Hoe overleeft de hulp de scepsis van de donateur, NRC 1 okt 2011

Geplaatst oktober 1, 2011 door Marcia Luyten
Categorieën: Essays

Steeds minder geld gaat naar ontwikkelingshulp. Maar we kunnen geen hek zetten om Afrika en een aalmoes werpen als het Grote Sterven begint. Wees eerlijk over de obstakels bij hulp.

Het bastion van ontwikkelingshulp ligt onder vuur, maar de verdedigingsstrategie ontbeert de hand van een generaal. Op uiteenlopende manieren reageert de ontwikkelingssector op twijfels die gevers en kiezers hebben over hulp. Uit een recente peiling van Motivaction bleek dat het wantrouwen het afgelopen jaar niet groter werd, maar in de jaren voorafgaand aan 2010 kalfde het rap af. In 2004 vond 20 procent van de Nederlanders dat de uitgaven voor ontwikkelingshulp moesten verminderen. In 2011 is dat 42 procent. De publieke hoon over hulp klinkt steeds harder.Twee weken na het begin van de Giro 555-actie voor de Hoorn van Afrika, had vijf van de zes Nederlanders nog niks gegeven. Eenzelfde deel van de bevolking (84 procent) bleek uitstekend op de hoogte van de hongersnood die 12 miljoen Afrikanen bedreigt. De reden om niet te geven: vrees dat het geld niet goed terecht komt.

Mensen die ontwikkelingshulp gunstig gezind zijn, zoeken langs drie sporen naar een uitweg uit het wantrouwen. Maar goede bedoelingen – zo is in de kringen van de hulp genoegzaam bekend – zijn niet op voorhand onschuldig. Iets wat op korte termijn de steun voor ontwikkelingshulp kan opkrikken, zou op lange termijn de zaak meer kwaad dan goed kunnen doen.

Kijk om te beginnen naar een nieuw type ontwikkelingsorganisaties, zoals de 1%Club of Get It Done en de aanverwante sector van particuliere hulpprojecten. De twee jonge hulpclubs boeken groot succes als online marktplaats voor kleine ontwikkelingsprojecten. Ze bestaan als hippe sites met een goeie toon (zakelijk geëngageerd) en projecten die allemaal sympathiek zijn.

Zij vormen een eerste reactie op het wantrouwen jegens hulp: uitwijken naar kleine, overzichtelijke ontwikkelingsprojecten zoals het bouwen van een weeshuis in Congo, het kopen van drums voor kinderen in Burundi of het neerzetten van een kippenboerderij voor Hutu’s en Tutsi’s in Rwanda. Ze spreken het publiek direct aan. Via de website doneren mensen geld, kennis of tijd aan zo’n project. Op Facebook, Twitter, LinkedIn en Youtube zien ze hoe het vordert.

De 1%Club, Get It Done en talloze particuliere projecten mobiliseren jongeren en mensen die niet (meer) willen geven aan de grote hulporganisaties. Die koppelen ze direct aan (meestal) de particulier die een project opzet. Want net zoals overheid en instituties het deze dagen moeten ontgelden, zo hebben ontwikkelingsorganisaties het zwaar te stellen. Gevers veronderstellen dat te veel geld achterblijft bij de hulporganisatie. Dat idee is bevestigd en versterkt door uitwassen als een SNV-directeur die 180 duizend euro per jaar verdiende.
Uit de Barometer Internationale Samenwerking bleek dat mensen helemaal niet geloven dat particuliere projecten meer resultaten boeken dan grote hulporganisaties. Het is het beeld van de strijkstok dat donateurs de deur uitjaagt.

Daarbij is de keuze van de Nederlandse kiezer niet altijd coherent. Zo noemen Nederlanders ‘gebrek aan goed bestuur’ de kern van het probleem in ontwikkelingslanden. Tegelijkertijd wil de gemiddelde Nederlander geen geld uitgeven aan het beïnvloeden van systeem en beleid in ontwikkelingslanden.

En daar komen we bij de essentiële problemen van deze vorm van kleinschalige en tastbare hulp. Eén: hoe goed bedoeld ook, de uitvoering is vaak in handen van amateurs. Tegelijkertijd is er geen domein waar het behalen van duurzaam succes zo lastig is als in ontwikkelingshulp. Twee: hoe belangrijk weeshuizen en kippenboerderijen ook zijn, onderliggende oorzaken van armoede blijven bestaan.

Structurele armoedebestrijding zit ’m in het veranderen van een politiek-economisch systeem waarin armoede geen toeval en geen ongeluk is. Zolang elites de staatskas verdelen en de grote massa een paar kruimels krijgt in ruil voor haar onvoorwaardelijke steun, blijft het rond de armoedegrens dichtbevolkt. Voor zover je als buitenstaander kan bijdragen aan het openbreken van zo’n gesloten stelsel, vergt dat een langdurige investering door professionals met gespecialiseerde kennis en ervaring. Experts die hebben bewezen dit te kunnen bewerkstelligen, moeten voor moeilijk werk goed worden betaald. Dat is geen strijkstok. Dat is een investering in duurzame ontwikkeling.

Die ontwikkelingsprocessen zijn ook zelden rechtlijnig. De weg vooruit voert langs omwegen. Klinisch zijn ze evenmin; het is altijd rommelig, je moet dingen uitproberen, vieze handen maken en leren door mislukkingen.
Wie zich laat leiden door de twijfels van de burger, verlaat de ambitie bij te dragen aan ontwikkeling. Als we twee decennia gestage toename van de particuliere projecten een trend mogen noemen, dan keert daarmee ontwikkelingshulp terug bij af. Precies zo is het zestig jaar geleden begonnen: met een schooltje, een kliniek en een waterpomp. Dat is overzichtelijk, goed te verkopen, het is voor de ontvanger van instant nut en het geeft het leven van de hulpverlener zin en avontuur.

Een tweede reactie op de afkeer van ontwikkelingshulp kwam deze zomer uit andere hoek. Terwijl op nu.nl, GeenStijl en Twitter de spot werd gedreven met Giro 555, werd in de Volkskrant en NRC Handelsblad aandacht gevraagd voor de verschrikking van miljoenen hongerdoden en het moreel appèl dat daaruit volgt. Beide kranten gebruikten de ironie. In haar trefzeker handschrift gaf Volkskrant-columnist Sheila Sitalsing redenen om niet te geven. Kort: geld geven maakt geen zak uit; de honger komt niet door droogte maar door de mislukte staat Somalië. Noodhulp in conflictgebieden houdt een fout systeem in stand. Bij de hulporganisaties werken ‘oetlullen’ die als ze eerder hadden ingegrepen, de hongersnood hadden voorkomen. En: directeuren van hulporganisaties kunnen hun topsalarissen gebruiken om voedsel te kopen. Om te besluiten: „Maar je kunt ook zeggen: zullen we al dat gezanik bewaren voor na de zomer? En nu gewoon geven? Beetje royaal graag.”

In NRC Handelsblad deed Dick Wittenberg dat vet over. De hele voorpagina kreeg hij voor ‘Veertien redenen om niet te geven’. Ook NRC noteerde: „Hongersnood is het resultaat van falend beleid. Voedselhulp stimuleert corruptie. Ethiopië heeft honderden miljoenen hectare vruchtbare landbouwgrond verkocht aan buitenlandse investeerders”, en meer, zoals: „Voedselhulp is zo verslavend als heroïne”.
Dat alles rondom een foto van Adam Ibrahim die de camera in blikt met ogen die nu niet meer zien. Onder die foto, en onderin de pagina één reden om wél te geven: „In Somalië sterven honderden mensen per dag… Aan al die goede redenen om niet te geven kunnen de hongerenden niets doen.”

Als we aannemen dat Sitalsing en Wittenberg de hulpactie wilden helpen, dan hebben ze met de beste intenties cynisme gevoed. De mooiste stijlfiguur bedient, oh ironie, de krachten die ze wenst te bestrijden. De redactie van GeenStijl kon een dag rukken, ruften en zuipen – vergeef me de grofheid. De reaguurders waren door de kwaliteitskranten bediend. Helemaal vrijaf nam de roze redactie overigens niet. Ze maakte zich vrolijk over een „onverschillig NRC” dat oproept tot een „boycot” van 555.

