Passanten in een kille wereld, de Volkskrant 29-01-2000

Buurtwinkels verdwijnen, de Spoorwegen en ABN Amro sluiten hun loketten. Waar kan de hedendaagse burger nog spontaan een praatje aanknopen? Op het overdekte terras van het winkelcentrum soms? De angst voor verkilling en onveiligheid groeit. Al nemen sommige burgers opmerkelijke initiatieven: ‘In de zomer is het hier een fiësta.’

Pas als buurtwinkels, postkantoortjes en bankfilialen uit de wijk verdwijnen, realiseren mensen zich dat winkels méér om het lijf hebben dan de verkoop van prei, postzegels of spaarrekeningen. Het zijn plekken waar een praatje wordt gemaakt, ze verschaffen bejaarden de reden voor een wandelingetje.

Sluiting van die vrijblijvende ontmoetingsplaatsen leidt steevast tot hetzelfde, verontruste commentaar – zoals onlangs nog, toen ABN Amro en de Nederlandse Spoorwegen aankondigden hun loketten te sluiten. Al snel worden grote woorden gebezigd als ‘verkilling’, ‘ontmenselijking’ en ‘onveiligheid’.

Helemaal ongelijk hebben die bezorgde burgers natuurlijk niet. Kijk bijvoorbeeld naar de wijken Bouwlust-Vrederust, Morgenstond en Moerwijk in Den Haag, waar winkeliers al vanaf begin jaren tachtig wegtrokken. Nu waren er wel erg veel winkels in deze na-oorlogse wijken; niet minder dan zevenentwintig winkelcentra lagen dicht bij elkaar, onder de flats van vier etages hoog. Na de komst van de eerste Konmar hielden bakkers, slagers, groentenboeren en bloemenverkopers hun zaak niet meer draaiende. Vandaag telt Den Haag Zuid-West nog 7 winkeldomeinen.

‘Tegelmekka’ van Harry Suiker overleefde 25 jaar lang de leegloop van de wijk. ‘Ik ben niet afhankelijk van de mensen uit de buurt. Mijn klanten komen zelfs uit Uden. Maar de grote jongens maakten het de andere winkels uit de buurt moeilijk.’ Nu ziet hij mensen met volle karretjes uit de Aldi komen. ‘Geen groentenboer kan daar tegenop.’

De tijd dat klanten een praatje maakten, wachtend in de rij of schuilend onder een winkelluifel, was met de komst van de grote winkels voorbij, zegt Suiker. ‘Het werd stiller.’ Buurtbewoners van het eerste uur maakten plaats voor nieuwkomers. Hun betrokkenheid bij de wijk was gering, wat de winkelier merkte aan de rommel in zijn straat. ‘Bovenburen gooiden afval over hun balkon. De galerijen stonden vol zakken vuil en ’s ochtends lag er een oud brood, of een stapel peuken op mijn stoep. De mensen trekken hun deur dicht en denken: ”Wat kan het mij schelen.”’

Het is een oud, en bekend verhaal: de groten eten de kleine op; om redenen van efficiëncy verdwijnen overal consultatiebureaus, politieposten, banken en winkels. Bovendien hebben steeds minder transacties nog een loket nódig: pin-automaten, telebankieren en high-tech fietsenstallingen maken menselijk contact overbodig.

Die ontwikkeling geeft velen de indruk dat de bewoonde wereld verandert in een wasteland, een stedelijke woestenij die kil en guur aandoet. Het publieke domein verwordt tot een uitgestorven gebied waar het niet langer veilig toeven is. Want wie heeft er nog wat te zoeken?

Alleen de passant begeeft zich nog op straat, een voorbijganger, onderweg naar het een of het ander. Deze passant keert zijn blik naar binnen, een houding die door een Amerikaanse socioloog werd omschreven als dimming of the headlights. En met de onverschilligheid van de passant wordt de straat onbehaaglijk, menen velen.

Niet iedereen deelt die zorg. De banken en de NS bezweren bijvoorbeeld dat hun diensten níet onpersoonlijker worden. Ze gaan immers meer dienstverlenend personeel inzetten, dat gemakkelijk om advies kan worden gevraagd. De zogenaamde steward, nu al het behulpzame aanspreekpunt in enkele voetbalstadia, wacht een grote toekomst.

En sommigen rouwen niet om de anonimisering. Voor drukbezetten, doven, of mensen met een afkeer van plichtmatige praatjes is de automatisering juist een zege. Wie de connectie met de buurt of de straat kan missen, regelt vanuit zijn cockpit – computer met Internetaansluiting, auto en mobiele telefoon – anoniem zijn zaken, met tijdswinst.

Maar sociaal-economisch zwakkere groepen dreigen te worden opgesloten in een omgeving waar de menselijke maat uit is weggerationaliseerd.

Planologen en sociologen weten allang dat de leefbaarheid van een buurt lijdt onder het verdwijnen van winkels en loketten. In de nieuwe ‘Nota Wonen’, in voorbereiding bij het ministerie van VROM, wordt het belang van Nabijheid onderkend.

