’, zegt Grunberg, ‘want ik adviseer allerlei bedrijven, van een internationale luchtvaartmaatschappij tot bouwbedrijven, ondernemingen in Afrika en daarbuiten.’ Tot voor kort was hij directielid bij DiamondWorks, een bedrijf dat diamanten wint in onder meer Sierra Leone. Maakt dat niet aannemelijk dat er connecties bestaan tussen die verschillende bedrijven? Grunberg: ‘Onzin. Je hoeft niet in een directie te zitten om het een met het ander te verbinden. Het enige dat je moet doen, is naar de juiste plekken gaan en met de juiste mensen eten.’

Maar Kevin O’Brian van King’s College maakt zich zorgen over de commerciële connecties van militaire bedrijven. ‘Een oorlog wordt niet gevochten om het conflict te beëindigen, maar wordt gedreven door verschillende private belangen.’ Het maakt deze militairen niet zo veel uit, zegt de wetenschapper, wat de sociale, economische en culturele gevolgen zijn voor de bevolking van een land. ‘Wat de opdrachtgevende regering het bedrijf vooral laat doen, is diamantmijnen of oliebronnen beveiligen.’ Precies zo ging het in Sierra Leone, bevestigt voormalig EO-soldaat Cobus Claassens. ‘Toen Freetown veilig was, moesten we het Kono-district bevrijden zodat DiamondWorks kon beginnen met mijnen. De juiste beslissing zou zijn geweest om achter het commando van de rebellen in de jungle aan te gaan. Zodra een militair bedrijf verschillende zakelijke belangen heeft, worden tactische beslissingen op een negatieve manier beïnvloed. Een particulier leger moet zijn werk doen en weer vertrekken. Nu zitten er in de praktijk vaak grote multinationals achter. Natuurlijk hebben die een commerciële agenda.’

Executive Outcomes breidde eind jaren negentig zijn zakelijke activiteiten uit. Het investeerde een deel van de winst in nieuwe bedrijfjes die in een conflictgebied allerhande producten en diensten leverden. Kevin O’Brian somt op: ‘Computers, infrastructuur, telefonie, accountancy en natuurlijk particuliere beveiliging.’ EO is niet meer, het patroon van een moederbedrijf dat zich via een web van dochtermaatschappijen een sterke positie in een zwakke staat verwerft, berust volgens Grunberg op niets dan achter docht en loze verdenkingen. Hij maakt zich boos. ‘Ik ken dat soort verhalen: dit is re-kolonisatie met private middelen door reusachtige conglomeraten met geheime dwarsverbanden. Daar heb ik maar één antwoord op: bullshit. Zulke Machiavelliaanse complotten bestaan niet. En ik mag wel zeggen dat ik in de unieke positie ben om dat te beoordelen.’

Toch denkt ook David Shearer dat een militair bedrijf invloed kan uitoefenen op de regering van een meestal zwakke staat. Aan de andere kant, zegt hij, is het verschil met een multinational in een ontwikkelingsland niet zo groot. ‘Guinee beschikt over de grootste bauxietreserve ter wereld. Een Amerikaans bedrijf heeft er een aluminiumcontract. Ga eens na hoe groot de invloed van dat bedrijf moet zijn. Wat dacht je van bp of Shell in Nigeria?’

Kevin O’Brian trekt een andere vergelijking: ‘Na het ineenstorten van de Sovjet-Unie was er een stormloop van westerse bedrijven. Ook daar liepen de meeste opdrachten via persoonlijke contacten. Op een bepaalde manier zijn dit koloniale praktijken. Al denk ik niet dat het zover gaat dat militaire ondernemingen en aanverwante bedrijven een Afrikaanse staat echt overnemen.’