De misplaatste ironie van Sitalsing en Wittenberg maakt de kans dat Nederlanders geld storten niet groter. Ernstiger is de impliciete aanname die aan hun stukken ten grondslag ligt. De argumenten om hulp te wantrouwen blijven in de stukken zelf onweersproken. Daardoor hollen ze het draagvlak voor niet alleen noodhulp, maar ook voor structurele ontwikkelingshulp verder uit.

Ook de lezer die de ironie doorziet, concludeert dat (prominente journalisten van) Volkskrant en NRC ontwikkelingshulp hebben opgegeven. Door de ‘veertien redenen’ te presenteren als natuurwetten, zeg je: hier valt niks aan te doen. Handen ervan af. Alleen als het Grote Sterven begint, kunnen we dat niet goed aanzien. Dan werpen we een aalmoes.

Zowel met de feelgoodprojecten als met de ironie wordt een groot hek om Afrika gezet. Het bouwen van weeshuis of school gebeurt in een andere werkelijkheid, in een soort reservaat waar je arme kindjes kan helpen. Vervolgens hoeven we ons niet meer af te vragen of wij iets kunnen doen om Afrika’s grote massa armen voorgoed vooruit te helpen.
Met een hek om Afrika hoeven we ook geen standpunt in te nemen over de Ethiopische regering die zijn vruchtbare gronden weggeeft aan Saudi’s en Indiërs. In een land waar dik 6 miljoen mensen al vele jaren voedselhulp krijgen, verbouwen zij rijst en maïs voor hun vaderland. Het gaat weliswaar niet om de „honderden miljoenen hectare” die NRC meldt, maar met 6,5 miljoen van zijn beste landbouwgrond in buitenlandse handen, is Ethiopië niet bezig de voedselzekerheid voor zijn eigen bevolking te verbeteren. Nederland heeft al decennia een ontwikkelingsrelatie met Ethiopië. Het is een van Ethiopië’s grotere donoren. Inzake de landcontracten die nu worden gesloten, neemt Nederland, net zo min als de Wereldbank en andere grote hulppartners, stevig positie in. Er zijn nog geen internationale coalities gesmeed om druk uit te oefenen op de Ethiopische regering.

Met een hek om Afrika hoeven we ons ook geen rekenschap te geven van onze bijdrage aan de hongersnood. NRC heeft gelijk dat Ethiopië, Kenia en Oeganda te weinig aan landbouwontwikkeling hebben gedaan. Hetzelfde geldt voor bijna alle hongerlanden. Het is een belangrijke oorzaak voor de huidige nood. En die achtergebleven investering in boeren komt voor onze rekening. Landbouwontwikkeling is namelijk gesneuveld in de structurele aanpassingsprogramma’s uit de jaren tachtig. De Wereldbank en het IMF – wij, de donoren – dwongen Afrikaanse staten hun markten te liberaliseren. Ook moesten ze grof snijden in overheidsuitgaven. De mantra’s waren ‘markt’ en ‘export’. Tot vijf jaar geleden hebben Wereldbank en Afrikaanse staten landbouw straal verwaarloosd.
Met een hek om Afrika zien we niet hoe veel economisch potentieel Afrika heeft. China weet het: Afrika is de grootste bron van schaarse grondstoffen. Veel economieën beneden de Sahara hebben al tien jaar groeicijfers waar Mark Rutte zijn vingers bij kan aflikken.

Met een hek om Afrika onttrekken we ons bovendien aan de onvervreemdbare verantwoordelijkheid om de 1,2 miljard allerarmsten te helpen zich te bevrijden van een systeem dat mensonterende armoede produceert. Daar komt bij dat een hek om Afrika van weinig realisme getuigt. Of we helpen de Afrikaanse boer, of we importeren zijn zonen. Een wanhopig mens is geen hek te hoog.

Rest de derde en meest belangrijke reactie op het verloren vertrouwen. Die ontkiemt uit de veronderstelling dat burgers onvoldoende weten wat de overheid precies doet. Meer kennis zou meer vertrouwen geven. Oftewel: de hulpsector behoeft transparantie. (Niemand vraagt zich af of de relatie tussen transparantie en vertrouwen – zo die er al is – misschien een inverse is? Vijftien jaar geleden wisten burgers veel minder van wat de overheid deed. De meeste Nederlanders hadden in Jan Pronk of Eegje Schoo alle vertrouwen.)

Ontwikkelingsorganisaties, bedrijven betrokken bij hulp en het ministerie van Buitenlandse Zaken zeggen volledige openheid te willen geven. Vorige week presenteerde Buitenlandse Zaken een opendatasysteem. Eerder zag ik hoe de Wereldbank dat doet op data.worldbank.org: flitsende applicaties die voor meer dan tweehonderd landen projecten met resultaten geven. Ze brengen meer dan 1200 indicatoren voor ontwikkeling in beeld. Klik op ‘Mozambique’ en zie in een oogopslag wat voorheen een uur googlen kostte: nationaal inkomen, geletterdheid, armoede, levensverwachting, werkloosheid, stedelijke ontwikkeling en meer. Alles in grafieken die trends laten zien, plus doorkliks naar kleurige taarten vol flashy pop-ups.

Dat het ministerie nog niet de 8 miljoen dollar had geïnvesteerd die de Wereldbank voor zijn informatiesysteem over had, leek me logisch. Toch was wat de topambtenaar op het metersgrote scherm projecteerde, verbijsterend. Het nieuwe opendatasysteem was een telefoonboek in geheimtaal, met eindeloze rijen nummers en projectcodes.

Dit was werk in uitvoering? Daar moest nog een applicatie overheen? Nee, zei de topambtenaar beslist. „Anderen kunnen daar iets moois van maken. Een ngo of misschien een hacker.” Dat hackers van alles kunnen, is de overheid na Diginotar bekend. Maar wat is die openheid waard wanneer alle data op een hoop zijn gegooid? Alsof de Koninklijke Bibliotheek haar collectie uit de rekken trekt, alles in een sportzaal dondert, en dan gul zegt: iedereen mag alles gratis bekijken.

Belangrijker dan de vorm die transparantie krijgt, is de betekenis ervan. Wie met openheid dingt naar de gunst van het publiek, die kiest voor rechttoe rechtaan projecten die heldere resultaten laten zien – weeshuizen of kippenboerderijen. En wie transparant is alleen op die punten waar openheid van pas komt, die kan de claim beter laten varen. Valse beloftes slopen het vertrouwen.

Misschien is het beter te streven naar ‘eerlijkheid’. De baas van Artsen zonder Grenzen in Canada, Marilyn McHarg, riep vorige week in The Globe and Mail hulporganisaties op zich niet te laten leiden door de sentimenten van de donateur. Ze wijst op het gevaar de crisis in de Hoorn van Afrika voor te stellen als iets anders dan het is. Wereldwijde campagnes spreken van ‘droogte in de Hoorn’. Advertenties van hulporganisaties tonen foto’s van uitgemergelde kinderen met de boodschap: „Als u niet geeft, sterft dit kind.” McHarg: „Daarmee reduceert men de decennialange overlevingsstrijd onder de zwaarst denkbare omstandigheden – het gevolg van politieke chaos en militaire agenda’s– tot iets dat kan worden opgelost met water en voedsel.”

Het probleem in Somalië is niet alleen de droogte. De noodsituatie is ook het gevolg van oorlog, zoals ook Sheila Sitalsing schreef. Alle hulporganisaties weten dat gevers gul zijn als het om natuurrampen gaat. Een oorlog werft niet lekker.
Daarvan zegt McHarg: „We moeten eerlijk zijn en toegeven dat noodhulp niet de problemen van Somalië kan oplossen. Tegelijkertijd redt hulpgeld levens. Niets is belangrijker.”