‘Kwetsbare groepen zijn niet geholpen bij sociaal-economische steun alleen’, zegt G. Arts, mede-auteur van de nota. ‘Het is belangrijk dat ze voorzieningen en sociale verbanden in de buurt hebben.’ In een wijk met te weinig sociale aanknopingspunten, zijn straten en tuintjes bijvoorbeeld slechter onderhouden, zegt de onderzoeker. ‘Als je voldoende geld hebt, kun je je aan die omgeving onttrekken. Maar voor bijvoorbeeld ouderen of bijstandsmoeders moet je nabijheid organiseren.’

Dat hebben ze niet alleen op het ministerie begrepen. In praktijk worden regelmatig initiatieven genomen die de kaalslag in het publieke domein moeten tegengaan. Op vervoersknooppunten ontstaat bijvoorbeeld een nieuwe ‘dynamiek’, zegt M. Hajer, hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Op NS-stations of Schiphol gebeurt meer dan het vervoeren van reizigers: er zijn winkeltjes en mensen bezoeken Schiphol voor een dagje uit.’ Hoe sociaal dat publiek is, is overigens nog maar de vraag. Juist het publiek op stations vertoont passantengedrag.

Nieuwe ontmoetingsplaatsen zijn ook te vinden in grootschalige winkelcentra. Tussen de winkels van naar Amerikaans voorbeeld ontworpen malls, liggen terrassen en koffiebarretjes. Maar echt gezellig is het in de winkelpromenades en op de terrassen vaak niet; ze zijn vooral functioneel. Er moet gekocht worden.

Voor de Rotterdamse stadssocioloog A. Reijndorp is vooral dit functionalisme kenmerkend voor de nieuwe ruimtes die door veel mensen worden gebruikt. ‘Het zijn plekken waar je een homogene groep mensen aantreft. Een winkelcentrum of luchthaven is gericht op zero-friction, zo min mogelijk wrijving tussen het publiek. Dat is deels gewaarborgd doordat iedereen er met eenzelfde doel rondloopt.’

Het onbehagen over het leeg raken van de straten, leidt vaker tot initiatieven die de burgers weer bij elkaar moeten brengen – zij het aarzelend, en op kleine schaal.

Neem de ‘Haagse Hopjes’ in de roemruchte Schilderswijk – een idee dat werd overgenomen uit Rotterdam. Op vier pleinen staan grote zeecontainers, die vol speelgoed zitten voor de buurtkinderen. De skeelers, ballen en skateboarden worden door een beheerder uitgeleend.

Coördinator A. Nieuwenhuysen merkt dat de ‘Hopjes’ de buurt hebben veranderd. Allereerst omdat de kinderen in ruil voor speelgoed meehelpen het plein opruimen. ‘Het blijft schoner, want de gebruikers van het plein voelen zich medeverantwoordelijk. Bovendien heeft de beheerder in de gaten wanneer er in de wijk iets aan de hand is.’

Belangrijker nog is dat met de kinderen ook de ouders het plein weer bevolken. ‘In de zomer is het een fiësta. De ouders zitten rond de container. Ze nemen stoelen, koffie, soep of shoarma-broodjes mee, soms wordt er gebarbecued.’ De leefbaarheid, zegt Nieuwenhuysen, is er stukken op vooruit gegaan.

En wat te denken van die winkel die onlangs door buurtbewoners werd ‘gered’? Moeten we dat initiatief ook zien als een teken dat de burgers, uit een gedeeld onbehagen, de publieke ruimte langzaam heroveren?

Toen de Thuismarkt, de laatste winkel in het Brabantse de Mortel, eind 1998 te koop stond, heeft toenmalig wethouder Verkampen de Brabantse gemeenschap gemobiliseerd. De stichting Mortels Belang leende de helft van het benodigde kapitaal bij de bank, de andere helft kwam van de bevolking. Bedrijven schonken materiaal ter waarde van een ton en vrijwilligers knapten de zaak op.

‘De supermarkt is het belangrijkste sociale punt in de Mortel’, zegt Verkampen, wethouder-af en weer varkensboer. ‘Je kunt via een besteldienst je boodschappen doen, maar voor de ouderen is het dagelijkse loopje naar de winkel belangrijk.’ Na de heropening op 18 november jongstleden draait de winkel als nooit tevoren. Verkampen is intussen druk doende supermarkten in aanpalende dorpen te redden.

Boodschappen doen in Gemert, drie kilometer verder langs de grote weg, vinden de Mortelse vrouwen niks. ‘Daar ken je niemand. En als je geen auto hebt, ben je zelfs voor vermicelli afhankelijk van een ander. Nu haal ik dat tussen het soepmaken door’, zegt M. Scheepers.’ Elke dag maakt Scheepers haar gang naar de winkel. ‘Dan ben je weer even op de been.’

Een 78-jarige kaartster kan nog prima autorijden. Toch doet ze al haar boodschappen bij de Thuismarkt. ‘Ik voel me verplicht, want ze houden de winkel open voor bejaarden zoals ik.’ Ook al haalt ze haar gezelligheid vooral in het Dorpshuis, het dorp kan niet zonder winkel, vindt de Mortelse.

‘Je gaat er niet alleen brood halen. Ook voor nieuws moet je naar de winkel. Daar hoor je wie ziek is en wie gaat scheiden. Van oudsher noemen we de supermarkt ook wel De Krant.’