Van de dik 24 miljoen euro die Giro 555 ontving (in de ranglijst van landelijke acties geen slechte score), komt slechts een deel terecht in Zuid- en Centraal-Somalië, waar de nood het hoogst is. Dat is niet omdat hulporganisaties de rest van het geld achterover drukken. Dat is omdat de zwaarst getroffenen zich bevinden in voor hulpverleners ontoegankelijke, gevaarlijke gebieden. De rest van het geld gaat naar de kampen waar Somaliërs naartoe vluchten, en naar omliggende gebieden waar het Grote Sterven misschien nog net kan worden voorkomen. Toch kopte NRC op 8 september: „Hulporganisaties moeten het publiek de waarheid vertellen.” Wie krantenkoppen snelt, concludeert dat de hulpclubs te kwader trouw zijn.

Een donateur begrijpt die complexiteit, zegt Artsen zonder Grenzen. Pas wanneer hij serieus wordt genomen, deelgenoot van de dilemma’s en moeilijkheden van de hulpverleners, dan pas ontstaat ruimte voor fouten. De Nederlandse burger, kiezer, gever moet daarom ook worden verteld hoe lastig en hoe belangrijk het is om te helpen bij een bestuur dat ook de armen ontwikkeling gunt.
Dat scoort minder snel zichtbare resultaten dan een dak op een weeshuis. Een lijnrechte afrekening van input en resultaat valt daar niet te geven, en dat is uit te leggen. Maar elk klein succes hier heeft een zichzelf vermenigvuldigende impact.
Het is te hopen dat het ministerie van Buitenlandse Zaken heel snel de generaal wordt die de hulp nodig heeft. Als een Sun Tzu begint de strateeg met het serieus nemen van zijn tegenstander, de sceptische burger. Die strateeg maakt onmiddellijk de pretentie van openheid waar. Van het telefoonboek fabriekt hij een toepassing voor open data waar een belangstellende wijzer van wordt – voordat die burger concludeert dat hij met een loze belofte een groot, donker bos is ingestuurd.

**
Zie ‘Hoe overleeft de hulp de scepsis van de donateur in NRC
pag 1 en pag 2-3

Licht in donker Afrika, Elsevier 10 sept 2011

Geplaatst september 16, 2011 door Marcia Luyten
Categorieën: Afrikalog

De zonnelamp was in geen winkel te koop, maar drie jaar na zijn introductie in Oeganda en Kenia is de Firefly al winstgevend. De solarlamp wint prijzen bij de G20 en de Wereldbank. Dat komt door mannen als Francis Amuriat. In Kumi, een kleine stad in het noorden van Oeganda, werkt de 33-jarige oud-leraar als uithangbord, reclamemaker, winkelier, leverancier, coach en servicecenter ineen. Hij is een van de zogenaamde micro-ondernemers die het Australische bedrijf Barefoot Power succes brengen in een markt waar eerder geen bedrijf winst maakte – en dat terwijl beneden de Sahara bij 500 miljoen Afrikanen elke dag rond 6 uur ‘s avonds het licht uitgaat. Er is geen stroom.

Met een schoudertas vol kartonnen doosjes trekt de boomlange Amuriat naar de veemarkt van Bukeda. Reebruine koeien met hoorns van een meter of meer vullen een vlakte langs de grote weg naar Zuid-Soedan. Tussen de koeien scharrelen verkopers van potten, pannen – en lampen dus. Amuriat komt hier graag. Veeboeren hebben ontdekt dat lampjes rond een kudde veedieven afschrikt. Kumi ligt niet ver van Karamoja en daar is veeroof aan de orde van de dag.

Tussen de kalveren houdt Francis Amuriat halt. Hij steekt zijn lamp in de lucht. Amuriat: ‘Je hebt geen lampolie meer nodig en dat bespaart 500 shilling per dag. Geen oliedampen waar je kinderen ziek van worden. Geen brandgevaar..’

Als bijen om zoete bloemen zwermen meer mannen om de verkoper. Amuriat: ‘De Firefly geeft tien keer meer licht dan een olielamp.’ En dan zijn sterkste troef: ‘Met het zonnepaneel laad je ook je mobieltje op.’ De man vooraan graaft met zijn hand in zijn colbert. Hij haalt een dik pak bankbiljetten naar boven. De veeboer kijkt naar zijn eigen hand, aarzelt. ‘Eerst koeien kopen. Straks kom ik terug.’

Amuriat verkoopt aan de lopende band. Zijn telefoon staat niet stil. Op zondag rijdt hij zigzaggend naar zijn bestemming omdat telkens lampjes moeten worden bezorgd. Aan het eind van die vrije dag heeft hij er 8 verkocht. Winst: 164 duizend Oegandese shilling (42 euro), meer dan de helft van wat een politieagent of een schoolmeester per maand verdient.

Lichtkopje

Afrikaanse hoofdsteden beneden de Sahara als Kampala (Oeganda) en Nairobi (Kenia) mogen ogen als moderne metropolen, op het platteland zal het nog lang donker blijven. Het aanleggen van een stroomnet vraagt grote investeringen van een centrale overheid. Beide zijn in dit deel van de wereld een probleem: investeringen en een bestuurlijk zwakke overheid.

Het lampje waar het om gaat is niks bijzonders: rood voetje, buigbare ijzeren steel en een lichtkopje met 12 ledlampjes; het oogt jaren tachtig. Bijbehorend paneel is zo groot als een muismat. De Firefly kost 53 duizend shilling (14 euro).

Op de Afrikaanse markt is de Firefly niet de eerste lamp in zijn soort. Ook Philips probeert Afrika aan het zonnelicht te krijgen. In 2008 begon Philips in Ghana een proef met het verkopen van zijn lamp op zonne-energie. De multinational ontwikkelde een zonnelamp, zette een distributiekanaal op, trainde verkopers, maakte reclame; zeg maar de klassieke manier om een nieuwe markt te veroveren.

Barefoot Power pakte het anders aan. De Australische oprichters, Stewart Craine en Harry Andrews, stelden zich eerst de vraag: wat heeft een Afrikaan op het platteland nodig? Dat was: een lampje om een kamer mee te verlichten. En wat heeft hij daarvoor over? Aan lampolie besteedt de gemiddelde Oegandees 16 cent per dag. Bij een terugverdientijd van drie maanden zijn Oegandezen bereid te investeren in een lampje dat twee jaar meegaat. Dan mag de lamp 15 euro kosten.

De productontwikkeling van de Firefly gaat continu door. Francis Amuriat ondervraagt gebruikers voortdurend over hun aankoop. En zo ontdekte Amuriat dat Afrikanen op het platteland best ‘s avonds licht willen, maar waar ze echt behoefte aan hebben, is een telefoonoplader. Het belang van mobiele telefonie in Afrika is moeilijk te overschatten. Een boer op het platteland weet elke dag de wereldmarktprijs van zijn product. De stedeling maakt met zijn mobieltje geld over naar familie op het platteland. Een toestel heb je voor 7,50 euro. Een simkaart is gratis. Beleenheden koop je per minuut. Alleen: zonder stroom begin je niks.

Barefoot Power maakte toen een paneeltje dat Firefly én telefoon oplaadt. De Afrikaanse dochterondernemingen zijn volgens de Wereldbank  in Oeganda en Kenia marktleider in ‘micro solar’. Op de G20-top in Seoul in november, hoorde Barefoot tot de finalisten in een competitie om vernieuwende financiering. In 2010 won de Firefly-plus vier van de vijf prijzen voor productvernieuwing op het evenement Lighting Africa van de Wereldbank in Nairobi. De grote sponsor van de manifestatie, Philips, ging met lege handen naar huis.

De Nederlandse multinational en grote concurrent is al drie jaar actief op de Afrikaanse markt. In 2008 sloot Philips een convenant met het ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ). In deze publiek-private samenwerking gingen zowel BZ als Philips 3 miljoen euro investeren in ‘duurzame energieoplossingen’. Frank Altena, directeur Duurzaamheid van Philips Licht, vertelt dat afgelopen drie jaar in Ghana, een van de tien landen uit dit programma, is gewerkt aan het informeren van klanten en kopers over zonnecellen. De subsidie is besteed aan garanties voor microkredieten waarmee winkeliers de lampen inkopen. Ook heeft Philips een eigen distributienetwerk opgezet. Volgens Altena is dat ‘de grootste uitdaging’.

Investeren

Anders dan Barefoot Power begon Philips met zijn lampen op de winkelschappen. Intussen werkt ook Philips aan ‘verschillende verkoopmodellen.’ Met coöperaties van boeren en onderwijzers werkt het bedrijf samen om de zonnelampen op het platteland te verkopen. (Grappig genoeg verkoopt Barefoot Power de Firefly nu steeds meer in winkels en Nokia-verkooppunten.)

Philips volgde de concurrentie ook met de introductie van een minder sterke, goedkope zonnelamp. Die kwam afgelopen jaar op de markt en kost 15 euro. Sinds kort verkoopt ook Philips solarlampen met verschillende functionaliteiten, zoals een telefoonoplader. Over winst wil de multinational niets zeggen. Altena: ‘Wij zijn nog aan het investeren.’

Intussen verandert de Firefly het dagelijks leven op het Afrikaanse platteland. In Kumi, waar het ‘s avonds nog aardedonker is, staat het huis van Christine Akurut. In drie kamers woont ze met twee kinderen, haar zus en twee nichtjes. De basisschoollerares kwam een jaar geleden Francis Amuriat tegen. Haar maandsalaris is nog geen 100 euro. Ze spaarde voor een Firefly. In de met krantenartikelen behangen woonkamer zit Grace van 7 met een boek op schoot. Vroeger, bij een olielamp, kon maar één persoon lezen, zegt Akurut. Bij het licht van de Firefly de hele familie. Als ze voor het huisje op een stoofje de bonen kookt, zet ze de lamp buiten. In haar licht komen ook de buren koken.

Ook de kleine Grace is blij met de lamp. Ze heeft er wel honderden ‘witte mieren’ mee gelokt; de vliegende sprinkhanen die worden geroosterd en duur verkocht – of zelf opgegeten. Als Grace gaat slapen en de vrouwen zijn klaar met lezen uit de bijbel, gaat de Firefly op zijn laagste stand. Grace voelt zich veiliger met een lichtje in de nacht.

Kader:

Nederlander Boldewijn Sloet over succesvol zakendoen in Afrika

Barefoot Power werd in Oeganda opgezet door een Nederlander. Na zijn studie rechten ontmoette Boldewijn Sloet (34) in 2006 de oprichters van Barefoot Power. Hij investeerde in hun opstartend bedrijf. In 2008 ging hij zelf naar Oeganda om daar de eerste Afrikaanse dochteronderneming op te zetten. Nu de organisatie in Oeganda succesvol draait, is Sloet verhuisd naar Kenia.

Het succes van Barfeoot Power schuilt er volgens Sloet in dat alles letterlijk in het Afrikaanse dorp begint. ‘Wij gebruiken met de micro-ondernemers de meest intensieve distributiemethode,’ zegt Sloet. ‘Die van persoonlijke relaties.’ Networkmarketing, noemt Francis Amuriat dat. De kopers bellen de verkoper. Juist daar, op microniveau, speelt Barefoot Power met een lenigheid die een multinational als Philips moeilijk kan evenaren. In Afrika legt Goliath het voorlopig af tegen David.

Zet geen hek om Afrika sept 2011

Geplaatst september 15, 2011 door Marcia Luyten
Categorieën: Essays

Tags: , , ,

Als er niet zo veel kinderen dreigden te sterven, zou het een triomftocht van de ironie zijn. Nu kun je beter spreken van een drama. Om 12 miljoen door hongersnood bedreigde Afrikanen te redden, wordt geld ingezameld op Giro 555. Dat gaat niet slecht, melden hulporganisaties, maar echt denderend gaat het ook niet. Volgens de VN is 1,7 miljard euro nodig. Eind augustus was op giro 555 ruim 23 miljoen euro binnen. Vijf van de zes Nederlanders (85 procent) hadden toen niets gegeven. Met gebrekkige informatie had dat niets te maken. Uit onderzoek van Motivaction in opdracht van NCDO bleek 84 procent van de mensen uitstekend op de hoogte van de hongersnood. Mensen zijn bang dat het geld niet goed terechtkomt. De echo van de hulpkritiek van Dambisa Moyo, Arend-Jan Boekestijn en Linda Polman laat zich tot in Somalië voelen.

Royaal

In de Volkskrant en NRC Handelsblad werd het cynisme gepareerd. Beide kranten wilden de aandacht vestigen op de verschrikking van miljoenen hongerdoden en het moreel appèl dat daaruit volgt.

Beide kranten gebruikten de mooiste van alle stijlfiguren, de ironie. In haar trefzekere handschrift vulde publicist Sheila Sitalsing een Volkskrant-column met redenen om niet te geven. Samengevat: geld geven maakt geen zak uit; de honger komt niet door droogte of hoge voedselprijzen, maar door de mislukte staat Somalië. Noodhulp in conflictgebieden houdt een fout systeem in stand. Bij de hulporganisaties werken ‘oetlullen’ die, als ze eerder hadden ingegrepen, de hongersnood hadden kunnen voorkomen. En: directeuren van hulporganisaties kunnen hun topsalarissen gebruiken om voedsel te kopen. Om te besluiten met: ‘Maar je kunt ook zeggen: zullen we al dat gezanik bewaren voor na de zomer? En nu gewoon geven? Beetje royaal graag.’

De kop ‘Geef nou maar’ begreep ik niet als aanmoediging, maar als sarcastische afrader. Overhaast en onthutst postte ik op Twitter een bericht (‘Het met open deuren gelardeerd cynisme van @sheilasitalsing Waar komt dat vandaan?’) dat me later in verlegenheid bracht. Niet Sitalsing, maar ik zat fout. Ik had de ironie gemist.

Cynisme

In NRC Handelsblad kreeg Afrika-redacteur Dick Wittenberg de hele voorpagina voor ‘Veertien redenen om niet te geven’. Deze varieerden van ‘Hongersnood is het resultaat van falend beleid’ en ‘Voedselhulp is zo verslavend als heroïne’ tot: ‘Ethiopië heeft honderden miljoenen hectare vruchtbare landbouwgrond verkocht aan buitenlandse investeerders’.

Dat alles rondom een foto van de kleine Adam Ibrahim die de camera in blikt met ogen die nu niet meer zien. Onder in het artikel één reden om wél te geven: ‘Aan al die goede redenen om niet te geven kunnen de hongerenden niets doen.’

Goede bedoelingen zijn niet op voorhand onschadelijk. Dat is in kringen van de hulp genoegzaam bekend. Als we aannemen dat Sitalsing en Wittenberg de hulpactie van Giro 555 wilden helpen, dan hebben ze met de beste intenties cynisme gevoed.

De redactie van GeenStijl kon een dag rukken, ruften en zuipen – vergeef me de grofheid. De reaguurders waren al door de kwaliteitskranten bediend. Helemaal vrijaf nam de roze redactie overigens niet. Ze maakte zich vrolijk over een ‘onverschillig NRC’ dat oproept tot een ‘boycot’ van Giro 555.

Aalmoes

De misplaatste ironie van Sitalsing en Wittenberg maakt de kans dat Nederlanders geld storten niet groter. Ernstiger nog is de impliciete aanname die aan hun stukken ten grondslag ligt – of is het onbedoeld suggestief? De argumenten om hulp te wantrouwen blijven in de stukken zelf onweersproken. Daardoor hollen ze het draagvlak voor niet alleen noodhulp, maar ook die voor structurele ontwikkelingshulp nog verder uit.

Ook de lezer die de ironie doorziet, concludeert dat (prominente journalisten) van de Volkskrant en NRC Handelsblad ontwikkelingshulp hebben opgegeven. Door de ‘veertien redenen’ te presenteren als natuurwetten, zeg je: hier valt niks aan te doen, handen ervan af. Alleen als het Grote Sterven begint, kunnen we dat niet goed aanzien. Dan werpen we een aalmoes.

Landbouwgrond

Met deze benadering zetten we in feite een groot hek om Afrika. Vervolgens hoeven we ons niet meer af te vragen of wij iets kunnen doen om Afrika’s grote massa armen te helpen. Die onfortuinlijke meerderheid van Afrikanen is gevangen in een systeem waarin armoede en nood geen toeval zijn, geen ongeluk. Afrikaanse elites zijn helemaal niet uit op breed gedragen ontwikkeling. Het ontstaan van een middenklasse zou uiteindelijk het patronagesysteem dat de machthebbers zo goed bedient, onhoudbaar maken.

Met een hek om Afrika hoeven we geen standpunt in te nemen over de Ethiopische regering die vruchtbare gronden weggeeft aan Saudi’s en Indiërs die er rijst en maïs verbouwen voor hun vaderland. Het gaat weliswaar niet om ‘honderden miljoenen hectare’ zoals NRC meldt, maar met 6,5 miljoen van de beste landbouwgrond in buitenlandse handen is Ethiopië niet bezig de voedselzekerheid voor de eigen bevolking te verbeteren. Nederland heeft al decennia een ontwikkelingsrelatie met Ethiopië. Inzake de landcontracten die nu worden gesloten, neemt Nederland, net zomin als de Wereldbank of andere grote donoren, stevig positie in. Er zijn nog geen internationale coalities gesmeed om druk uit te oefenen op de Ethiopische regering.

Gelukszoeker

Dick Wittenberg heeft gelijk dat Ethiopië, Kenia en Uganda te weinig aan landbouwontwikkeling hebben gedaan. Hetzelfde geldt voor bijna alle Afrikaanse landen die ontwikkelingshulp krijgen. Het is een belangrijke oorzaak voor de hongersnood nu. Maar die achtergebleven investering in boeren komt voor onze rekening.

Landbouwontwikkeling is gesneuveld in de structurele aanpassingsprogramma’s uit de jaren zeventig en tachtig. De Wereldbank en het IMF – wij dus, de donoren – dwongen Afrikaanse staten hun markten te liberaliseren. Ook moesten ze grof snijden in overheidsuitgaven. De mantra was ‘markt’ en ‘export’. Tot vijf jaar geleden hebben Wereldbank en Afrikaanse staten landbouw straal genegeerd.

Met een hek om Afrika onttrekken we ons aan de verantwoordelijkheid om de allerarmsten te helpen zich te bevrijden van een systeem dat mensonterende armoede produceert. Daar komt bij dat een hek om Afrika van weinig realisme getuigt. Of we helpen de Afrikaanse boer, of we importeren zijn zonen. Een gelukszoeker is geen hek te hoog.

Dat betekent niet dat we kritiekloos alle hulp moeten steunen. Dat noodhulp geen perverse effecten kan hebben. Dat de directeur van een hulporganisatie 180.000 euro per jaar mag verdienen. Dat betekent ook niet dat ontwikkelingssamenwerking geen professionalisering behoeft.

Het betekent wél dat we ons rekenschap moeten geven van de manier waarop we de problemen in de hulp bespreken. Gezonde scepsis die bedoeld is om hulp te verbeteren, voedt in het huidige klimaat een destructief cynisme. Het drama van stervende kinderen verdraagt geen ironie.

**

Verschenen in Internationale Samenwerking, september 2011

AFRIKALOG #102 Cloud Nine

Geplaatst september 14, 2011 door Marcia Luyten
Categorieën: Afrikalog

De eerste dagen in Broek in Waterland zat ze op de bank en las ze boeken uit onze bibliotheek. Het seizoen van de macheteZe maken ons allemaal dood, getuigenissen van de genocide in Rwanda.

Juliette is een Tutsi uit Rwanda. Ze heet niet echt Juliette, maar wanneer ik over haar schreef, ging het over de vlucht van twee geliefden. Haar vader had gezworen haar verloofde te vermoorden. Haar verloofde is namelijk maar half Tutsi. Om hun veiligheid te garanderen, noemde ik ze Romeo en Juliette.

We leerden elkaar kennen in Uganda. Onderduikers waren ze en Juliette was doodziek. Omdat het in Kampala wemelt van de Rwandezen, durfden ze hun sloppenwoning niet uit. Het spaargeld was op. Uit werken gaan te gevaarlijk.

Uiteindelijk hebben ze valse Congolese identiteitspapieren bemachtigd en zijn ze op het Ugandese platteland gaan wonen. Tot Juliette terug wilde. “Ik moet snel zwanger worden, dan is het hele probleem over”, bezwoer ze. “Mijn vader zal niet de vader van zijn nageslacht ombrengen.”

Maar de haat zakt niet en Juliette wil naar Nederland. Ze heeft een ticket en meer gespaard en ze wil hier komen studeren.

Nog nooit was ze in Europa. Voorafgaand aan haar komst las ze niets over Nederland.

Na drie dagen legt Juliette de genocideboeken weg. We gaan naar Amsterdam. Eerst vanaf onze woonark roeien naar de overkant. Dan met de bus naar Centraal Station. We oefenen met tram en trein, we varen door de grachten en wandelen door de stad. Op het museumplein wijs ik haar de musea.

De volgende dag staat Juliette om half negen klaar. Haar wollen muts is af. Op onze vragende blikken zegt ze alleen: “Ik ga naar de stad”, en weg is ze. Voor het eerst haalt ze de riemen van een roeiboot door het water. Neemt de bus. Loopt naar het Rijksmuseum. Ze eet net als de dag daarvoor een hotdog op het plein en gaat dan naar het Van Gogh museum.

Om vijf uur zweeft Juliette naar binnen. ‘Stralen’ is een understatement, op Cloud Nine was ze geweest. Vandaag heeft iemand de vrijheid geproefd.

**

Verscheen in Internationale Samenwerking, sept 2011

AFRIKALOG #101 Hoe social is de business

Geplaatst juli 14, 2011 door Marcia Luyten
Categorieën: Afrikalog

“Een ongepaste vraag”, beet de topmanager van Philips me toe terwijl we van het podium afliepen. Het was op een conferentie over social business. De Philips-man vertelde hoe zijn bedrijf medische apparatuur leverde aan 169 ziekenhuizen in Tanzania en Zambia. De apparatuur voor operatiekamers, en echo- en röntgenapparaten werden deels betaald door de Afrikaanse overheden, deels door de Nederlandse. De multinational leert er dokters en verpleegkundigen hoe die apparaten te gebruiken. Ook traint Philips de technici die het materiaal moeten onderhouden.

Daarmee worden twee grote hobbels genomen in het verbeteren van medische zorg in Afrika. Als er al moderne apparatuur is, weet bijna niemand hoe de nieuwe mri-scan precies werkt. Of een half jaar na aanschaf houdt het apparaat ermee op. Die klassiekers onder de hulpblunders heeft Philips mooi ondervangen. Het niveau van medische zorg is volgens Philips sterk gestegen.

Met gepaste trots deelde de Philips-baas zijn praktijkvoorbeelden van maatschappelijk ondernemen. Tot ik vroeg hoeveel winst Philips op deze orders maakt.
“Dat kan ik niet zeggen.”
“Meer of minder dan op een in Nederland verkochte mri-scan?”  “Geen idee”, zei de manager.

De vraag in vijf varianten gesteld leverde bij de zakenman vijf maal een verwondering op alsof hem werd gevraagd naar het liefdesleven van de tijgerslak (gepassioneerd). Uiteindelijk was hij boos.

Na afloop kwam een oud-collega van de Philips-topman met een eenvoudig antwoord op mijn vraag. Deze medische apparatuur was deels betaald uit het ORET-potje voor ‘ontwikkelingsrelevante export’ van Buitenlandse Zaken. In projecten waar Nederland hulpgeld in stopt, mag een bedrijf maximaal 10 procent winst maken.

Als dat zo helder en simpel is, dan wakkert het zwijgen van de Philips-topman mijn ongerustheid aan. Staatssecretaris Ben Knapen zet in zijn nieuwe beleid flink wat kaarten op het Nederlandse bedrijfsleven. Dat moet een rol gaan spelen in het stimuleren van bedrijvigheid in Afrika. Nog los van het feit dat bedrijven niet per se bijdragen aan het stimuleren van economische groei elders, verliezen ondernemingen aan geloofwaardigheid als ze hun winst taboe verklaren. Wie moet straks bepalen hoe social de business is?

**

in Internationale Samenwerking juli 2011

 

AFRIKALOG #100 Broden en vissen

Geplaatst juni 9, 2011 door Marcia Luyten
Categorieën: Afrikalog

Het volk mort zodra het geen brood meer kan betalen. Voorts gaat het de straat op wanneer er nog wel brood is, maar dat niet eerlijk wordt gedeeld. In 1917 was er in Amsterdam geen aardappel meer te krijgen. Wel lag in de haven een schip vol aardappelen bestemd voor het leger. Arbeidersvrouwen uit de Czaar Peterbuurt plunderden het schip en begonnen het aardappeloproer waarbij een week later negen Amsterdammers werden doodgeschoten.

 Wat begin 2011 begon als voedselrellen in het Midden-Oosten werd een revolte tegen de zich volvretende elite. En net als in 2008, toen een protest tegen hoge voedselprijzen zich als een vuur verspreidde door Indonesië, Mozambique en Senegal tot aan Haïti, kan de opstand ook nu andere delen van de wereld aansteken. In Uganda drukt president Museveni voedselrellen met harde hand de kop in.

Voedselschaarste is niet nieuw, maar was heel lang tijdelijk. Op veel of weinig regen volgde een slechte oogst. Al kreeg lang niet iedereen genoeg te eten, de afgelopen decennia had de wereld een overschot aan voedsel. Nieuw aan de tekorten nu is dat ze blijven. Teruggebracht tot de bare basics: de vraag stijgt want de wereldbevolking groeit. Door gronduitputting en klimaatverandering vermindert het aanbod – met elke graad Celcius meer daalt de graanopbrengst met 10 procent. De hoge olieprijs maakt het aantrekkelijk om graan te verwerken tot biobrandstof.

Ons wacht een strijd om voedsel en water. Of beter: die is begonnen. De jacht op vruchtbare grond leidt tot landjepik in juist die landen waar je ondervoede kinderen vindt: in Ethiopië, Sudan en ook Uganda. Om die rendabele gronden te vinden, gebruiken grote investeerders, hoe cynisch, modellen die door de Wereldbank en de VN zijn ontwikkeld om voedselzekerheid te verbeteren. Om de gronden te bemachtigen, worden soms mensen beschuldigd van hekserij en van hun land verdreven. Volgens Foreign Policy drijven Wallstreet-investeerders de graanprijs doelbewust omhoog.
Het is zoals Al Gore ons voorhoudt in zijn iPad-boek Our Choice: wij kiezen de wereld waarin we leven. De schuilplekken raken op. Wij lijken te wachten op de jonge man die komt om broden en vissen te vermenigvuldigen.

**

Broden en vissen verscheen in Internationale Samenwerking van juni 2011

Ontwikkelingshulp en het verraad van Knapen, NRC 13 mei 2011

Geplaatst mei 13, 2011 door Marcia Luyten
Categorieën: Essays

Nog voordat vier seizoenen zijn gepasseerd, verloochent de staatssecretaris voor Buitenlandse Zaken datgene waar hij voor zegt te staan. Ben Knapen (CDA) bepleit op dinsdag 17 mei in de Tweede Kamer een nieuw beleid voor ontwikkelingssamenwerking. Daarin staan niet de belangen van Afrika’s armen centraal. Bovendien misbruikt hij het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid waarop hij zijn radicale koerswijziging zegt te baseren.

Dat ontwikkelingshulp moest worden herzien, was zonneklaar. In ontvangende landen had hulp nogal eens onbedoelde effecten; ze hielp machthebbers die vooral zichzelf en niet de allerarmsten vooruit helpen. In Nederland gebeurde iets soortgelijks in wat Bert Koenders (ontwikkelingssamenwerking, PvdA) “de hulpindustrie” noemde. Diplomaten en hulporganisaties kregen de neiging doel en middel te verwisselen; daar steeg niet het inkomen van Afrika’s allerarmsten maar dat van de directie. Daar stond het overleven van de hulporganisatie hoger op de agenda dan dat van de 1,2 miljard ‘verworpenen der aarde’.

In tijden van toenemende hulpscepsis schreef de WRR in 2010 een rapport dat de contouren schetst van eigentijdse ontwikkelingshulp: Minder pretentie, meer ambitie. De regering Rutte nam het WRR-rapport als uitgangspunt voor zijn beleid.

Twee cruciale aanbevelingen uit dat rapport: 1. Hulp moet zich richten op de economische ontwikkeling van arme landen. Dat betekent: het stimuleren van het lokale bedrijfsleven, en – omstreden aanbeveling van de WRR: niet vanzelfsprekend massaal  investeren in sociale sectoren als onderwijs en gezondheidszorg. 2. Nederland moet zijn hulpinspanningen concentreren op minder landen. Hulp moet zijn gebaseerd op specifieke  diagnoses van individuele landen.

De eerste aanbeveling viel bij de gedoogcoalitie in vruchtbare aarde: Hulp moet economische zelfstandigheid bevorderen. Minister en staatssecretaris van Buitenlandse Zaken stortten zich gretig op die noodzaak tot ‘economische ontwikkeling’. Want daarvoor kon, volgens het kabinet, het Nederlandse bedrijfsleven worden ingezet.

Zo voegde de hulp zich in de ideologie van CDA, VVD & PVV: de bevordering van Nederlandse welvaart is richtinggevend voor buitenlandbeleid. Knapen schrijft aan de Tweede Kamer dat hij keuzes maakt op basis van “de relevantie voor armoedebestrijding …en … het strategisch belang voor Nederland. Waar staan Nederlandse belangen op het spel, zowel maatschappelijk als commercieel.”

Wie wel eens in Afrika rondliep, weet dat economische ontwikkeling wordt gehinderd door een complex geheel van belemmeringen en problemen. Economische groei stagneert doordat de bevolking niet gezond is of onvoldoende is opgeleid. Vaak is infrastructuur – slechte wegen – een doorslaggevende hindernis, en in veel landen bestaat een ongunstig ondernemersklimaat: geen eigendomsrechten, kadaster of Kamer van Koophandel. In nagenoeg alle landen waar de 1,2 miljard allerarmsten wonen, wordt breedgedragen economische ontwikkeling gefrustreerd door de politieke elite. Die gebruikt de middelen van de staat vooral voor het behoud van zijn macht. Ontwikkeling van de massa en het ontstaan van een middenklasse is niet in het belang van deze machthebbers – een politieke dimensie van armoede die overigens ook door de WRR is veronachtzaamd.

De beleidsbrieven van Ben Knapen stoelen op een ernstige denkfout. Het stimuleren van bedrijvigheid in arme landen heeft op voorhand niets te maken met het (Nederlandse) bedrijfsleven. Natuurlijk kan het een ontwikkelingsland helpen als een Nederlands bedrijf investeert in lokale productiecapaciteit. Bij social business worden zowel winsten als ontwikkelingsdoelen gerealiseerd. Maar het gros van de Nederlandse bedrijven zal met zo min mogelijk strapatsen winst willen maken.

De denkfout negeert ook hoe echte hulp het ondernemersklimaat kan bevorderen. In Bundibugyo, grensgebied tussen Congo en Oeganda, richtte een Nederlandse hulporganisatie een bank op: Ambition Lending. Deze bank geeft kredieten aan allerlei lokale ondernemers – aan de slager, cacaoboer of zakenjongen met oplaadpunten voor mobieltjes.

Alle bankklanten worden uitgebreid geselecteerd. In gesprekken met de aanvrager, buren en de dorpsoudste wordt iemands kredietwaardigheid bepaald. De klanten van Ambition Lending krijgen een training boekhouden en andere bedrijfseconomische cursussen. De bank helpt haar klanten ook in de discipline om terug te betalen. Dit is geen bedrijf met een winstmotief maar een hulporganisatie aan het werk. Die boekt overweldigend groot succes in het aanjagen van de lokale bedrijvigheid – dankzij gedegen kennis van de lokale situatie en een op maat gesneden hulpprogramma.

De tweede cruciale aanbeveling van het WRR-rapport: hulp baseren op uitgebreide, specifieke landenanalyses, is pover uitgevoerd. Schrappen in het aantal hulplanden, daar was het kabinet als de kippen bij. Maar de fundamentele, complexe analyse van elk land waarmee we een langdurige hulprelatie willen, ontbreekt in de brieven van Knapen. Waar gedegen studie was vereist, dragen beleidsbrieven de sporen van een natte vinger.

Het Centrum voor Ontwikkelingsvraagstukken van de Universiteit Nijmegen (CIDIN), vergeleek de 15 geselecteerde en de 18 afvallende landen op basis van de door BZ geformuleerde uitgangspunten. Het CIDIN concludeerde dat de selectie willekeurig was.

Wanneer de Tweede Kamer haar goedkeuring geeft aan het nieuwe beleid voor ontwikkelingssamenwerking, tekent ze voor een van de meest ingrijpende herzieningen van ontwikkelingssamenwerking in 60 jaar. Dat is: met nog maar 15 landen een langdurige hulprelatie. Een bezuiniging in 2011 van 400 miljoen en in 2012 900 miljoen euro.

Minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) schreef geschiedenis door mensenrechten te laten vallen als speerpunt van het Nederlands buitenlandbeleid. Staatssecretaris Knapen schrijft geschiedenis door armoedebestrijding neer te leggen bij het Nederlandse bedrijfsleven. Hij pleegt verraad aan het WRR-rapport waarop hij zich zegt te baseren en hij breekt met een lange traditie: hulp begint bij de belangen van de 1,2 miljard die leven aan de stinkende onderkant, niet bij die van de BV Nederland.

**

Marcia Luyten is cultuurhistoricus en econoom. Ze werkt als publicist en is auteur van onder meer ‘Ziende blind in de sauna: hoe onze politiek, economie en cultuur ‘Afrikaanse’ trekken krijgen.’

AFRIKALOG #99 Boemerang

Geplaatst mei 4, 2011 door Marcia Luyten
Categorieën: Afrikalog

Het verwijt van ‘racisme’ is niet zonder risico. De beschuldiging kaatst wel eens terug naar de aanklager. De Belgische schrijver Joris Note waagt het toch.

Note schreef op www.dewereldmorgen.be een lange litanie tegen het bejubelde en bekroonde Congo, een geschiedenis van David van Reybrouck. Om zijn punt te maken citeert hij veel en precies en niet zonder resultaat. Note maakt aannemelijk dat Van Reybrouck niet vakkundig of niet integer te werk gaat als hij vrijheidsstrijder Patrice Lumumba portretteert in een nieuw daglicht: geen heldhaftige en soevereine vrijheidsstrijder maar een egomane aandachttrekker zonder goeie manieren.

Van Reybrouck is veel te vakkundig voor een ongewilde déconfiture van Lumumba-de-held. Zijn motief zou kunnen zijn dat een afwijkende schets van Lumumba duidelijk maakt dat hier een nieuwe generatie  journalisten en schrijvers aan het woord is. Plus: controverse is aandacht voor het boek.

Joris Note vermoedt racisme als Van Reybrouck stelt dat Lumumba, die premier zou worden in de eerste regering van onafhankelijk Congo, bij het schrijven van zijn beroemde speech op Onafhankelijkheidsdag (30 juni 1960) was geholpen door een ‘Belgische raadgever en onvoorwaardelijke supporter’. Note: ‘Gelooft hij gewoon niet dat de zwarte autodidact de toespraak kon opstellen zonder hulp van een blanke autodidact?’

Hier trapt Note in de val waar blanken in Afrika vaker zijn ingelopen. Bijvoorbeeld als ontwikkelingswerkers niet wilden zien dat bepaalde aspecten uit Afrikaanse culturen ontwikkeling kunnen hinderen. De veronderstelling dat bepaalde overtuigingen of tradities mensen arm houden, lokte dan het verwijt uit racistisch te zijn. Terwijl – en daar komt de boemerang, het juist van racisme getuigt om mensen niet verantwoordelijk te houden voor hun eigen mislukkingen. De goede bedoeling verhult een fundamentele ongelijkwaardigheid.

Terug naar Joris Note. Die betoogt dat Lumumba wel degelijk Belgische vrienden had, ‘atypische, die hem als gelijke behandelden en door wie hij zijn denken en handelen niet liet bepalen’. Tegelijkertijd ontzegt Note Lumumba de mogelijkheid een vriend te laten meelezen met zijn belangrijkste speech – iets wat we allemaal doen als we een verhaal houden. Wanneer Lumumba bevrijd was van gevoelens van minder- of meerderwaardigheid, zoals Note beweert, zou hij geen moeite hebben met de bemoeienis van een goede vriend, ongeacht diens kleur. Alleen wie mentale soevereiniteit mist, houdt bepaalde anderen erbuiten.

En zo krijgt Note de boemerang terug. Hij stelt een belangrijke vraag: is Van Reybroucks portret van Lumumba adequaat en integer? Hij verzwakt zijn betoog door zijn jalousie de métier.

**

Boemerang verscheen in Internationale Samenwerking mei 2011

AFRIKALOG #98 Democratie van straf en beloning

Geplaatst maart 29, 2011 door Marcia Luyten
Categorieën: Afrikalog

Terwijl gewezen vriend en geldschieter Muammar Kadhafi vecht voor zijn politieke overleven, wachtte Yoweri Museveni kalm en zelfverzekerd de verkiezingsuitslag af. De president van Oeganda: “Ik maak mij geen zorgen. Ik ken de politiek van dit land. Ik win met gemak.” 

Aldus gebeurde. Met 68% won Museveni in de meest vreedzame verkiezing die Oeganda ooit beleefde. De militaire politie paradeerde wel met wapentuig door de straten voor het geval plan B in werking moest, maar zonder smet op het nieuwe uniform kon ze naar huis.

Museveni is met 25 jaar aan de macht een groentje naast Kadhafi, in het spel om de macht is hij grootmeester. Want groot is de politicus die overtuigend wint in een land waar de staat de publieke zaak vernachelt. Van gezondheidszorg en onderwijs tot aan waterputten en wegen, het is bagger of het werkt niet.

Museveni’s ‘democratie’ draait om beloning en straf. Streken, dorpen of volken die hem steunen, krijgen in ruil wegen, een eigen minister in het kabinet of een nieuw district. Museveni schiep in de afgelopen 5 jaar 34 extra districten, compleet met alle baantjes, auto’s en computers die daarmee komen. Wie de grote baas niet steunt, wacht armoede.

Het Noorden van Oeganda was altijd voor de oppositie. De grote verschillen in inkomen en levensomstandigheden tussen Oeganda’s Noorden en het Westen waar Museveni is geboren, zijn afgelopen jaren breed uitgemeten in de kritische kranten. Het effect is omgekeerd van wat was beoogd. Oeganda’s revolutie is dat het Noorden koos voor Museveni.

In deze democratie is een president altijd op campagne. Uiteindelijk is zijn enige opdracht: machtsbehoud. Daar is een lieve duit voor nodig. Volgens The Independent spendeerde Museveni meer dan 350 miljoen dollar aan deze campagne, grotendeels uit de schatkist. Dat is bijna de helft van wat Barack Obama uitgaf om in 2008 de verkiezingen te winnen, en dat in een land met een BNP dat 0,1 procent bedraagt van dat van de US.

Kiezers klagen over de endemische corruptie – populair onderwerp van de ontelbare radioshows, maar steunen de man erachter. De corruptie is door deze verkiezingen gelegitimeerd. De burgers weten waar ze voor kiezen: een systeem waar geweld niet snel nodig is.

**

Verscheen in Internationale Samenwerking april 2011

Volwassen idealisme en de internationale traditie van de PvdA

Geplaatst maart 26, 2011 door Marcia Luyten
Categorieën: Essays

Tags: ,

Ik neem u mee naar Oost-Congo, naar de prachtige mistige vlaktes van de hauts-plateaux. Daar ontmoette ik verleden jaar Faida Mbanguhe.

Faida is 52 en moeder van 11 kinderen. Samen met haar man bewerkte ze een stukje land achter hun huis. Tot die nacht in september 2009. Toen schopte een groep mannen de houten deur van haar huisje in. Ze roofden kleren, pannen, eten, en ze schreeuwden: “Dollars! We moeten dollars!”

Geld hadden Faida en haar man nauwelijks en dollars al helemaal niet. Het echtpaar werd vastgebonden. De kinderen zagen hoe hun vader zijn ballen kreeg afgesneden en doodbloedde. Ze zagen hoe vier mannen in uniform hun moeder bij het touw om de polsen vastpakten en haar, alsof ze een paard bereden, een voor een verkrachtten.

Iedereen moest kijken. Sindsdien wendt Faida van iedereen haar ogen af.

Ik ontmoette haar een half jaar later in het Panzi ziekenhuis in Bukavu. Ze was er geopereerd aan de wonden die de rebellen van onder hadden gemaakt. Na de operatie kan Faida leven zonder letterlijk de sporen van verkrachting achter zich aan te trekken. De ingreep is betaald met geld uit Nederland.

Ik sta hier voor een partij met een rijke traditie in internationale solidariteit. Mensen als Faida, de verworpenen der aarde, de verdoemde in hongers sfeer, zij kunnen al dik honderd jaar rekenen op de compassie en steun van Nederlandse sociaal-democraten.

Die traditie van internationalisme draagt namen om trots op te zijn: Marinus van der Goes van Naters, Max van der Stoel, Maarten van Traa, Jan Pronk. Met hen geloofden wij allemaal dat vrijheid en een zekere mate van welvaart voor de meesten op aarde haalbaar is.

Die rijke traditie heeft wat averij opgelopen. Armoedebestrijding heeft onvoldoende armoede bestreden. In 2011 moeten 1,4 miljard mensen net als Faida rondkomen van minder dan 2 dollar per dag. Democratie werd meer gevierd dan begrepen – met wrede gevolgen voor Rwanda en Irak, om de ergste voorbeelden te noemen.

Soms schoot niet alleen kennis, maar ook moed tekort. Neem Srebrenica. Met als beste motief: ‘We móeten toch iets doen’, stuurde een PvdA-minister een Nederlands contingent. Zonder de juiste bewapening. Zonder de juiste houding.

Als ik politicus was geworden, dan was het hierom geweest:  Onze Hollandse jongens veilig aangekomen in een kamp, een blikje Heineken in de hand hossend met de kroonprins. Ik zat voor de tv en huilde. Van schaamte. En van angst, omdat ik kon vermoeden wat honderden kilometers verderop gebeurde.

Minder lang geleden gingen we om de verkeerde redenen naar Uruzgan (We zouden daar gaan opbouwen. Het was oorlog). Vervolgens trokken we ons om de verkeerde redenen terug (Wij hebben onze bijdrage geleverd. Maar oorlogvoeren doe je niet met een eierwekker ernaast.)

Met het onwankelbare geloof in ontwikkelingshulp is het gedaan. Bovendien lijkt een groot deel van de Nederlanders te vinden dat de Slaafgeboornen hun ellende deels aan zichzelf te danken hebben. Voor veel Nederlanders hoeft het buitenland ook niet meer zo nodig. Over de dag dat CDA-VVD en PVV gingen onderhandelen over een kabinet en de NLse troepen zich terugtrokken uit Uruzgan, schreef Arie Elshout in de Volkskrant: “Nederland sluit zich als een oester.”

Nergens wringt dat zo zeer als in de partij die in de jaren tachtig een centrum was van internationale kennis en netwerken. Elsevier beschreef dat laatst mooi: hoe Willy Brandt en Helmut Schmitt naar PvdA-congressen kwamen om hun ideeën te scherpen.

Nederland sluit zich als een oester en dat wordt ook de PvdA aangerekend. Uruzgan en Kunduz hebben de PvdA in de hoek gezet waar principes het afleggen tegen populistische reflexen. Idealisme is geruild voor een bord linzen. Dat kan anders. Laat Faida in Congo symbool zijn voor die 1,4 miljard die niet met een zilveren lepel in de mond zijn geboren. Om haar te helpen hebben we vijf dingen nodig.

1.    Een uitstekend begrip van wat er aan de hand is: wie zijn die mannen die Faida ‘Interahamwe’ noemt? Welke motieven hebben die Rwandese rebellen om Congolese burgers te overvallen en vrouwen te vernederen en te verminken?

2.    We hebben een coherent verhaal nodig: we moeten snappen hoe de verkrachting van Faida samenhangt met de politiek van buurland Rwanda. We moeten snappen welke gevolgen onze interventies hebben op het machtsevenwicht in het Grote Merengebied.

3.    We moeten realistische verwachtingen hebben over wat wij als NL of Europa kunnen doen.

4.    We hebben een heldere strategie nodig waarin kennis, ervaring, realisme en coherentie samenkomen.

5.    Tot slot: moed. Moed is onontbeerlijk. Zoals Max van der Stoel en Ed van Tijn in de jaren tachtig de verboden PLO bezochten, ze tegelijkertijd Israël bewerkten en zo het voorwerk deden voor de Oslo-akkoorden. Nu is dat de moed om soms populisme te weerstaan. De moed om een complex verhaal te vertellen. De moed om niet mee te doen met gemakkelijke Kamervragen naar aanleiding van een krantenartikel, zo van: Mevrouw Luyten schrijft in NRC dat me dit en me dat, heeft u, minister daar weet van? Tenslotte gat het om de moed om niet vrijblijvend te zijn.

Dit schetst de contouren van internationale solidariteit in nieuwe vorm: realistisch, pragmatisch, coherent én niet vrijblijvend. Dát is een volwassen idealisme.

Dat is nou niet bepaald gemakkelijker geworden. Schema’s van goed en fout zijn minder duidelijk dan in de dagen dat Harry van den Bergh en Bram Stemerdink het internationalisme belichaamden. Kijk naar het dilemma waar Barack Obama deze dagen mee worstelt: democratie is een mooi ding. Maar wil hij vrije verkiezingen in het Midden Oosten als 70% van de bevolking meent dat de VS de grootste vijand is?

In dat ingewikkelde krachtenveld kan de PvdA meer betekenen voor Faida en haar lotgenoten dan ze het afgelopen jaar heeft gedaan. In ontwikkelingssamenwerking moeten het opportunisme en de inconsistentie van deze regering onder vuur worden genomen. De regering zegt zich te baseren op het WRR-rapport. Maar dat rapport wordt misbruikt. De WRR zegt dat het streven naar economische ontwikkeling leidend moet zijn. In het beleid is dat vertaald als: de weg vrij voor de BV Nederland. De WRR pleit voor betere selectie en concentratie van onze middelen. De regering snijdt lukraak in de lijst landen waarmee een langdurige hulprelatie wordt onderhouden. Maar als ‘Veiligheid’, ‘Fragiele staten’ en ‘Grote Merengebied’ focuspunten zijn, hoe kun je dan de hulprelatie met Congo beëindigen? Zodra de ambassade in Kinshasa dichtgaat, is de deur naar de politiek van het Grote MerenGebied ook gesloten.

Het is goed dat MFO’s hulp blijven geven aan Faida en de andere slachtoffers. Zo kan Faida na een volgende verkrachting opnieuw de wand tussen schede en blaas laten repareren – ik heb ze gezien, in Panzi ziekenhuis, de vrouwen die voor de tweede keer waren stukgescheurd. Zonder politieke oplossing zal er voor Faida nooit veiligheid zijn.

Wat ik u vanmiddag wil meegeven is inspiratie. En voor die inspiratie ligt er een prachtig pamflet. Het is geschreven door de 94-jarige Fransman Stéphane Hessel. Zijn pamflet heet Indignez-Vous: Wees Verontwaardigd! Hessel roept op tot verzet. Verzet tegen onrecht en onrechtvaardigheid, en dat verzet maakt volgens hem creatieve krachten los. Zijn flinterdunne boekje werd 1 miljoen keer verkocht, want het geeft hoop en engagement. Hessel schreef de nieuwe Internationale en Frankrijk loopt met hem weg. Waarschijnlijk hielp Indignez-vous Frankrijk voorop te gaan in de strijd tegen Kadhafi.

De PvdA staat in een prachtige traditie. Koester haar. Werk aan een volwassen idealisme. En maak u boos.

**

Column uitgesproken opde Politieke Ledenraad van de PvdA, 26 maart 2011

Lees het verhaal van vrouwen als Faida in het Panzi ziekenhuis in Bukavu

Lees Oorlog tegen vrouwen over het onbegrepen geweld in Oost-Congo


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.